‘Vrijgemaakte’ geloofsbeleving

“Het zal allemaal wel waar zijn, dat geloof ik wel, maar ik voel er zo weinig bij”. Die klacht horen we in onze eigen kring regelmatig. Er is vraag naar geloofsbeleving, naar spiritualiteit.

            Vaak is de klacht ook breder: in ‘onze’ kerk, bij ‘de vrijgemaakten’ (er is wel iets tegen die aanduidingen te zeggen, maar ze zijn duidelijk, we gebruiken ze om aan te duiden hoe wij het beleven) is er weinig aandacht voor het werk van de Heilige Geest in ons hart, voor de beleving.

            Ook anderen valt dat op. ‘Vrijgemaakten’ gelden als een niet-bevindelijk deel van het orthodoxe protestantisme. Ze zijn goed in kennis, in studie; dat is waardevol; anderen leren veel van ze. Een ander sterk punt van ze is het organisatorische. Maar geloofsbeleving – daarvoor moet je bij anderen zijn: bevindelijke gereformeerden, de Christelijke Gereformeerden bijvoorbeeld (het dichtstbij), of de Hervormde ‘bonders’. Of bij de evangelischen. Begrijpelijk dat ze met soms nauw verholen jaloezie daar naar kijken.

 Eigen type

            Uit het vele dat hierover te zeggen zou zijn, licht ik één punt. Het lijkt me toe dat er meer ‘beleving’ bij de ‘vrijgemaakten’ is dan veelal wordt opgemerkt. Een eigen type geloofsbeleving, dat vaak niet als zodanig wordt onderkend, en in ieder geval niet als zodanig wordt gelabeld.

            Met ‘de vrijgemaakten’ bedoel ik dan ons als kerkgemeenschap in onze geschiedenis, in de decennia dat wij zo in de volksmond heten.

            Ik wil dat eigen type geloofsbeleving hier proberen te schetsen in een paar grondlijnen. Om een afstandelijke toon te vermijden, zeg ik ‘wij’, al kan het best zijn dat velen onder ons het niet direkt zullen herkennen.

 1. Lengte

             Wij zijn weliswaar maar kleine, zwakke mensen, een minderheid die in de wereld niet in tel is; maar God heeft ons opgenomen in zijn éne, geweldige werk dat de eeuwen omspant. Zijn verlossingswerk; zijn verbond.

            Het gevoel, dat met dit besef gepaard gaat, is een diep ontzag, een duizeling als je dat werk probeert je in te denken en te overzien. Ook triomfantelijkheid: nooit ofte nimmer krijgt iemand dit werk van deze God omver! En een nederige dankbaarheid, dat wij, die niet beter zijn dan anderen, daar bij mogen horen.

            Sinds de jaren dertig is in theologie en prediking de heilsgeschiedenis sterk belicht, ook wel genoemd de verbondsgeschiedenis. De bijbelse geschiedenis werd verteld, niet alleen als een aantal plaatjes van mensen die al of niet goed handelden, voorbeelden ter navolging of ter afschrikking (‘exemplarisch’), maar als een doorlopende geschiedenis die God gaat met mensen. Met z’n ups en downs, z’n dieptepunten en z’n overwinningen. Wij zijn daarin opgenomen in de laatste fase, de tijd dat de Christus, waarnaar het volk van God eeuwenlang op weg was, gekomen is.

            Er is in dit verband wel gesproken van ‘een preek als een film’. Maar het is wel een film waarin je, als hij goed wordt overgebracht, jezelf gemakkelijk kunt herkennen, waarmee je jezelf kunt identificeren. Wij zijn die kinderen van Abraham, wij zijn dat Israël, wij zijn het volk van God. Het is onze eigen geschiedenis die daar wordt vertoond. Het is het grote verhaal, waar wij zelf deel van uitmaken.

            Deze prediking vanuit de Schrift heeft ook de beleving van het kerk-zijn gevoed. Wij voelen ons lid van de kerk, niet alleen maar in Nederland, een vaderlandse kerk sinds de hervorming, maar van de kerk die er is van het begin van de wereld af en er zal zijn tot het einde toe. De katholieke of algemene kerk, de kerk van alle eeuwen en van over de hele wereld.

            Dit is een van de wortels van de felle strijd voor de kerk. We zijn inmiddels wat moe geworden van het spreken over de ‘ware kerk’; we hebben oog gekregen voor verenging en kortsluiting die daarbij meermalen is ontstaan. Maar in de strijd voor de kerk is toch ook de liefde te proeven voor de weg die God de eeuwen door gaat met zijn volk, en het verlangen om op dat spoor te blijven.

            Dat is ook een grondmotief van de inspanning voor het gereformeerd onderwijs. Onze kinderen zijn mee opgenomen in dat geweldige werk van God, het verbond dat de eeuwen en de geslachten doorgaat! Die ketting mag niet breken!

 2. Breedte

             Geen duimbreed is er op heel het brede terrein van het mensenleven, waarvan Christus niet zegt: Het is van Mij! Zo (ongeveer) heeft Kuyper het verwoord, en dat besef is, onder andere via K. Schilders ‘Christus en cultuur’, met ons meegegaan.

            Wij beleven het tintelend plezier van kinderen die op onderzoek en avontuur uitgaan; de creatieve spanning van ontdekkingsreizigers. Waar we ook komen – het is allemaal Vaders wereld! Daarom zijn we niet bang, hoe sterk de tegenkrachten van de secularisatie ook zijn. Onze God is ze toch de baas!

            Daar komen we ook voor op. We verlangen ernaar om zijn vlag erop te planten. We komen er tegen op als zijn eigendomsrecht wordt ontkend en geschonden.

            Geloof is niet alleen maar iets voor ons innerlijk. Niet alleen maar iets voor de zondag of het gesprek in een kleine groep. We willen ons hele leven, in al z’n dimensies, ook onze samenleving, gehoorzaam inrichten naar zijn wil. Tot de politiek toe.

            Dit is de ‘drive’ die ons heeft gemotiveerd tot de vele gereformeerde organisaties op allerlei gebied. In later jaren zijn die opnieuw in discussie gekomen. Je kunt je afvragen of eigen organisaties in alle gevallen wel zo’n geschikt middel zijn voor dit doel. Er zijn ook andere manieren om je christen-zijn in de wereld vorm te geven. Het kan ook zijn dat in de dagelijkse, vaak moeizame praktijk het oorspronkelijke vuur soms moeilijk meer te zien of te voelen is. Maar: daar is het wel uit voortgekomen.

            Vandaag spreekt de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte (met niet alleen, maar wel heel wat vrijgemaakten) van ‘transformatie van de cultuur’, en gaat daar een congres over beleggen. Het vuur blijft branden.

 3. Diepte

             Leken de vorige onderwerpen vooral een zaak van gemeenschappelijkheid, nu komt er een typisch individuele beleving aan de orde. Heb ik de vorige dimensies vooral uitbundig geschetst, deze derde dimensie is er in de eerste plaats een van diepe ernst. Misschien zou men deze trek nog het meest direkt als ‘geloofsbeleving’ herkennen.

            Wij voelen een sterke verantwoordelijkheid. Persoonlijk. Wij voelen ons geroepen tot geloof, tot een leven voor het aangezicht van God.

            Ook hier trekt onze geschiedenis haar duidelijk herkenbare spoor. De Vrijmaking kwam voort uit een strijd over verbond en doop. Wij leerden dat er niet zoiets was als een ‘inwendig’ verbond was, waarin alleen de echte uitverkorenen plaats hadden, die onvoorwaardelijk zalig werden, met daarnaast een ‘uitwendig’ verbond, dat ook diegenen omvatte die geen echte kinderen van God waren en later verloren zouden gaan.

            Er is maar één verbond. Dat is ‘eenzijdig in z’n ontstaan’: het gaat alleen van God uit; Hij richt het met ons op. Terwijl Abraham in een diepe slaap lag, ging Hij alleen tussen de stukken door, in het spoor van bloed. God belooft ons alles. Ook alles wat Hij van ons vraagt, zoals het geloof en de heiliging, geeft Hij ons eerst. Er is niets wat wij van onze kant, uit eigen kracht, zelf moeten opbrengen. Hij heeft ons uitgekozen tot de eeuwige zaligheid. In zijn werk mogen we rusten.

            Maar wat Hij ons geeft, dat vraagt Hij dan vervolgens ook van ons. Het verbond is ‘tweezijdig in z’n bestaan’. Hij heeft ons gemaakt tot partij in zijn verbond, nu zijn wij dan ook serieus partij. Het komt wel degelijk aan op hoe wij ons nu opstellen en wat wij doen. Hij vraagt geloof. Hij vraagt dat wij door de Geest, die Hij ons gegeven heeft, leven. Zo niet, dan blijken wij niet slechts mensen van de buitenkant, maar dan worden wij bedreigd – daar is Hij van meet af aan duidelijk in – met de vloek van datzelfde, volle verbond.

            Het heilige is in de religie-wetenschap wel omschreven als het ‘mysterium tremendum ac fascinans’, het tegelijk vreeswekkende en boeiende mysterie: je wordt erdoor aangetrokken, en tegelijkertijd wil je ervoor wegvluchten, of in ieder geval op een eerbiedige afstand blijven. Zo is het inderdaad (zij het op een andere manier dan die wetenschappers bedoelden): het is heerlijk om aan God verbonden te zijn, maar tegelijkertijd huiver je voor Hem. Dat zijn de twee kanten van de ‘vreze des HEREN’.

 Gaven van de Geest

             Dit zie ik als enkele grondtrekken van de ‘vrijgemaakte geloofsbeleving’. Misschien was er in het spreken en schrijven onder ons vaak wat weinig áándacht voor het werk van de Heilige Geest in ons; maar dat zegt nog weinig over de vraag of dat werk van de Geest wel feitelijk aanwézig was.

            Er is best reden om enkele relativerende kanttekeningen te maken. Ik heb dat terloops al af en toe gedaan, en ga daar nu mee door.

            Aan de ene kant is geloofsbeleving die die naam verdient, beleving van wat God geeft, wat Hij zegt, wat Hij belooft; het is een gave van de Geest; iets om als zodanig te eerbiedigen. Aan de andere kant is geloofsbeleving mensenwerk, een manier van òmgaan met de gaven van de Geest, en als zodanig onvolkomen en met zonde bevlekt. We hebben alle reden om blij te zijn met wat we gekregen hebben, maar geen enkele reden om er trots op te zijn.

            Ik wil bepaald niet beweren dat alle vrijgemaakten in het verleden deze beleving hebben gekend. En helemaal niet dat ze die nu allemaal kennen. Er zijn veel verschillen. Er is veel ondermaats geestelijk leven geweest. Er zijn ook allerlei remmende faktoren geweest, zoals bijvoorbeeld door persoonlijke omstandigheden bepaalde gevoelsarmoede.

            Ik suggereer ook niet dat iedereen deze beleving had moeten kennen, of nu zou moeten kennen. Een bepaalde geloofsbeleving of spiritualiteit is niet normatief. Wij worden niet behouden door onze beleving; alleen door Gods werk, waarin wij geloven. Wij moeten niet onze beleving verheerlijken en aan anderen proberen op te leggen. Elke beleving heeft z’n eenzijdigheid; ook z’n gevaren.

            Een eenzijdigheid is bijvoorbeeld, dat missionair elan in geen van deze drie dimensies makkelijk te plaatsen is. De drang om te evangeliseren is er vooral de laatste tientallen jaren wel geweest en ook sterker geworden, maar het is nooit een centrale trek geweest in het gereformeerde leven. Ook met betrekking tot de tijd vóór de Vrijmaking is dat gesignaleerd. De zuil van gereformeerde organisaties was wel bedoeld om wervend te werken, maar was niet zozeer daadwerkelijk daarop gericht. Dit is een voorbeeld van een punt waarop wij in onze geloofsbeleving van andere christenen kunnen leren, verrijkt en gecorrigeerd kunnen worden.

            Een bepaald type geloofsbeleving kan altijd scheef groeien. De woorden waarin we die beleving uitdrukken, kunnen ook een façade zijn, waarachter een veel minder fraaie geestelijke werkelijkheid schuil gaat. Ik heb wel eens de indruk gekregen, dat een werkelijk Schriftuurlijke en verbondsmatige prediking niet werd herkend, als het wóórd ‘verbond’ niet met een behoorlijke regelmaat klonk.

            Een ‘spiritualiteit’ kan doorsudderen, terwijl die van binnenuit is uitgehold. Zulke gevaren bedreigen echt niet alleen de vrijgemaakten. In elk type geloofsbeleving doen deze verschijnselen zich voor.

            Aan de discussie, de strijd over verbond en doop in de tijd van A. Kuyper en daarna danken we dit accent op het verbond. Dat woord is sindsdien voor sommigen een toetssteen van rechtzinnigheid geworden; voor anderen een cliché. Maar het gaat nu om de beleving die er achter ligt.

            Dit accent is gelegd in prediking, theologie en publiciteit sinds ongeveer de jaren dertig.

Gepubliceerd in De Reformatie, 28 augustus 1999.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *