Met Vader over het nieuwe land

Kunnen dichters ons misschien helpen om ons de nieuwe aarde voor te stellen en ernaar te verlangen? Zij beschikken toch over mogelijkheden die theologen niet hebben.

Hans Werkman is vooral schoolmeester – in de goede zin van het woord, hij kan over de nietigste onderwerpen zo vertellen dat je aan zijn lippen hangt. Docent, moet je vandaag natuurlijk respectvol zeggen. En gerespecteerd is hij, als letterkundig voorman in vrijgemaakt-gereformeerde kring, tot ver daarbuiten. Maar hij is ook dichter.

AgrarischWerkman 3

Werkman kun je wel toevertrouwen dat hij, sprekend en zelfs dichtend over de nieuwe aarde, het over de aarde blijft hebben. Hij is afkomstig van het Groninger Hogeland, uit het verre noorden, geboren en getogen in Uithuizermeeden. Het agrarische karakter is kenmerkend voor het landschap. Maar al jong zocht Hans het buiten Noord-Groningen. In het gedicht ‘Groninger Hogeland’ klinkt zowel zijn band met zijn geboortegrond door als het heimwee ernaar van de migrant.

Vlak

De naam ‘Hogeland’ zegt net zo weinig over de hoogte als, waar dan ook in Nederland, de benaming ‘berg’. Het gebied is niet bepaald toeristisch, de fietsers buigen zich tegen de wind in extra voorover over het stuur en de wandelaar wordt niet door veel afwisseling verrast. Je moet er van houden, misschien moet je er een speciale binding mee hebben. Voor mij is dat geen drempel. En als Jacques Brel in een taal vol zuidelijk pathos over ‘mijn vlakke land’ Vlaanderen kan zingen, laat dan het Groninger land niet achterblijven.

Over dat landschap begint Hans Werkman zo:

Nauw begrensd oneindig land,
vol gevoel en vol verstand.

En:

paradox van klei en gratie.

Maar het zijn vooral de plaatsnamen waarin hij zijn gehechtheid aan het land verklankt hoort – ‘liefde’ zou een te groot woord zijn, bij de Groninger Werkman lopen de emoties althans uiterlijk nooit op en het understatement van de taal is spreekwoordelijk.

Altijd zie ik langs de dijk
Bierum, Roodeschool en Spijk.

Altijd keer ik tot u weer,
Zeerijp, Eenum, Garrelsweer.

Oude dorpen, oude stijl:
Westeremden, Oldenzijl.

Namen met een lief verleden:
Loppersum, Uithuizermeeden.

Hij verlangt naar een nieuwe aarde waar deze vertrouwde dorpsnamen weer te horen en te zien zijn. Die wensdroom begint zo:

Geef ons op de nieuwe aarde
duizend bunder nieuwe klei.

Die laatste regel is de titel van de hele bundel, en terecht. Letterlijk is dat een bescheiden wens: op heel die aarde een stuk grond van duizend hectare, zeg maar twintig bij vijftig kilometer, nieuwe, royale ruimte voor de geliefde dorpen. Maar het klinkt veel rijker. Nieuwe klei! Dat doet denken aan de wadden en kwelders aan de noordkust, die in de loop van de eeuwen bedijkt en ingepolderd werden en toegevoegd aan de boerderijen daarlangs. Zoveel ‘bunder’, de taal van de boer, van zijn economie, zijn berekeningen, zijn welvaart, zijn trots. Duizend bunder, een onmetelijke uitgestrektheid van land erbij! Nieuwe, vette klei, vol belofte van vruchtbaarheid en rijkdom voor zijn gezin, zijn opvolgers, zijn klein- en achterkleinkinderen.

Aardewerk

Klei – daar maakt de pottenbakker onze aardewerken gebruiksvoorwerpen van; vaten, breekbaar en kostbaar tegelijk. Klei, daar zijn wij zelf van gemaakt, mensen uit aarde, vaatwerk, man en vrouw (de laatste wordt ergens in de Bijbel aangeduid als het ‘zwakste vat’, ‘brozer vaatwerk’). Klei, daar boetseert de kunstenaar beeldjes van. Musea zijn vol terracotta voorwerpen uit tientallen eeuwen. Klei is synoniem met de aarde die wij als kinderen ontdekten onder het gras en waarop we met een mes landverovertje speelden – we werden zwart, thuisgekomen moesten we ons flink wassen, moeder was niet blij, onze kleren moesten in de was. Dat noordelijk stuk Groningen wordt hier van een stukje van de nieuwe aarde geruisloos de héle ‘nieuwe aarde’: klei, heel aards, grondig, geurig, vies – teelaarde, vochtig, glimmend, levend.

Geef ons daarop, lieve Heer,
Zeerijp, Eenum, Garrelsweer.

Door die laatste plaatsnaam heen klinkt: geef het ons weer, opnieuw, terug! Het is het verlangen, het heimwee naar wat verloren ging, de grond die in het Oude Testament van je afgepakt werd maar die je in de toekomst weer zou bezitten – Psalm 37, aangehaald door Jezus in de zaligsprekingen van zijn Bergrede. Wat ondergaat in het laatste oordeel, maar daar doorheen nieuw wordt. Het gedicht vertolkt in de dimensies van het vlakke land het verlangen van Romeinen 8.

Geef ons in dat eeuwig heden
een vernieuwd Uithuizermeeden.

Geef ons Roodeschool en Spijk
in de kromming van de dijk.

Geef ook Bierum, Oldenzijl,
Westeremden eeuwig heil.

De nieuwe aarde en de vertrouwde aarde schuiven in elkaar, niet alleen in de plaatsnamen maar ook in de afwisseling van ‘eeuwig heden – vernieuwd – in de kromming van de dijk – eeuwig heil’. De  alledaagse dijk met de bocht in de asfaltweg en de paaltjes met prikkeldraad én het troostend vergezicht verwoord in de verheven religieuze taal worden één.

[Zie vervolg onder de foto]

Werkman 12De climax van het gedicht begint met een flits van het Hogeland (waar het begin bij verbleekt):

hoge luchten, zware grond.

En als ik hier dan weer sta,
naast U door de kluiten ga,

knijp ik in uw Vaderhand:
dank voor dit oneindig land.

De eenheid van het hier-en-nu en de nieuwe wereld is volkomen: dán staat de dichter weer hier. Maar opeens loopt hij door de ‘kluiten’ – trefzekere samenvatting van de kostelijke kleiaarde – aan de hand van zijn Vader. Was het ons al opgevallen dat de wensdroom van het begin af aan een gebed was? Ongemerkt, vanzelfsprekend, leeft de dichter zo met God. Met die mysterieuze christelijke houding van ontzag en vertrouwelijkheid: hand in hand als kleine jongen met zijn grote Vader. Dankbaar voor het land, aards, zwaar, een beetje zuigend aan de bij elke stap iets wegzakkende voet, dat tegelijkertijd oneindig is, je wordt van het samen lopen daar nooit moe. Hij knijpt even in Vaders hand – een gebaar van verstandhouding, woordkarig als een echte Groninger, maar oneindig intiem. Na al dat licht, dat zingen en dat zien van God van aangezicht tot aangezicht in de theologie, doet deze grijze stilte, zij aan zij, een rilling langs mijn rug lopen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *