Christenen en staatsmacht

Het christendom ontkiemde in het Romeinse rijk. Rome was de bezettende macht in Palestina en talrijke andere landen, de wereldmacht, het vierde beest uit Daniël – zo zeiden de Schriftverklaarders -, goddeloos en gewelddadig. Het werd de vervolger die christenen verslond. Babylon in Openbaring vertoont trekken van Rome. Geen wonder dat christenen bezwaar hadden tegen het dienen in het leger. Tegenover kracht en geweld hadden zij de Geest van Christus, die geweldloos de wereld veroverde.

Maar er kwam een grote omwenteling: de keizer van Rome werd christen en het rijk werd christelijk. Toen het onder de invallen van de barbaren in chaos ten onder ging, nam de christelijke kerk het op zich om de samenleving te ordenen. In de Middeleeuwen betwistten paus en keizer elkaar de suprematie, maar beiden deden dat op grond van de claim, hoofd van het christendom te zijn. Het lag voor de hand dat soldaten, of ze nu de paus of de keizer dienden, christen waren. Met militair geweld werd het heilige Roomse rijk uitgebreid en heidense volken onderworpen.

Nationalisme

Toen kwam de tijd van de Reformatie en van de natiestaat. Woelige tijden en gruwelijke godsdienstoorlogen liepen uit op de regel ‘wiens gebied, dienst godsdienst’. Het staatshoofd, de regering, was rooms-katholiek of protestants, luthers, calvinistisch of anglicaans, en zo was ook de staat. Er was één officiële christelijke godsdienst, één staatskerk of bevoorrechte kerk, waarbij de minderheid meer of minder getolereerd werd. ‘De liefde tot zijn land is ieder aangeboren’ is een tot leus geworden citaat van Vondel, dus al uit de zeventiende eeuw. Vervolgens ontwikkelde het nationalisme zich vooral in de negentiende. Militairen dienden de staat met religieuze overtuiging. ‘’t Is plicht dat ied’re jongen / voor d’ onafhankelijkheid / van zijn geliefde vaderland / zijn beste krachten wijdt’, leerde ik zingen op de ‘christelijk nationale’ school; en een uitdrukking uit dat lied werd, iets gemodificeerd, de leus in een van de verkiezingscampagnes van het GPV (Gereformeerd Politiek Verbond): ‘Voor vorstenhuis en vaderland’.

Ontkerstening

Nu staan christenen in Nederland te kijken en te treuren bij de secularisatie en vooral de ontkerstening. De overheid is niet meer christelijk, en de natie evenmin. Geen wonder dat theologen er weer meer de nadruk op gaan leggen dat christenen in deze wereld vreemdelingen zijn. En dat ze teruggrijpen op de oude kerk. In Amerika, waar het christendom nog sterker aanwezig is in de samenleving, doen theologen uit de doperse traditie dat, terwijl christenen met calvinistische wortels met ‘Entdeckerfreude’ Kuyper en Bavinck bestuderen als relevant voor hun heden. In Nederland is het A. van de Beek die bepleit dat christenen zich onthouden van dienst bij de overheid, en Ad de Bruijne die, meer gematigd, opkomt voor het betrekkelijk recht van de doperse benadering.

Tussentijd

Het lijkt me moeilijk vol te houden dat al deze standpunten op puur theologische wortel stoelen. De positie waarin christenen verkeren in de wereld in hun specifieke historische omstandigheden is een belangrijke factor in hun visie.

Daarmee is zo’n visie nog niet veroordeeld. Toch mag van de theologie verwacht worden dat ze een visie ontwikkelt die specifieke situaties meer overstijgt en meer algemene lijnen trekt voor heel de ‘tussentijd’. Voor de onderdanen van de hemelse Koning die geroepen zijn hem in de aardse werkelijkheid te dienen.

 29-2-2012

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *