Secularisatie

Inhoud
1. Secularisatie als levensgevoel
2. Secularisatie volgens deskundigen
3. Secularisatie en geschiedenis
4. Secularisatie én heiliging

1.  SECULARISATIE ALS LEVENSGEVOEL

Wij leven in een geseculariseerde wereld. Dat staat ons allemaal duidelijk voor ogen. We kunnen gemakkelijk een heleboel verschijnselen opnoemen die daarop wijzen. We worden al weer enkele jaren geregeerd door een paars kabinet, en dat gaat zo door. De kerken worden leger en kleiner. De zondag als rustdag voor de samenleving wordt bedreigd. Allerlei normen en waarden, bijvoorbeeld op het gebied van leven en dood en van sexualiteit en gezin, komen op de helling, voorzover ze niet al lang overboord zijn gezet. Telkens weer komt het op ons af: de secularisatie neemt hand over hand toe.

Dat besef is voor ons zo vanzelfsprekend als de lucht die we inademen. Het behoeft geen discussie.

Als we erover gaan nadenken, doen zich toch veel meer problemen voor dan we dachten. Het wetenschappelijke vak dat zich systematisch met het begrip secularisatie bezig houdt, is vooral de godsdienstsociologie. Daar is dit begrip enorm in discussie. Wat wordt er nu eigenlijk precies mee bedoeld? Is het beeld, bij nauwkeurige waarneming en analyse, wel zo duidelijk? De situatie blijkt zo ingewikkeld te zijn, dat een van de deskundigen[i] voorgesteld heeft om het begrip maar helemaal niet meer te hanteren.

Donkere bril

Maar secularisatie is niet alleen maar een wetenschappelijke term, die staat of valt met een nauwkeurige omschrijving en analyse. We gebruiken het woord ook in onze dagelijkse leefwereld. Het drukt een levensgevoel uit. Zo beleven wij onze werkelijkheid.

Het is niet alleen een beschrijvende term. Er zijn ook gevoelens aan verbonden.

Voor de lezers van De Reformatie zullen die gevoelens over het algemeen negatief zijn.

Geloven wordt moeilijker. Wij die geloven, hebben het tij tegen. Onze overtuiging wordt steeds minder begrepen, er wordt ook steeds minder rekening mee gehouden; er is in de praktijk gewoon geen plaats voor. We zijn hoe langer hoe meer vreemde eenden in de bijt. Vroeger was dat anders. Toen was de samenleving nog veel meer doortrokken van christelijke normen in waarden. In de wereld van nu voelen we ons minder thuis.

Dat proces zal zich voortzetten, verwachten we. We maken ons zorgen over de wereld waarin onze kinderen opgroeien en hun koers als christenen moeten vinden. We kunnen ons nauwelijks anders voorstellen dan dat het secularisatieproces onomkeerbaar is. In de moderne wereld gelden de traditionele gelovigen onvermijdelijk als ouderwets; zij zijn de verliezers.

Als ik zo doorga, kan het overdreven overkomen. Echte gelovigen zijn geen pessimisten. Ze hebben hoop en houden moed. Toch duidt het woord secularisatie wel een donker gekleurde kijk op onze werkelijkheid aan, en ook een zware slagschaduw over onze verwachting.

Er zijn ook velen die secularisatie juist als iets positiefs zien: bevrijding uit banden die ons in het verleden gebonden hielden. En dan zijn er nog tal van schrijvers die het verschijnsel ambivalent waarderen: het heeft positieve, maar ook negatieve kanten. Ik concentreer me op de negatieve benadering.

‘Self-fulfilling’

 Het aspekt dat ik hier belicht, is benadrukt door A. van Harskamp. Op het congres waarop hij dat deed, een paar jaar geleden, discussieerden sociologen en theologen met elkaar over secularisatie.[ii] Van Harskamp bracht naar voren dat de ‘secularisatiethese’ (dus de stelling dat er secularisatie is, als kenmerkend verschijnsel in onze tijd) ook iets ideologisch in zich heeft, iets levensbeschouwelijks. Hij noemt het een ‘groot verhaal’.

 – Daarbij gaat hij ook even in op de vraag hoe actueel dit dan nog is, nu gesproken wordt over het einde van alle ‘grote verhalen’. Hij merkt op dat deze stelling van het postmodernisme zelf ook de trekken van een ‘groot verhaal’ vertoont. –

Er is steeds minder godsdienst en steeds meer wereld. Van Harskamp spreekt van de ‘zielige’ versie van deze these; wat ik aangeduid heb als pessimistisch, donker. Hij brengt ook naar voren dat deze kijk op de ontwikkeling het in zich heeft om een ‘self-fulfilling prophesy’ te worden. Als je al maar tegen elkaar zegt dat geloven moeilijk is in de moderne tijd, dat het geloof onvermijdelijk steeds meer haaks zal staan op de werkelijkheid waarin we leven, in tegenstelling tot voorbije tijden, dan ga je die tegenstelling ook steeds zwaarder voelen. Je praat jezelf en elkaar een machteloosheid aan. Dat verlamt je in de strijd tegen de secularisatie. Dan zullen mensen die met beide benen in de moderne werkelijkheid staan, er gemakkelijker toe komen om het geloof los te laten.

Die laatste gedachte riep in een nabeschouwing op de congresdiscussie een geschokte reaktie op. Het is te hopen dat dit niet doorgaat![iii]

Onvermijdelijk?

Ik wil van deze ideologische kant van de secularisatiethese een spoor terug volgen.

Een van de meest bekend geworden boeken over secularisatie is het al wat oudere De stad van de mens (oorspronkelijk: The secular city) van Harvey Cox. Deze benadert ziet de secularisatie als iets positiefs; godsdienst en kerk moeten in dit proces mee en hebben dan grote mogelijkheden.

Om de historische ontwikkeling waar we in zitten duidelijk te maken, grijpt Cox naar een schema van C.A. van Peursen. Dat schema vinden we breder terug in diens Cultuur in stroomversnelling. De cultuurgeschiedenis wordt hier geschetst in drie fasen. Achtereenvolgens benaderen de mensen hun werkelijkheid mythisch, ontologisch (met de vraag naar de waarheid: hoe is iets?), en functioneel (hoe werkt iets?).

Dit schema van drie fasen vertoont een bepaalde lijn. De volgorde is niet willekeurig; die is niet anders voor te stellen. Er zit ook iets in van een onvermijdelijke voortgang. Er is geen weg terug. Van Peursen verbindt daar niet een bepaalde waardering aan; hij wil alleen maar een bepaalde ontwikkeling toelichten.

Positief?

Het schema van Van Peursen doet sterk denken aan dat van Auguste Comte (eerste helft van de negentiende eeuw). Dat is in dit verband interessant: we zagen dat het met name (godsdienst-)sociologen zijn die het begrip secularisatie uitspitten, en Comte wordt vaak genoemd als de vader van de sociologie.

Comte tekent eveneens de geschiedenis van het menselijk denken in drie fasen. De eerste is theologisch: mensen zien hun werkelijkheid als door God of goden beheerst. De tweede is metafysisch: mensen vinden vooral belangrijk wat de werkelijkheid ten diepste is. De derde fase noemt Comte de ‘positieve’. Nu benaderen we de werkelijkheid wetenschappelijk.

De thematiek van de secularisatie is in dit schema van Comte duidelijk herkenbaar. In zekere vorm is hier al een secularisatiethese geponeerd.

Bij Comte is wel een duidelijke waardering in het spel. De secularisatie wordt positief gewaardeerd. De laatste fase is het hoogtepunt. In z’n latere ontwikkeling heeft Comte zichzelf gezien als een soort hogepriester van de religie van het positivisme.

Zwart-wit

Het drie-fasen-model van Comte is gemakkelijk te zien als een wat meer uitgewerkte variant van het twee-fasen-schema van de Verlichting. In de eerste fase leven mensen primitief, onder de druk van godsdienstige en in het algemeen autoritaire bindingen. In de tweede fase zijn we vrij; we gebruiken ons eigen verstand om de wereld, ook onze eigen menselijke samenleving, te onderzoeken en te beheersen. De geschiedenis vertoont een ontwikkeling van donker naar licht, van slecht naar goed. De Verlichting presenteert al een secularisatiethese, met een positieve waardering.

Dit ‘grote verhaal’ van de Verlichting speelt sindsdien door, zij het in allerlei gedaanten. Het evolutionisme is daar een voorbeeld van, met name zoals dat populair is geworden: er is een ontwikkeling van laag naar hoog; een ontwikkeling die in de praktijk niet anders voorstelbaar is, die onomkeerbaar is en die nog steeds doorgaat.

Met die doorwerking van de Verlichting hebben we nu nog steeds te maken. Weliswaar heeft dit levensgevoel in de loop van twee eeuwen, vooral de laatste eeuw, vele deuken en scheuren opgelopen; maar verdwenen is het nog niet.

Ook de moderne secularisatiethese vertoont nog steeds trekken van de Verlichting

Subjectief

 Ik wijs nog op enkele trekken van dit ‘grote verhaal’. Dit geschiedenisbeeld van de Verlichting is universeel. Wij, in West-Europa, zijn nu al bezig met ons te emanciperen van vreemde overheersing; de volken elders in de wereld, die nu nog in de primitieve fase leven, zullen onafwendbaar volgen, delend in de zegen van de Westerse verworvenheden.

Een scharnierpunt in de ontwikkeling is altijd het heden; de tijd die ‘wij’ zelf beleven. ‘Wij’ leven in de tijd van de beslissende overgang, in het tijdsgewricht naar de laatste fase; soms wordt het ook beschouwd als een crisis. Voor de mens in de tweede helft van de twintigste eeuw is dat net zo als voor die in de tweede helft van de achttiende eeuw. Het omslagpunt schuift als het ware mee door de geschiedenis. In de uitwerking van de secularisatiethese worden allerlei voorfasen getekend, maar men ziet de secularisatie zich toch altijd met name ‘nu’ voltrekken. Dat laat zien hoezeer sprake is van een levensgevoel; er spreekt een sterk subjectief element mee; het gezichtspunt van de beschouwer in zijn tijd is in sterke mate bepalend voor het perspectief.

M’n schets van de secularisatiethese, zoals die in de Verlichting naar ons toe komt, doet misschien simpel aan. Allerlei nuanceringen en relativeringen die het verstand en de wetenschap kunnen maken, zijn op dit moment even minder relevant en kunnen zelfs hinderen: we proberen zicht te krijgen op een levensgevoel, diep en sterk.

Reactie

Onze beleving van de secularisatie, met het negatieve voorteken – wat Van Harskamp noemt de ‘zielige’ variant – vertoont trekken van een omkering van dit schema van de Verlichting. We nemen dezelfde ontwikkeling waar als zij; maar wat zij positief waardeerde, waarderen wij negatief.

Het kan zijn dat we daarmee een reaktiehouding aannemen. Een reaktie, die nog niet helemaal vrij is van het schema waar het zich tegen keert. Het kan zijn dat ons – getemperd – pessimisme in z’n intensiteit nog iets weerspiegelt van datgene waar we afstand van willen nemen: de hoge pretenties en het idealisme van de Verlichting.

Is de Verlichting, en de secularisatie die zij beschreef en waar zij voor streed, wel van zó geschiedenis-beslissende betekenis als zij zelf pretendeert? Is het verschijnsel wel zo universeel? Is het wel zo onvermijdelijk? Is het wel zo onomkeerbaar?

Hierbij moet direkt worden opgemerkt dat onze visie op het secularisatie-verschijnsel – ik zou haast zeggen: uiteraard – ook heel andere wortels heeft. Met name bijbels-religieuze wortels. Wij zien de wereld waar we in leven, als een wereld in een proces van afval van de levende God, in de lijn van het bijbelse spraakgebruik over ‘de wereld’. In een later artikel wil ik daar nader op ingaan.

M.i. loopt er niet direkt een rechte lijn van deze bijbelse uitgangspunten naar de secularisatiethese in deze tijd en onze sombere gevoelens daarbij. Het is goed om ook de hier aangewezen historische wortel in het oog te vatten.

Dan krijgen we tenminste een uitgangspunt om wat afstand te nemen van dat massieve begrip ‘secularisatie’, dat ons zo vanzelfsprekend leek. Misschien kunnen we de donkere verschijnselen die zich aan ons opdringen, door een wat minder donkere bril bekijken. Het is het proberen waard.

2.  SECULARISATIE VOLGENS DESKUNDIGEN

De deskundigen bij uitstek op het gebied van de secularisatie zijn de godsdienstsociologen. In hun wetenschappelijke discipline wordt dit verschijnsel systematisch onderzocht. Vaak lijkt secularisatie zelfs wel bij uitstek hèt thema van dit vak.

Dat is begrijpelijk, gezien de historische achtergrond van dit vak. Godsdienstsociologie is wel sociologie, maar heeft aan de universiteit z’n plaats onder de paraplu van de theologie. Dat komt zo: theologen namen in de samenleving ontwikkelingen waar, waar ze vanuit hun eigen deskundigheid niet goed raad mee wisten: de kerken liepen leeg; de interesse en het respekt voor God en godsdienst, en zelfs de kennis erover en het begrip ervoor, namen af. Daarom werd de hulp ingeroepen van deskundigheid op het gebied van de samenleving.

Onder deze deskundigen is de verscheidenheid en de verwarring van spraak en opvattingen over dit grote onderwerp gigantisch. Gelukkig kunnen we ons concentreren op het werk van één persoon die als autoriteit op dit terrein in Nederland geldt: Dr. G. Dekker, tot zijn emeritering verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam[iv]. Op het in het vorige artikel genoemde congres van theologen en sociologen over secularisatie werd zijn definitie als uitgangspunt genomen.

Afdingen

Dekker omschrijft secularisatie als: de afnemende betekenis van godsdienst in de samenleving. ‘Godsdienst’ is in deze definitie: de betrokkenheid op een andere, als transcendent ervaren, beslissende werkelijkheid.

Dekker plaatst veel restricties bij de algemene stelling dat de betekenis van godsdienst in de samenleving afneemt. Hij bestrijdt de gedachte dat dit proces in de ontwikkeling van de samenleving onontkoombaar zou zijn. Ook acht hij het proces niet onomkeerbaar. In die zin neemt hij afstand van ‘de secularisatiethese’. Al helemaal geldt als verouderd de klassieke visie van Emile Durckheim: een samenleving zou normaliter één godsdienst hebben, waarin haar hoogste waarden culmineren; verval van de godsdienst zou samenhangen met desintegratie van de samenleving.

Secularisatie doet zich voor in onze samenleving. Elders in de wereld kan het wel heel anders gaan.

Het constateren van secularisatie houdt nog geen waardeoordeel in. Verder: als we zeggen dat vroeger de godsdienst een grotere plaats in de samenleving had, houdt dat nog geen waardeoordeel in over die vroegere godsdienstigheid; het kan bijvoorbeeld zijn dat die nogal uiterlijk en oppervlakkig was. Aan de andere kant: in de huidige samenleving is er nog steeds godsdienstigheid; de laatste tijd zelfs weer meer, al waarschuwt Dekker dat we de betekenis daarvan niet moeten overdrijven.

Dit alles is nuchtere taal. Secularisatie als verschijnsel in de samenleving wordt hier tot beperkte proporties teruggebracht. We kunnen nu al wel concluderen: kleinere proporties dan in het levensgevoel dat we vorige keer schetsten.

Eb en vloed

Niettemin – zo gaat het betoog van de godsdienstsocioloog verder – is secularisatie een reëel verschijnsel, dat een ernstige uitdaging betekent voor kerk en theologie. Willen de kerken iets van hun verloren invloed terugwinnen, dan zullen ze serieus het roer om moeten gooien.

Godsdienstsociologen kunnen geïrriteerd raken over foefjes waarmee theologen het verschijnsel secularisatie proberen te bagatelliseren. Bijvoorbeeld: beweren dat de mens ten diepste toch niet zonder God kan, of is; dat hij een onuitroeibare religieuze wortel heeft. Of: godsdienst zodanig definiëren – bijvoorbeeld als iets puur individueels, alleen maar in het hart; of als: het telkens opnieuw profetisch kritiseren van het bestaande – dat godsdienst zich zou onttrekken aan alle sociologische analyse. Of (nog anders): godsdienst zo breed en zo on-specifiek definiëren – bijvoorbeeld als: een betrokkenheid op laatste waarden, of: toegewijd handelen -, dat ieder mens wel als godsdienstig kan worden beschouwd.

Die irritatie is begrijpelijk. Het lijkt immers alsof theologen eerst sociologen te hulp roepen en dan vervolgens in de loop van het gesprek de indruk wekken dat ze hun bijdrage uiteindelijk niet zo relevant vinden.

De betekenis van godsdienst in onze samenleving is wel degelijk afgenomen. Mensen zijn minder gelovig. Ze doen er minder aan. In de samenleving zijn godsdienst en kerk minder prominent aanwezig. Ook het geloof zelf heeft minder inhoud gekregen; het is bijvoorbeeld meer gehorizontaliseerd. Mensen ervaren in hun dagelijks bestaan godsdienst als minder relevant. We kunnen bijvoorbeeld denken aan de terreinen van huwelijk en sexualiteit, gezinsvorming, het arbeidsleven en de politiek.

Godsdienstsociologen leggen de nadruk op de wisselwerking. Aan de ene kant: mensen zijn minder godsdienstig en passen godsdienstige pricipes dus minder toe op hun leefwereld. Aan de andere kant: doordat ze in hun leefwereld de godsdienst als minder relevant ervaren, zijn ze ook minder met godsdienst bezig. Aan de andere kant doet zich de laatste tijd een nieuwe godsdienstige opleving voor. Er is in de plurale samenleving ook meer ruimte voor godsdienstigheid. Toch waarschuwt Dekker ervoor (zoals gezegd), dat we de betekenis daarvan niet moeten overdrijven. In de eerste plaats: niet alles is godsdienst in de opvatting van Dekker. Allerlei vormen van meditatie, en New Age, kennen geen betrokkenheid op een hogere, transcendente werkelijkheid. En bovendien, zegt Dekker: het is lang niet altijd christelijke godsdienst; en daar gaat het toch om.

Religie of geloof?

Die laatste opmerking roept bij mij een vraag op. Uit praktisch oogpunt begrijp ik wel, dat het gaat om christelijke godsdienst: godsdienstsociologen zijn immers door theologen en leidinggevenden in christelijke kerken te hulp geroepen. Maar: was het dan niet beter geweest als dat van meet af aan in de definitie had gestaan?

Het is begrijpelijk dat sociologen daar huiverig voor zijn. Als ze in hun omschrijving van secularisatie een definitie van de christelijke godsdienst zouden moeten inbouwen, dan zouden ze in theologisch vaarwater komen en bepaalde theologische standpunten moeten innemen. Dat zou ze voor hun besef de mogelijkheid ontnemen om zelfstandig hun bijdrage te leveren.

Er is ook een diepere achtergrond. Er wordt gesproken van ‘secularisatie’ als het grote thema, het grote probleem. Waarom niet van ‘ontkerstening’? Dat kan ermee te maken hebben dat in de aanvankelijke probleemstelling het christendom de enige relevante godsdienst was. Godsdienst valt dan in de praktijk samen met christelijke godsdienst, en ontkerstening en secularisatie zijn synoniem. Vandaag in onze samenleving is dat niet meer zo.

Er kan ook een andere opvatting achter liggen: dat godsdienst als zodanig, afgedacht van de inhoud ervan, beter zou zijn dan helemaal geen godsdienst. Ontkerkelijking is dan wellicht erg, ontkerstening erger, maar secularisatie is het grote schrikbeeld.

M.i. ligt hier stof voor een discussie in eigen kring, die nog niet voluit gevoerd is. Het lijkt me toe dat er geen goede grond is voor deze gedachte. Het zou betekenen dat een vriendelijke, open, maar op godsdienstig gebied onwetende jongere, zoals we die in onze omgeving tegenkomen, verder van het koninkrijk van God af zijn dan fanatieke moslims. Dan zouden in het Oude Testament de dienaars van de Baäl minder ernstig veroordeeld moeten worden dan de mensen die uitgaan van “Er is geen God”. Dat lijkt me moeilijk te verdedigen.

De constatering dat godsdienst herleeft en er dus ook ‘de-secularisatie’ bestaat, zal wordt in ieder geval naar het eenstemmig gevoelen van velen gesteund door de opkomst van de evangelische beweging, zoals de godsdienstsocioloog Stoffels die beschreven heeft.[v] Evangelischen hebben (ik sluit me maar even aan bij de wat afstandelijke spreektrant) veelal opvallend strikte en behoudende christelijke opvattingen, maar staan toch tegelijkertijd met beide benen in de moderne samenleving

Doelstelling nodig

Dekker laat zijn betogen telkens uitlopen op beleidsaanbevelingen voor kerk en theologie. Hij neemt afstand van pleidooien dat de christelijke godsdienst zich, om te overleven, zou moeten aanpassen aan de heersende tendenzen in de moderne samenleving, en zich dus zou moeten ontwikkelen tot zoiets als een seculair christendom. Ook pleit hij er niet voor dat de kerk, om bij de tijd te blijven, zo veel mogelijk alle verschijnselen van moderne godsdienstigheid zou moeten proberen te integreren onder haar eigen hoede.

De aanbevelingen die Dekker zelf doet, zijn niet de jaren door dezelfde. Het voert te ver, de verschillende versies hier weer te geven en te vergelijken.

In 1983 bepleit hij dat de kerk de christelijke godsdienst ontdoet van tijdgebonden elementen, vaststelt waar het wezenlijk om gaat, en dat vorm geeft. Vandaaruit kan ze dan de moderne samenleving kritiseren.

Dekker benadrukt (in 1975) dat beleidsaanbevelingen niet zonder meer voortvloeien uit de beschrijving van de verschijnselen. Aanbevelingen doen is een stap verder, bedoeld om de praktijk te dienen.

In de lijn daarvan is hij in 1995 voorzichtiger, bescheidener in het geven van adviezen aan de kerk.

Deze notities wijzen in een bepaalde richting. Ze onderstrepen dat uit de waarneming van secularisatie nog niet direkt volgt dat de kerk het in deze tijd heel anders zou moeten gaan doen. Om beleid te maken, moet je niet alleen de situatie analyseren, maar ook doelstellingen hebben. En over die doelstellingen van de kerk gaat het in de theologie meer dan in de godsdienstsociologie.

Eigen plaats

De conclusie uit dit artikel kan zijn: er is heel wat af te dingen op de uitspraak dat ‘wij in een geseculariseerde wereld leven’. Die uitspraak is veel te zwaar. Het is juister om te zeggen: wij leven in een deel van de wereld waar momenteel, temidden van allerlei verschijnselen op godsdienstig gebied, secularisatie een van de opvallende is.

Een ander verschijnsel is bijvoorbeeld een kerk, die haar eigen koers blijft volgen. Er is geen reden om te zeggen dat die niet net zo goed haar eigen plaats in de moderne samenleving heeft.

Als secularisatie verontrustend is, is deze conclusie enigszins geruststellend. Daarmee is niet gezegd dat we er tevreden mee kunnen zijn als in de bonte plurale samenleving aan de christelijke godsdienst haar eigen plaatsje wordt gegund. Een definitieve conclusie blijft nog openstaan tot nadat we in een volgend artikel bijbelse gezichtspunten hebben aangedragen.

Godsdienst en kerk hebben hun plaats in onze samenleving. Er zijn mensen, en gemeenten, die volhouden om in hun visie op sexualiteit en gezin, op werk en geldbesteding, en op politieke programma’s, hun godsdienstige overtuiging voluit tot gelding te brengen. Waarom zou dat niet in de moderne maatschappij passen? Stel nu eens dat godsdienst een levensstijl zou vereisen als die van de Amish in de Verenigde Staten, die vasthouden aan donkere kleding en antieke wagens en soberheid, waarom zou dat dan in de cultuur van nu per definitie niet kunnen?

Godsdienst en kerk hebben in de samenleving geen dominerende plaats; geen overkoepelende plaats. In een rooms-katholiek denkmilieu is dat sneller reden tot verontrusting. Daar gaat men er vaak makkelijker van uit dat die dominerende positie, die men als eeuwenlange historische achtergrond waarneemt, normaal is. Maar op bijbels standpunt kan de niet-dominerende plaats van het christelijk geloof in de wereld betreurenswaardig zijn, maar het is niet abnormaal en niet verontrustend.

De dominantie van het christendom en de centrale plaats van de kerk in vroeger tijden was ook betrekkelijk. Het verschil tussen vroeger en nu is gradueel, niet fundamenteel.

3.  SECULARISATIE EN GESCHIEDENIS

Het woord secularisatie mag dan abstrakt zijn, het is ook beeldend. Het vertelt in een notedop een heel geschiedenisverhaal: hoe de wereld, of de samenleving, eerst niet geseculariseerd was, en hoe er sindsdien een grote verandering heeft plaatsgevonden, waardoor zij er heel anders uit is gaan zien, en hoe dat proces nog steeds doorgaat.

Godsdienstsociologen zijn terughoudend in het vertellen van dat verhaal als geheel. Begrijpelijk: geschiedenis is een heel ander vak dan sociologie. Zij houden zich liever bij hun leest.

Wanneer is dit proces begonnen? Wanneer was de samenleving nog niet geseculariseerd? G. Dekker, wiens inzichten we in het vorige artikel hebben gehoord, zegt: die vroegere situatie begon ergens aan het eind van de Middeleeuwen en het begin van de Reformatie, en loopt door tot in de twintigste eeuw.[vi] Dat geeft nog niet bepaald een duidelijk beeld.

Was het misschien al eerder, in de tijd van paus Innocentius III, in de hoge Middeleeuwen (zoals de rooms-katholiek A. van Harskamp wil)? Of in Nederlands Gouden Eeuw – een geliefde visie bij Nederlandse calvinisten? Is de secularisatie vooral doorgebroken met de Verlichting (zie het eerste artikel)? Of na de tijd van Abraham Kuyper, en de ‘mannenbroeders’?

De christenheid

Een belangrijke achtergrond van het begrip secularisatie lijkt me de oude gedachte van het ‘corpus christianum’. Dat is de voorstelling van een samenleving en cultuur, die door het christendom was gestempeld en doordrongen, vanaf de hoogste politiek tot in het dagelijks leven van de gewone mensen. Wij zouden ruwweg spreken van: de Westerse wereld; maar destijds viel die voor het besef van degenen die het beleefden, samen met het centrum van de wereld.

Dat ‘corpus christianum’ is opgekomen in de nadagen van het Romeinse rijk. Maar in de latere eeuwen heeft de christenheid moeten aanzien dat het scheuren en barsten ging vertonen en uiteenviel. Secularisatie is zoveel als de ondergang van het corpus christianum, de ‘christenheid’.

Het christendom vertoont dus het beeld van opgaan, blinken en verzinken.

Het is begrijpelijk dat men dat verval van de ‘christelijke wereld’ in verband bracht met wat de bijbel zegt over de laatste dagen, en de goddeloosheid en de rampen die voor die tijd zijn geprofeteerd. Secularisatie is dan een teken des tijds. We zien nú de wereld haar ondergang naderen. Het einde van de tijden is nabij. Christus komt nú vast spoedig weer.

De situatie is, in deze visie, nu ernstiger dan ooit tevoren. Moesten destijds de heidense religies plaats maken voor het christendom, nu zien we de neergang van alle religie, de opkomst van de godsdienstloze mens. Bestonden er bij de uitbreiding van het christendom nog in vele delen van de wereld volken met hun primitieve religies in de betrekkelijke stabiliteit, nu overspoelt de secularisatie, vanuit het Westen, de hele wereld.

Bijbelgebruik

Wie eenmaal bekeerd zijn en de kracht van het Woord van God hebben ervaren, en daarna afvallen, kunnen onmogelijk opnieuw tot bekering komen (Hebreeën 6: 4-6). Christus is immers het hoogste en het laatste woord van God voor zijn wereld. Ontkerstening is dus typisch een verschijnsel van de eindtijd.

De secularisatie ziet men ook geprofeteerd in 2 Timoteus 3: 1 en volgende. In de laatste dagen zullen er zware tijden komen. Want de mensen zullen egoïstisch zijn en op geld belust, verwaand en protserig, ongehoorzaam aan hun ouders… En zo gaat het nog een poosje door.

Romeinen 1 tekent de dynamiek van de secularisatie: het begint met beeldendienst en afgoderij, het loopt uit op de ‘gay scene’ en allerlei vormen van immoraliteit.

Typisch voor onze post-christelijke tijd is de wetteloosheid uit 2 Thessalonicenzen 2, de karaktertrekken van de antichrist.

Veel uit Jezus’ rede over de laatste dingen (Matteus 23) en het boek Openbaring ziet men bij uitstek in deze tijd in vervulling gaan. Wij leven in een Babelcultuur (Openbaring 17 en 18). Het is de tijd van het beest, waarin de christenen worden geboycot (Openbaring 13). De twee getuigen worden gedood op de straten van de grote stad (Openbaring 11). De twintigste eeuw vertoont voor het eerst wereldoorlogen.

Kijk maar, je ziet het voor je ogen! Het is allemaal voorzegd! 

Destijds ook al

Ik wil bij dit voor velen zo vanzelfsprekende bijbelgebruik toch enkele kritische kanttekeningen maken. Mijn kritiek richt zich niet op de herkenning en toepassing van deze bijbelse gegevens met het oog op onze tijd. Wel heb ik er bezwaar tegen dat ze bij uitstek op deze ‘post-christelijke’ tijd worden toegepast.

Paulus zegt tegen Timoteus over die mensen in het ‘laatst der dagen’, die hij beschrijft: “Houd dergelijke mensen op een afstand”. Het gaat over mensen waar Timoteus zelf mee te maken krijgt of zelfs al te maken heeft.

Als Hebreeën 6 zegt dat bepaalde individuen niet meer tot bekering kunnen komen, mag men dat niet uitbreiden tot hun kinderen, klein- en achterkleinkinderen.

De Here Jezus profeteert over “dit verkeerde geslacht”, deze generatie, of: dit soort mensen. Men kan het proces dat Hij beschrijft, herkennen binnen één generatie of misschien over wat langere tijd. Maar er is niet voldoende grond om er een profetie in te zien over één, zich over ettelijke eeuwen uitstrekkende, curve in de wereldgeschiedenis.

De dynamiek van het god-loze leven, die Paulus tekent in Romeinen 1, ziet hij zich al voltrekken in het Rome van zijn eigen tijd.

Het boek Openbaring tekent wat “met haast moet geschieden”. Men moet het niet zo uitleggen alsof het voor de eerste lezers grotendeels nog vijftienhonderd tot tweeduizend jaar verwijderd zou zijn. Verscheidene trekken uit de visioenen zijn al te vinden in de brieven aan de gemeenten in hoofdstuk 2 en 3. In Antipas, “mijn getuige, mijn getrouwe, die gedood werd bij u, waar de satan woont” (2: 13, aan Pergamum), zien we al een van die paar getuigen die gedood worden op de straat van de grote stad.

Speculatie

De profetieën in de bijbel over de laatste dingen zijn aktueel, ook nu. Maar ze waren het ook voor christenen in vroeger eeuwen. Wij mogen ze vrijmoedig toepassen op vele verschijnselen die zich aan ons opdringen in de samenleving waar wij als christenen in leven, in deze tijd, in dit deel van de wereld, in dit land. Maar als we ze bij uitstek van toepassing gaan verklaren op één of enkele van twintig sindsdien verlopen eeuwen geschiedenis, op een bepaalde, voor ons laatste periode, dan sluipt een element van speculatie in onze bijbeluitleg binnen.

Luther beschouwde de paus als de antichrist. We zouden onbillijk oordelen als we ons beperkten tot de opmerking, achteraf, dat hij het bij het verkeerde eind had. De generatie van de Reformatie in de zestiende eeuw heeft in haar tijd, in haar situatie, de profetieën over de eindtijd als aktueel ervaren en aktueel toegepast. Het gevaar, te kort door de bocht te gaan, ligt daarbij altijd op de loer, maar in principe is die manier van omgaan met de bijbel legitiem.

Aan de andere kant moeten we, met twintig eeuwen geschiedenis achter ons, de mogelijkheid open laten dat de geschiedenis nog bijvoorbeeld vijfhonderd jaar of nog langer zal doorgaan, en dan altijd met de onvoorspelbaarheid die we nu toch wel zo langzamerhand van haar kennen.

Menselijk

Ik noem nog enkele faktoren die eraan bij kunnen dragen dat we onze eigen tijd als bij uitstek slecht ervaren.

Zo’n waarneming komt altijd en overal voor. Cultuurpessimisme is van alle eeuwen. Tijden van enthousiasme en van neerslachtigheid over de eigen tijd wisselen elkaar af. Zelfs in een cyklische geschiedbeschouwing, waarin de geschiedenis wordt beschouwd als de eeuwige wederkeer van telkens hetzelfde, beschouwt men vaak de eigen tijd als de laatste en slechtste van de vier tijdperken. Nú moet toch wel spoedig de nieuwe gouden eeuw beginnen, en daarmee de hele geschiedenis van voren af aan; want slechter dan nú kan het niet.

Het is begrijpelijk: de problemen waar men zelf mee te worstelen heeft, voelt men als de zwaarste. Toch zou het onbillijk zijn tegenover het voorgeslacht, als men de toenmalige tijd en problemen door een rose bril zou gaan bekijken, alsof het toen allemaal nog wel meeviel, alsof er hooguit een voorspel plaatsvond van de ellende die wíj zien. In feite is dat de bril van de weemoed.

Een andere faktor die soms kan meespelen, is dat een mens bij het ouder worden geneigd is om negatiever over de eigen tijd te gaan oordelen. De natuurlijke veerkracht om zich op veranderde omstandigheden in te stellen, is dan afgenomen. H. Berkhof, toch een modern en opgewekt theoloog, heeft aan het eind van zijn leven zich bezorgd geuit over secularisatie en ‘Godsverduistering’, waarmee hij de discussie daarover nog eens nieuw leven inblies.[vii]

Prediker, die de wereld waarin hij leefde toch als in veel opzichten deprimerend heeft ervaren, heeft al gewaarschuwd, niet te vragen: Waarom was het vroeger zoveel beter dan nu? Blijkbaar herkende hij die neiging om zich heen, en misschien ook wel bij zichzelf. Maar het is niet wijs.[viii]

Periodisering

 Het grote, beslissende secularisatieproces in de wereldgeschiedenis heeft zich afgespeeld in het paradijs. Sindsdien is de wereld seculair, werelds. Bij Kaïn en in zijn familie speelt dat al volop. Een ergere secularisatie dan in de tijd voor de zondvloed is eigenlijk niet denkbaar. In het nieuwe begin na de zondvloed is het direkt in Noachs tent al weer helemaal mis. Daarna wordt de toren van Babel gebouwd.

God heeft die wereld niet aan haar seculariteit overgelaten, maar grote, wonderlijke daden gedaan van herstel, regeneratie, vernieuwing. Uiteindelijk: in Christus. Het werk van Christus op aarde, zijn dood en opstanding, de uitstorting van zijn Geest – èn, aan de andere kant, in de toekomst, zijn terugkeer en de totale vernietiging van de secularisatie: dat zijn de grote, beslissende gebeurtenissen in de wereldgeschiedenis, bepalend voor de tijd waarin wij leven. Die twee markeringen zijn absoluut en universeel. De periode daartussen heet in haar geheel ‘de laatste dagen’.

Wij hanteren daarnaast onze eigen periodiseringen van de geschiedenis – onze, Westerse, geschiedenis, zoals wij die waarnemen. We kunnen bijvoorbeeld een nieuw tijdperk laten beginnen bij keizer Constantijn, toen het christendom staatsgodsdienst werd in het Romeinse rijk. En bij de Reformatie. En bij de Verlichting. Of bij de Eerste Wereldoorlog. Zulke geledingen van de geschiedenis hebben ieder hun eigen, beperkte, betekenis. Ze zijn relatief.

We doen er niet goed aan, zulke periodiseringen en die van de bijbelse geschiedenis in elkaar te schuiven. Dan zouden we de draagwijdte van onze periodisering overschatten. En in het geval van ‘secularisatie’ als markering zouden we grotere onrust zaaien dan nodig is.

Er zullen in de laatste dagen zware tijden komen. Welnu, die zijn ook volop gekomen: de verwoesting van het Romeinse rijk door de barbaren, de Tachtigjarige en Dertigjarige Oorlog, de Tweede Wereldoorlog. Is er reden om aan te nemen dat wij op de drempel staan van zwaardere tijden dan die?

Hoe ik onze tijd dan wel zou willen benaderen, wil ik verder invullen in een vierde en laatste artikel.

4.  SECULARISATIE ÉN HEILIGING

Leven wij in een geseculariseerde samenleving? Is secularisatie een kenmerk van onze tijd? Met zulke uitspraken is voorzichtigheid geboden, zagen we in de drie voorafgaande artikelen.

Het probleem ligt niet bij het constateren van allerlei feiten, maar bij het kader waarin we ze plaatsen, het gewicht dat we eraan toekennen. Secularisatie is een verschijnsel naast andere op godsdienstig gebied. Het doet zich voor in onze tijd, in een deel van de wereld waar wij leven. Het kan best gevolgd worden door een omgekeerde trend.

Onze tijd en onze cultuur is niet zo uniek als wel beweerd wordt. De bewering dat wij bij uitstek in een ‘moderne’ wereld leven, is nogal pretentieus. En wie is bevoegd om te beweren dat bepaalde godsdienstige opvattingen en praktijken niet meer passen in die moderne wereld? In dat soort beweringen werkt de arrogantie van de Verlichting nog door, al is het vaak onbedoeld en vaak ook in strijd met de bedoeling. Op dezelfde manier heeft de postmoderne stelling dat de grote verhalen hebben afgedaan, iets van een machtswoord om zulke verhalen op een afstand te houden.

Wij leven in de laatste dagen. Dat is sinds pinksteren zo, en dat blijft zo tot aan de jongste dag – we weten niet wanneer. Het is niet specifiek voor deze tijd.

In het poneren van ‘de geseculariseerde wereld’ klinkt vaak een wat sombere bevangenheid door.

Wat zullen we er, in dit laatste artikel, tegenover stellen? Dat het allemaal wel meevalt? Of zullen we ons beperken tot de relativerende stelling dat tijden nu eenmaal op elkaar volgen en samenlevingsverschijnselen nu eenmaal naast elkaar bestaan, en dat de richting die het uitgaat niet nader te typeren valt? Dat lijkt in de lijn van Prediker te liggen; toch heeft hij meer gezegd. Het lijkt ook te passen in het postmoderne levensgevoel, dat overigens een heel andere tendens heeft dan Prediker.

Dood en opstanding

Ik denk dat er meer te zeggen is. Ik wil beginnen met een aantal bijbelgedeelten, die we voor een belangrijk deel vorige keer ook al voor het voetlicht hadden, nog eens naar voren te halen.

Romeinen 1 tekent het godsdienstige en morele verval van een wereld zonder God. Het klinkt verrassend aktueel, maar het gaat evengoed over de wereld van Paulus’ dagen. En die boutade staat in het kader van: “Ik schaam mij het evangelie niet”. Dat evangelie brengt redding uit dat verval. “Thans echter”[ix] is er redding door Christus. Dat is een typisch kenmerk van deze tijd. Hij buigt, voor ieder die gelooft, de neergaande lijn weer omhoog.

Zijn kruis en zijn opstanding domineren de wereld. Hij is gekomen om alles weer met God te verzoenen. Hij is boven alle machten komen te staan. Hij is Heer. Ook nu, van een moderne wereld.[x]

In Openbaring 11 zien we zijn twee getuigen op de straten van de grote stad gedood worden; en dan is het feest in de stad. Het zou een moderne film kunnen zijn en het wordt vaak aangehaald als typering van de tendens van de moderne geschiedenis. We zagen al, dat het ook al typerend was voor de tijd waarin het geschreven werd.

Waar het nu op aan komt is dit: dat aangrijpende visioen wordt juist in dit verband vaak onvolledig en eenzijdig aangehaald. De dood komt voor die twee getuigen pas als zij hun getuigenis voleindigd hebben. En na drie dagen… dan staan ze weer levend op; en dan gaan ze omhoog, zichtbaar voor die mensen in die moderne stad die ze zo graag dood hadden! Ze zijn één met hun Heer in zijn dood èn opstanding en hemelvaart.

In deze getuigen zien we de trekken van het apostolaat zoals Paulus het heeft ervaren: “Van alle kanten worden we belaagd, toch zitten we niet in het nauw… we worden vervolgd, maar niet aan ons lot overgelaten; we worden neergeslagen, maar komen niet om. Altijd dragen we het sterven van Jezus in ons lichaam mee, en daardoor zal ook het leven van Jezus in ons lichaam tot uitdrukking komen.”[xi]

Het visioen van de beide getuigen maant ons tot voorzichtigheid, als we het geseculariseerde karakter van onze samenleving willen bepalen aan de hand van statistieken. Het percentage van deze getuigen is niet significant; het is, afgerond, nul, en op een gegeven moment zelfs absoluut nul. Toch is wat hier gebeurt, een openbaar nieuwsfeit en een essentieel stuk geschiedenis.

De lijn die we hier in opstanding en hemelvaart van de twee getuigen zien, vinden we doorlopen in het boek Openbaring tot in hoofdstuk 20: de gedode gelovigen heersen met Christus, duizend jaar lang. Na de schokkende beelden van een geseculariseerde wereld (hoofdstuk 13: het beest, “…en dat niemand kan kopen of verkopen…”; hoofdstuk 17: Babel vlak vóór z’n verwoesting), zien we hier hoe een trend in de wereld die in veel opzichten mogelijk verborgen gebleven is, in wezen domineert. De niet-geseculariseerden, die als verwaarloosbaar werden beschouwd tot de dood erop volgt, beheersen nu het wereld-beeld.

Tweeërlei trend

Geen van deze bijbelgedeelten biedt zich aan voor een onderverdeling van de ‘laatste dagen’ in perioden: na Pinksteren eerst zoveel eeuwen de ene tendens, daarna de andere tot aan de verschijning van Christus. Er zijn periodiseringen met behulp van het ‘duizendjarig rijk’, er zijn er ook met behulp van ‘corpus christianum’ gevolgd door secularisatie en eindtijd. Beide zijn speculatief.

Tenslotte vinden we dan in Openbaring 22: 11 – nog steeds aan wat voor ons besef het begin van tweeduizend jaar wereldgeschiedenis is! – de twee tendenzen naast elkaar gebiedend-scherp geprofeteerd: “Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht… wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd.”

Het lijkt me niet teveel gezegd, dat deze twee tegenstrijdige trends samen, naar bijbels inzicht, karakteristiek zijn voor de wereld waar wij in leven.

De Here Jezus heeft ze al getypeerd, toen Hij nog op aarde was, in de gelijkenis van de zaaier. Veel zaad draagt, direkt al of uiteindelijk, geen vrucht. Op allerlei manieren, door allerlei faktoren die in de wereld werken, komt het om. Maar er is ook zaad dat wel vrucht draagt; en dan in hoeveelheden die je op het eerste gezicht niet voor mogelijk had gehouden.

Die tweede trend, die opgaande lijn, overwint. Dat komt in verscheidene gelijkenissen en in het boek Openbaring overduidelijk naar voren. ‘Desecularisatie’ of ‘kerstening’ of hoe men het ook het best denkt te kunnen benoemen, is, hoewel veelal niet de opvallendste, toch de belangrijkste trend in de wereld waar wij in leven.

Relevantie

Wanneer we onze tijd en onze samenleving willen typeren, dan doen we er goed aan om met twee woorden te spreken. Wij leven in een tijd van seculariteit èn van verlossing. Of, als men de dynamiek van beide processen wil accentueren: een tijd van secularisatie èn van heiliging. De moderne tijd, de eeuw van de secularisatie, is tegelijkertijd (en was al eerder) de tijd van de kerk, van de stad van God.

Secularisatie is geen noodlot. De stelling dat mensen in deze tijd God en godsdienst niet als relevant ervaren, heeft zeker zin; maar we moeten oppassen, onszelf en onze tijdgenoten in de slachtofferrol te praten of te laten. Dat risico lopen we met name wanneer we de term ‘Godsverduistering’ gebruiken.

Als ik de relevantie van het geloof in deze tijd uiteen zou moeten zetten, zou ik m’n uitgangspunt nemen in de Tien Geboden. Met aan het hoofd het eerste gebod: geloof in de God, die bevrijder en Heer is – relevant zolang mensen vragen hebben over de krachten die hun leven beheersen en daarop eigen antwoorden geven. Er volgen er verscheidene die over het menselijk samenleven gaan – relevant zolang mensen met elkaar samenleven, mannen en vrouwen zijn, door elkaar bedreigd worden en elkaar bedreigen in hun fysieke of sexuele integriteit… Dit is niet bedoeld als een apologie voor de christelijke boodschap, maar wel als een ook in nieuwe tijden verstaanbaar betoog.

Tegen de achtergrond van onder andere de Tien Geboden spreek ik van ‘heiliging’ als de tegenpool van secularisatie: religieus en ethisch, wijding aan God. Aktief en passief. Het begin en de voortgang van dat proces.

