Ons lichaam wordt gered – de structuren niet?

Er komt een laatste oordeel. God zal definitief ingrijpen. En dan komen er ook echt mensen in de hel. Dat is bepaald geen populaire voorstelling in modern christelijk denken. Het wordt veelal gezien als inhumaan en onverenigbaar met de liefde van God.

Toch wordt deze voorstelling met kracht verdedigd door A. van de Beek, hoogleraar aan de Vrije Universiteit. Hij levert theologisch doorwrochte betogen, waarbij hij vooral thuis blijkt in de geschriften uit de eerste eeuwen van de kerkgeschiedenis, maar hij haalt ook doorlopend Bijbelgedeelten aan. En Christus staat centraal. Daarbij schrijft hij ook nog levendig en eigentijds, en het is niet verbazend dat hij in gereformeerde kring, waaruit hij zelf ook stamt, geboeid wordt gelezen.

God doet recht, is de titel van zijn eschatologie. Het gangbare beeld van de liefdevolle en humane God is een beetje wereldvreemd: doet tekort aan de rauwe werkelijkheid van het gewelddadige en niets ontziende kwaad. God zal het voor de slachtoffers opnemen.

Een hoofdbezwaar van de kritiek van zijn geestverwanten is dat hij te pessimistisch is over deze wereld. Daardoor heeft hij te weinig motivatie mee te geven aan de christen die hier en nu leeft en werkt.

Van de Beek neemt het beslist op voor het geloof in de opstanding van het lichaam. Ook daarmee durft hij tegen de geest van de tijd in te gaan. Het natuurwetenschappelijk wereldbeeld en de concentratie op het binnenwereldse bestaan verleiden christenen om aan deze klassiek-christelijke leer een draai te geven.

Christus redt ons helemaal, ook ons lichaam. Zoals hij is opgewekt, zullen wij ook opgewekt worden. Voor hem, en in zijn licht, is ons lichaam kostbaar. Daarom zullen wij zorgvuldig omgaan met ons eigen lichaam en ook zorgzaam met het lichaam van onze medemens. Dat is voluit bijbels, en Van de Beek laat zien hoe de christelijke schrijvers van de eerste eeuwen, hoeveel platonisme ze ook om zich heen hadden, op dit punt dan ook over de hele linie beslist stelling namen.

Over de vernieuwing van de structuren is Van de Beek heel wat minder positief. Ook op dit punt kiest hij moedig positie tegenover de trendy oecumenische theologie. Vanaf de neomarxistisch geïnspireerde theologie van de jaren 1960/70 tot en met de slogan ‘gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping’ van de Wereldraad van Kerken is de aandacht gericht op de omverwerping of althans transformatie van de politieke en maatschappelijke structuren die met het christelijk evangelie in strijd zijn: onderdrukking, uitbuiting van mens en milieu.

Van de Beek ziet op de achtergrond daarvan pelagianisme en utopisch Verlichtingsdenken. God maakt alles nieuw, niet wij, ook niet wij samen met hem. Wij leven in dit tijdelijke bestaan onder het teken van het kruis van Christus. Het Nieuwe Testament heeft wel een boodschap voor slaven, inclusief de bemoediging dat God hun recht zal doen tegenover wrede meesters, maar het roept duidelijk niet op tot afschaffing van de slavernij.

Voor dit betoog kan Van de Beek veel uit het Nieuwe Testament aanhalen, onder andere uit 1 Petrus. Toch had zijn wereldwijsheid hem ook hier op een ander spoor kunnen zetten. Je kunt het aardse lichaam en de aardse structuren zo niet los van elkaar zien. Christenen die bezorgd waren voor het lichamelijk welzijn van hun medemensen in slavernij, kwamen van daaruit in de negentiende eeuw tot de conclusie dat de slavernij als maatschappelijke, economische en juridische structuur moest worden afgeschaft, ook al eiste de Bijbel dat niet met zoveel woorden.

Ik volg de lijn van argumentatie in Luthers verklaring van de vierde bede van het Onze Vader. Als we bidden om ons dagelijks brood, bidden we ook voor goede oogst, productie, transport, detailhandel, en een orde in de samenleving, een netwerk van goede relaties, een structuur, die dat alles begunstigt.

Als je barmhartigheidswerk doet in de samenleving, heb je daar een organisatie voor nodig, en dan moet je met overheidsinstanties en andere bobo’s om de tafel. Dat geldt voor Youth for Christ in Amsterdam en voor kindertehuizen in India.

Terecht betoogt Van de Beek dat wij vreemdelingen en bijwoners zijn, dat wij leven onder het teken van het kruis van Christus en dat wij ons kruis op ons moeten nemen. Maar de bereidheid om te lijden “als het moet” (1 Petrus 1: 6) is geen uitgangspunt voor de ethiek en ook geen begrenzing. Grondregel voor de ethiek van 1 Petrus is juist dat je goed moet blijven doen, je moet opstellen als een weldoener in de samenleving (Winter). Zo dat je politieke waardering ontmoet (2: 14, vgl. Rom. 13: 3). De brief echoot de oproep van Jeremia 29: Zoek, in de verstrooiing, het goede voor de stad waar je terechtgekomen bent.

We krijgen niet alleen een nieuw lichaam, er komt ook een nieuwe wereld. God zal niet alleen ons lichaam opwekken, maar ook onze wereld, de wereld die hij geschapen heeft en waarin hij ons geplaatst heeft, door de ondergang heen weer doen stralen. Vandaar dat Luther (volgens de overlevering) op de laatste dag nog een appelboom wilde planten, en wij nog werken zowel in de zorg als in de politiek.

Dat hoeft dus geen utopisme te zijn. Het betekent niet dat wij meebouwen aan Gods koninkrijk. Het is gewoon: als christenen in deze wereld leven, in het lichaam, dat op een plek leeft, in een familie, in een stad of dorp, in organisaties en netwerken.

 9-9-2010

Literatuur

A. van de Beek, God doet recht. Eschatologie als christologie. Spreken over God 2.1. Zoetermeer, 2008.

Martin Luther, Der große Katechismus deutsch. 1529. Geraadpleegd via Google.

B. W. Winter, Seek the welfare of the city. Christians as benefactors and citizens. Grand Rapids, 1994.

B.[W.] Winter, Seek the welfare of the city. Social ethics according to 1 Peter. http://s3.amazonaws.com/tgc-documents/journal-issues/13.3_Winter.pdf

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

mushroom coffee