Vaste bodem

Kritische beschouwingen over onze geseculariseerde cultuur hebben meer dan eens de toon van de intellectuele cultuurkritiek. Daarin is de criticus een soort roepende in de woestijn. Er klinkt een oproep tot christelijke aktie die, zo lijkt het soms, zo goed als bij het nulpunt moet beginnen. Zo’n aktie heeft iets heroïsch. Maar op deze manier worden mensen, ook christenen, overvraagd.

We zullen tegenover het verdriet en de zorg over de wereldse verschijnselen in onze tijd niet stellen dat de wereld meevalt. De twee getuigen in Openbaring 11 getuigen “met een zak bekleed”. Maar er is wel volop reden om ons te laten troosten door de realiteit van de heiliging, en die als tegenwicht te laten gelden.

We hebben reden Hem te danken en te loven die ons van de secularisatie heeft verlost. Hééft verlost. Ons: de kritische beschouwer van onze tijd samen met alle heiligen. Hier vinden we een medicijn tegen somberheid.

Op die manier wordt de uitvalsbasis zichtbaar van waaruit we de strijd tegen de secularisatie kunnen voeren. Het is een veel bredere en tastbaarder springplank dan alleen bepaalde goede principes.

Nuances en golven

Zullen we proberen, in onze visie op de wereld waarin we leven, beide trends bloot te leggen en aan te wijzen?

Om te beginnen geeft dat ruimte om het verleden genuanceerd te benaderen.  Secularisatie blijkt inderdaad van alle tijden te zijn. In de Middeleeuwen was de christelijke religie zelf ernstig geseculariseerd. De kerk was machtig, maar gelovigen hebben geklaagd over hun tijd als een nacht. De reformatoren hebben de antichrist in het gezicht gezien. Was Nederlands bloei in de Gouden Eeuw na de Synode van Dordrecht misschien voor een belangrijk deel op slavenhandel gebaseerd? Midden in die Gouden Eeuw hebben de kanttekenaren bij de Statenvertaling bij Prediker 7: 10 genoteerd: Het is “wel geoorloofd de boosheid en ellendigheid onzer tijden te beklagen, van harte bedroefd zijnde dat de wereld hoe langer hoe snooder wordt…” De Nadere Reformatie heeft de vreemdelingschap in haar eigen wereld beleefd. En dan iets over de kerkgang: de al eerder geciteerde G. Dekker heeft in een van zijn eerdere publicaties klachten over slecht kerkbezoek uit vier eeuwen bij elkaar gezet.[xii]

Er is in de geschiedenis meer golfbeweging dan de ‘secularisatiethese’ suggereert. Op de secularisatie van het ‘corpus christianum’ in de Middeleeuwen volgde de Reformatie. Op de Verlichting en ‘de revolutie’, de Franse revolutie, volgde ‘het wonder van de negentiende eeuw’ – Reveil, Afscheiding, Doleantie -, door Groen van Prinsterer ten dele nog wel beleefd maar in zijn Handboek der geschiedenis van het vaderland niet vermeld. Veel doorwerking van het evangelie in de samenleving dateert niet uit ‘onze bloeitijd’, maar van veel later. Aan het eind van de negentiende eeuw kan Nederland als liberaal worden getypeerd, maar daarna is dat, onder andere door de invloed van A. Kuyper, aanmerkelijk veranderd.

De eeuw, of anderhalve eeuw, van de secularisatie is tegelijkertijd de era geworden van de zending, de verbreiding van het evangelie over de hele wereld. “Immers, in de gehele wereld draagt het vrucht en wast het op…”[xiii] – het is al een woord uit de eerste eeuw, maar in onze tijd in nieuwe proporties waarheid geworden. Niet éénmaal, maar telkens weer, de eeuwen door, is de genade van God in de samenleving opgevlamd.

Belijden

Daarmee zijn we bij onze eigen tijd aangekomen. De hier ontwikkelde gedachtengang leidt tot de uitdaging voor christelijke cultuurcritici, om naast het protesteren tegen secularisatie ook met zoveel woorden aan te geven wat ze in hun eigen tijd wèl positief vinden, waar ze de heerschappij van Christus’ genade signaleren.

Is dat misschien op een eigenaardige manier moeilijk? Het vraagt om concreet positie te kiezen, ‘zich te bekennen’ tot groepen en verschijnselen waar men mogelijk ook nog wel reserves en kritiek bij heeft. Wordt onze vrijmoedigheid misschien getemperd door schaamte over de kerk waar we bij horen?

Tegelijkertijd is deze benadering een goede oefening in het praktisch prijzen van Gods genade. Als we dat doen, volgen we het spoor van K. Schilders veelgeciteerde “verstandige wijkouderling, die goed huisbezoek doet”.[xiv] En het spoor van Augustinus’ nog veel beroemdere Godsstaat. Het is het spoor van het geloof, dat de wereld overwint.

_____________________________

[i]. F.-X. Kaufmann. Zie de bijdrage van L. Laeyendecker in de hierna te noemen congresbundel.

[ii]. A. van Harskamp (red.). Verborgen God of lege kerk? Theologen en sociologen over secularisatie. Kampen 1991.

[iii]. Van Harskamp/Tennekes in de aangehaalde bundel.

[iv]. We maken hier hoofdzakelijk gebruik van de volgende publikaties van zijn hand: De mens en zijn godsdienst. Beschouwingen over de functies van godsdienst en kerk voor mens en samenleving. Bilthoven 1975. Oude wijn in nieuwe zakken. Over de christelijke godsdienst in de moderne samenleving. Baarn 1983. ‘Geloven in een geseculariseerde wereld’. In: G. Dekker e.a., Secularisatie: crisis of uitdaging. Kampen 1995.

[v]. H.C. Stoffels, Wandelen in het licht. Waarden, geloofsovertuigingen en sociale posities van Nederlandse evangelischen. Diss. Kampen 1990.

[vi]. G. Dekker, Oude wijn in nieuwe zakken, 1983.

[vii]. Zie H. Berkhof e.a., Voorbij domineesland. De gevolgen van de secularisatie. Amersfoort enz., z.jr. (1988).

[viii]. Prediker 7: 10.

[ix]. Romeinen 3: 21.

[x]. Zie Efeze 1 en Kolossenzen 1.

[xi]. 2 Korinte 4: 8-10, vertaling Groot Nieuws Bijbel.

[xii]. G. Dekker, Wat is er met de kerk aan de hand? Over positie en funktie van de kerk in de huidige samenleving, Kampen 1971, p. 24v.

[xiii]. Kolossenzen 1: 6.

[xiv]. Aan het eind van zijn Christus en cultuur (tweede uitgave 1947).

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *