Politiek

Een reeks van vier artikelen over uitgangspunten voor christelijke politiek, eerder gepubliceerd in De Reformatie, 2010. (Hoewel de reeks opgezet is als een reactie op de visie van Dr. Ad de Bruijne, heb ik hier mijn basale inzichten over het onderwerp neergelegd.)

Inhoud
1. Wat had Constantijn gemoeten?
2. Politiek: in Christus geschapen
3. Politiek naar Gods wil
4. Diorama’s voor de politiek

 

 Subpagina’s bij deze pagina ‘Politiek’:
•    Christus en de macht
o    Visioen van de theocratie
o    Christus en de macht
o    De Heer van de machten dienen
•    De belijdenis voor de politiek

 

1.  WAT HAD CONSTANTIJN GEMOETEN?

Christenen zijn betrokken bij de politiek. Niet alleen door de gebeurtenissen te volgen en te becommentariëren, in hun media of bij de koffie, maar ook, als het kan, met een daadwerkelijke bijdrage. Waarom eigenlijk? Want het is niet altijd en overal het geval. Het is eerder een normatieve dan een feitelijke uitspraak.

Hun motief is dit: zij willen een goede bijdrage leveren aan de samenleving. Dat kan op duizend manieren, maar de politiek is de wijdste kring van de samenleving. Christenen zijn erop uit om goed te doen.

Daartoe spoort de apostel Petrus aan in zijn eerste brief. Hij schrijft vanuit Babylon, en in zijn brief klinkt de oproep door van Jeremia aan de ballingen in Babel: Zet je in, zegt de HEER, voor de bloei van de stad waarheen ik jullie weggevoerd heb, want de bloei van de stad is ook jullie bloei. – De situatie van de nieuwtestamentische gemeente is anders, maar vergelijkbaar. Ook zij verblijven als vreemdelingen verspreid over de wereld. Petrus’ eerste lezers wonen niet in een christelijke omgeving. Hij weet hoe moeilijk het vaak is. Maar toch: zoek het goede voor je samenleving!

In enkele artikelen wil ik wat overwegingen geven over christelijke politiek. Een welkome aanleiding daarvoor vind ik in een paar vrij recente artikelen van Prof. De Bruijne in dit blad. Hij nam een aantal actuele politieke thema’s bij de kop, zoals de verkiezing van Obama en de discussie rond het wetsartikel tegen godslastering (22 en 29 november 2008). Naar aanleiding daarvan schetste hij een paar lijnen van een algemene visie op politiek vanuit bijbels en gereformeerd standpunt.

Het is niet mijn bedoeling een overzicht en bespreking te geven van zijn politieke visie. Ik ga in op enkele elementen daarvan zoals die in de genoemde artikelen te vinden zijn. Aan de hand daarvan schets ik van mijn kant wat lijnen.

Traditie

Als christelijk denker over politiek staat De Bruijne in een traditie die zo oud is als de kerkgeschiedenis zelf; en, mogen we wel toevoegen, net zo gevarieerd: de traditie van Augustinus, Calvijn, Groen van Prinsterer, Kuyper, om maar een paar namen te noemen (al is hij ongetwijfeld te bescheiden om in deze rij te willen staan).

Er is een rode draad die al deze denkers verbindt. Ze hebben een positieve bijdrage geleverd aan het denken over christelijke politiek. Ze leverden niet alleen kritiek op gangbare ideeën; ze zeiden hoe we het wel moesten zien. Ze droegen daarmee ook bij aan de praktijk van christelijke politiek. De meesten van hen waren trouwens ook doeners. Er is een rode draad van respect voor de overheid en haar taak, niet onkritisch, maar vanuit het woord van God: hoe hij over de aardse overheid spreekt, die hij heeft aangesteld.

 Positief-kritisch

Een paar punten van overeenkomst wil ik met name noemen. In de eerste plaats hebben al deze denkers geschreven met het oog op hun eigen tijd. Augustinus schreef met het oog op de ondergang van het Romeinse rijk. Calvijn stond in de situatie van de ondergang (alweer) van de idee van het ‘heilige roomse rijk’ en de opkomst van nationale staten. Kuyper nam het op tegen het liberalisme en voor de ‘kleine luyden’, die hij organiseerde in een eigen zuil.

Zo schrijft De Bruijne in de tijd dat de ontkerstening z’n beslag heeft gekregen. Het zogenaamde ‘corpus christianum’ is verleden tijd. Het heeft z’n positieve functie vervuld, maar het heeft z’n tijd gehad. Het is nu niet meer zinvol om nog te proberen, onze Westerse samenleving en politiek te christianiseren. Dat moeten we ook niet meer willen. Die visie komt ons uit zijn artikelen tegemoet.

In de tweede plaats spreken christelijke politieke denkers kritisch in op hun eigen tijd. Zij doen geen knieval voor de feitelijke situatie. Augustinus doet niet mee aan het gejammer over de teloorgang van de klassieke orde en beschaving en het moderne barbarendom. Een nieuwe orde, overigens met minstens even oude papieren, is aan het groeien: de stad van God! Calvijn sluit niet kritiekloos aan bij het verlangen naar een nieuwe orde. Hij dringt er bij hooggeplaatsten en leiders op aan om God te vrezen en het belang van hun onderdanen te zoeken, en bij verweesde burgers om geduldig naar zulke leiders om te zien.

De Bruijne constateert niet kritiekloos dat de huidige samenleving nu eenmaal pluraal is en dat alle overtuigingen daarin gelijkberechtigd naast elkaar staan, en dat de overheid weinig anders kan dan zich neutraal opstellen. In zijn artikel over de wet op godslastering wijst hij bijvoorbeeld naar de toekomst, waarin de fundamentalistische secularisten van vandaag God tenslotte alsnog zullen tegenkomen!

Twee regimenten

In de derde plaats: God regeert. Niet alleen in christelijke landen. Ook in een goddeloze wereld, waarin hij nauwelijks wordt gezien, laat staan erkend, als actor (handelend persoon) om rekening mee te houden, is hij wel degelijk de hoogste autoriteit en machthebber.

God wil mensen in zijn regering inschakelen op twee manieren: via de politiek en via de kerk. (Dit inzicht willen we nog niet voluit in Augustinus inlezen; bij Calvijn is het al wel aanwezig en fundamenteel.) Gewoonlijk wordt gesproken van twee rijken, maar het gaat eigenlijk om twee regimenten, twee regeerwijzen.  Deze twee moeten onderscheiden worden; en ze moeten elkaar respecteren. De overheid regeert niet in de kerk. De kerk oefent geen politieke macht uit. Beide zijn wel geprobeerd, en soms leidde de kromme stok tot een rechte slag, maar vaker waren de gevolgen rampzalig. De verhouding tussen beide is delicaat, want ze hebben wel volop met elkaar te maken binnen één samenleving: de kerk functioneert in de samenleving waarin de staat regeert; en, omgekeerd: het woord van God, door de kerk gepredikt, richt zich ook tot politici.

Ook De Bruijne benadrukt het onderscheid tussen staat en kerk. We hoeven geen christelijke staat na te streven of ook maar daarnaar te verlangen, maar als kerk, en als christenen, moeten we wel een profetische stem in politiek en samenleving laten horen!

Rome, Genève en Den Haag

Het inspreken op de actualiteit maakt zulke beschouwingen interessant. Je grijpt gauwer naar een artikel onder de titel ‘Een geheim rond Obama’ dan dat je aangetrokken wordt door ‘Christelijke uitgangspunten voor de politiek’.

Een gevolg van deze praktische gerichtheid is dat er makkelijk kortsluiting kan ontstaan als je probeert om een bepaalde visie toe te passen op andere omstandigheden. Augustinus gold als autoriteit in de Middeleeuwen, maar zijn politieke visie heeft tot veel misbruik en verwarring geleid. Kuyper is in Nederland uit. De Bruijne heeft veel waardering voor hem. Maar in het artikel over de wet op godslastering geeft hij aan dat de gereformeerden in de Kuyperiaanse era met een achterhoedegevecht bezig waren.

Toch doen deze christelijke denkers wel algemene uitspraken. Ze baseren zich op algemene principes: zo moeten we op grond van de bijbel christelijke politiek zien. Ook de Bruijne zegt niet alleen maar wat christenen vandaag in de politiek zouden moeten doen, maar wat in het algemeen het doel van de politiek is, en moet zijn. Dat maakt het spannend! “Wat had Constantijn (…) gemoeten?”, vraagt hij uitdagend in zijn dissertatie. Er zijn christenen die het als de zondeval van het christendom beschouwen dat het zich inliet met aardse macht. Maar Constantijn was keizer en werd christen. Moest hij toen niet op een christelijke manier de keizerlijke macht uitoefenen? Kan dat soms niet?

Het is een uitdagende vraag. Is het mogelijk om christelijke visie op politiek te ontwikkelen die niet alleen vruchtbaar werkt in een bepaalde historische constellatie, maar ook toepasbaar is in andere situaties? Toepasbaar op Westerse geseculariseerde democratieën en op het Romeinse keizerrijk in de jeugd van het christendom net zo goed? Zijn er principes die als leidraad kunnen worden gezien Constantijn, Karel, Calvijn en Kuyper; voor de raad van Genève en die van Staphorst?

Ik voel me door hem uitgedaagd om wat algemene aspecten van een christelijke visie op politiek te bespreken. Achtereenvolgens ga ik in op wat De Bruijne zegt over de aard van de politiek, en – in de volgende artikelen – op de oorsprong en het doel ervan en de norm ervoor.

Terughoudendheid

Laten we – met Prof. De Bruijne – praktisch en dicht bij onszelf als mensen beginnen: bij de gevoelens waarmee gezagsuitoefening gepaard gaat. Politieke machtsuitoefening gaat gepaard met geweld. Dat roept gevoelens van schaamte en verlegenheid op, zegt De Bruijne: het is niet natuurlijk dat mensen zo macht over elkaar hebben.

Zulke gevoelens zijn herkenbaar. Ik denk niet dat ze uniek zijn voor het overheidsgezag. Ze treden ook in andere gezagsrelaties op: tussen ouders en kinderen, leraren en leerlingen, ambtsdragers en gemeenteleden. Daar speelt weliswaar geweld geen rol (hoewel de pedagogische tik niet algemeen als passé wordt beschouwd), maar je kunt toch wel op allerlei manieren, soms subtiel, macht over anderen uitoefenen, en dat kan soms best pijn doen. Ik heb zulke schroom wel gevoeld toen ik als jong predikant opeens voorzitter was van een kerkenraad, en een classis, met broeders die veel ouder waren dan ik. En toen ik als beginnend leraar in het volwassenenonderwijs een gepensioneerd wethouder in de klas kreeg. Ik ken ook dat gevoel van de andere kant: moet dat broekje ons vertellen wat wij moeten doen en hoe we ons moeten gedragen? En ons een voldoende of een onvoldoende geven? Ik denk dat veel lezers dat zullen herkennen.

“Wie ben ik dat ik dit doen mag?” zei Juliana toen ze koningin werd. Het is een gevleugeld woord geworden; net als Paulus’ “Wie is tot zulk een taak bekwaam?”

Toch moeten we ook niet overdrijven. Juliana was een onzekere vrouw, weten we. Ik denk niet dat de meeste leraren elke dag met gevoelens van onzekerheid naar hun werk gaan. En ministers, en officieren, ook niet. Ze hebben er gewoon zin in; ze houden van hun werk.

Er is een zeker gevoel van schroom. Dat komt voort uit respect. Het is een medemens die je voor je hebt! Dat is geen stuk hout of gereedschap. Daar kun je niet mee doen wat je wilt. Je moet rekening houden met hun gevoelens, hun beperkingen, hun eigenaardigheden, hun kwetsbaarheid. Vergelijkbare gevoelens heeft een goede boer voor zijn vee. Ook een koe kan pijn hebben of gewoon een slechte dag. Je werkt met levend materiaal. Dat geldt ook voor de rechter en het gevangenispersoneel: ze moeten respect hebben voor de mens waar ze mee omgaan. Zelfs in de ethiek en het recht van de oorlog – politiek geweld! – speelt dat een grote rol; ook in de praktijk: soldaten van beide partijen op het slagveld kunnen samen kerst vieren; ze respecteren elkaar als mens.

Dienend leiderschap

Leiderschap moet dienend zijn. Dat is een inzicht dat boven gekomen is in moderne inzichten over leiderschap. Het is ook bijbels. Dienend – dat omvat uiteenlopende trekken: richtingwijzend, motiverend, grenzen-stellend, maar ook zorgzaam. Klassieke beelden zeggen dat de directeur van een bedrijf moet zijn als een vader voor z’n personeel. Toegegeven: dat doet verouderd aan; wij zijn vandaag allergisch voor paternalisme. Maar we vinden intussen wel dat een bedrijf een verantwoordelijkheid heeft voor goede arbeidsomstandigheden en voor de verzekering van z’n werknemers tegen ziektekosten en werkloosheid. Een vorst moet zijn als een vader voor z’n onderdanen. In het leger was de sergeant-majoor, een oudere man, de ‘moeder van de compagnie’ voor de bange jonge jongens te velde.

Een ander klassiek beeld, ook in de staatkunde, is dat van de herder en zijn kudde. Dienend leiderschap, daar is de Here Christus ons in voorgegaan.

Overheidspersonen moeten het beeld van Christus vertonen. Dat geldt van ieder christen. In het evangelie worden alle mensen daartoe opgeroepen: geloofs-gehoorzaamheid. Ieder op de plaats die God hem of haar gegeven heeft, met de taak en mogelijkheden die daar bij horen. Zouden regeerders daar soms van uitgezonderd zijn? Het geldt voor de overheid net zo goed, op haar specifieke plaats.

Dienend leiderschap – voor velen zal dat toch nog een beetje paradoxaal klinken. Er is een tendens om aan de ene kant te erkennen dat de overheid leiding moet geven, met machtsmiddelen – maar dat is dan min of meer een noodzakelijk kwaad; in Lutherse termen: Gods linkerhandswerk. Aan de andere kant is er dan de kerk, die daar haar handen niet aan vuil maakt maar dient, naar het beeld van Christus; dat ligt dan in de diaconale sfeer; dat is veel mooier. (De overheid mag dat dan wel subsidiëren.) Dat is een eenzijdig beeld van Christus, focussend alleen op zijn vernedering en dan nog selectief. Dienend leiderschap impliceert ook invloed uitoefenen. Het omvat ook het nemen van krachtige maatregelen in crisissituaties; het impliceert het doen van (scheids-)rechterlijke uitspraken. In onze samenleving is dat vaak zwaar en onaangenaam werk; je maakt er zacht gezegd geen vrienden mee. In een democratische cultuur is het soms niet eens goed mogelijk en is pappen en nathouden dan de enige optie.

Je kunt ambivalente gevoelens hebben tegenover het uitoefenen van overheidsmacht; maar vergelijkbare reserves zijn er in de loop van de tijd geweest ten aanzien van andere beroepen: kan dat eigenlijk wel voor een christen? In de oude christelijke kerk bestond de opvatting dat een christen geen koopman kon zijn. Handel was ondenkbaar zonder oneerlijkheid. Calvijn meende dat, ook al is geld uitlenen op rente niet verkeerd, je daar beter niet je beroep van kon maken: dat leidde tot hebzucht. Een actueel inzicht in de huidige bankencrisis. Toch sluiten we vandaag niet uit dat een christen zakenman of –vrouw kan zijn en ik denk dat ten aanzien van bankier hetzelfde geldt. Ook tegenover het beroep van regeerder (een ambt, maar dan toch ook een beroep) kunnen we reserves hebben, maar aanvaarding geeft toch de doorslag.

Dienend leiderschap, ook in de politiek – dat is niet onnatuurlijk. Daarmee komen we bij het volgende punt: de oorsprong van politieke macht. Daarover de volgende keer.

 

2.  POLITIEK: IN CHRISTUS GESCHAPEN

Waar komt de overheid vandaan? Het is een oude discussie: wortelt het overheidsgezag in de schepping of dateert het van na de zondeval? Natuurlijk, “Toen Adam spitte en Eva spon, / waar was toen de edelman?” Er was nog geen overheid zichtbaar. Maar het gaat om het de principiële wortels.

Voor de laatste opvatting – de overheid is er “om der zonde wil” – werd regelmatig verwezen naar artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Wij geloven dat onze goede God om de verdorvenheid van het menselijk geslacht geboden heeft, dat er koningen, vorsten en overheden zullen zijn.” Nu hoeven we zo’n belijdenisartikel niet te hanteren als een uitputtende politieke theorie. Hoe dit zij, ook Prof. De Bruijne zegt – in zijn artikel over Obama en de politiek in het algemeen (22 november) – dat de overheid een instelling van God is van na de zondeval.

Maar er is ook een visie die het overheidsgezag herleidt tot de positie van de ‘pater familias’: de vader, niet alleen van het kerngezin zoals wij dat in onze cultuur kennen, maar ook van de grotere ‘familie’, inclusief de al volwassen, ook getrouwde, kinderen; de, nog lang niet aan z’n pensioen toe zijnde, grootvader. Ook het personeel is bij die familie inbegrepen. Hij heeft ook gezag over het huis, het erf, het (familie-)bedrijf. Zoals de vader uit de gelijkenis van de verloren zoon.

We kunnen hierbij denken aan de geleding van Israël in stammen, geslachten en families, elk met een hoofd.

In Christus geschapen

Wij kunnen ons moeilijk meer voorstellen hoe overheidsgezag gefunctioneerd zou hebben zonder de zondeval. In de huidige werkelijkheid zijn overheidspersonen en onderdanen allemaal zondig. Het is moeilijk voorstelbaar in de praktijk dat iemand een machtspositie bereikt en kan houden als hij absoluut integer is en niemand enig onrecht doet.

Er was in het paradijs al wel gevaar. De mens moest de hof niet alleen bewerken, maar ook bewaren, bewaken. Het kwaad bestond al. Hoe zou het buiten gehouden moeten worden? Zou misschien ooit toch een mens de kop van de slang hebben moeten verbrijzelen?

Vorige keer hadden we het over verschillende gezagsrelaties. Zonder zondeval zou er ook opvoeding zijn geweest. Zou daarbij de pedagogische tik, als signaal om in spannende situaties fouten te voorkomen, uitgesloten zijn? Er zouden toch wel spannende situaties geweest zijn? De mens zou toch wel ondernemend geweest zijn, avonturen gewaagd hebben en risico’s genomen?

Op breder terrein zijn nog meer vragen te stellen en ze zijn ook altijd weer gesteld. Roofdieren zijn geschapen: zou de leeuw niet verscheurend zijn geweest en bloed vergoten hebben? Hoe zouden we in een niet-gevallen wereld milieuproblemen hebben kunnen voorkomen?

Het is in het christendom niet meer algemeen gebruikelijk om de leer van de schepping voluit serieus te nemen; maar wij, die dat wel doen, helpen onszelf daarbij als we ook proberen ons de consequenties ervan in te denken en voor te stellen, ook al is dat vaak moeilijk.

“In hem [Christus] is alles geschapen, / alles in de hemel en alles op aarde (…) / vorsten en heersers, machten en krachten, / alles is door hem en voor hem geschapen” (Kolossenzen 1). De uitleg dat Paulus met die vorsten enzovoort in de eerste plaats, of zelfs uitsluitend, engelenmachten bedoelt, is gangbaar. Maar we zouden kunnen parafraseren: alles wat macht en gezag heeft; alles, tot het hoogstgeplaatste toe. Of, met de woorden uit Efeze 1: “…Elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld…” Het zou gewrongen zijn om aardse overheden hiervan uit te sluiten. Het gaat hier niet maar om een historische verwijzing naar het begin van de wereld. Het gaat over de ‘schepping’, zoals wij die nu kennen. Inclusief de overheid. Die is in Christus geschapen. Dat geeft wel aan dat overheidsgezag geen vreemd element is in de oorspronkelijke schepping.

Richters

Prof. De Bruijne verwijst verder naar het boek Richteren (Rechters): God deed richters (rechters) opstaan. Hij brengt dat in verband met een emotionele ‘klik’ tussen overheidspersoon en onderdanen. De onderdanen zijn door die bepaalde persoon getroffen, herkennen hem, erkennen hem; er komt een binding tot stand. Bij Obama is dat in sterke mate het geval. Vaak zal zo’n binding overigens van tijdelijke aard zijn.

De verwijzing naar het boek Rechters voor de opkomst van de overheidsmacht heeft een eerbiedwaardige christelijke traditie, al vanaf de tijd van de kerkvaders. Ook Calvijn verwijst daarnaar als hij spreekt over het ‘heilige recht van opstand’. Daarmee heeft deze verwijzing een rol gespeeld bij het ontstaan van de Nederlandse staat. Toch wil ik er een paar kanttekeningen bij maken.

Om te beginnen: er was al eerder overheidsgezag. De stammen van Israël hadden stamhoofden. Mozes sprak recht en stelde, op advies van zijn schoonvader Jetro, anderen aan om hem daarbij te helpen. Er zijn in de Mozaïsche wetgeving regels gesteld voor de rechtspraak, inclusief lijfstraffen.

In de tweede plaats: zelfs als we aannemen dat in die uitdrukking in het boek Rechters die emotionele klik geïmpliceerd is (dat is best mogelijk), moeten we toch wel onderscheid maken tussen het handelen van God en de erkenning door mensen. Het gaat mij op dit moment net zo min als De Bruijne om een formeel-juridische aanstelling. God maakte dat deze persoon uit het volk naar voren kwam; en de mensen herkenden dat. Dat zijn twee dingen. Gods handelen gaat (zoals gewoonlijk) voorop. De menselijke erkenning volgt daarop; het is een vrucht daarvan.

In de heilsgeschiedenis

In de derde plaats moeten we er wel rekening mee houden dat het hier gaat over Gods bijzondere genade aan Israël, zijn volk. Zij kozen niet voor richters; zij kozen voor de afgoden. Maar God had medelijden met ze, als ze dan, door zijn eigen tuchtiging, zuchtten onder de druk van hun vijanden. Dan deed hij een richter opstaan. Dat deed hij niet met andere volken. Die liet hij op hun eigen wegen wandelen; hij gaf ze over aan hun eigen overheden en hun politieke orde maar ook hun onderlinge strijd, verval en chaos.

Dat God een heerser doet opstaan wordt ook gezegd van koning Kores: die gebruikte hij als zijn dienaar voor een bijzonder doel, namelijk de bevrijding en het herstel van zijn volk. Het wordt ook gezegd (in Romeinen 9) van Farao. Ook met hem heeft God een bijzonder doel: om zijn macht te tonen; te weten: hoe hij, tegen Farao in, zijn volk weet te bevrijden. Het is niet aannemelijk dat hier een klik tussen Farao en het Egyptische volk is geïmpliceerd.

Dat brengt ons bij een volgend punt. Zo’n klik is in de wereld eerder uitzondering dan regel. Vaak gaat de opkomst van een heerser gepaard met geweld. Helemaal alleen zal een heerser zelden aan de macht kunnen komen. Vaak ‘klikt’ het alleen met een kliek om hem heen, z’n familie, clan of stam, of een stel potige kerels of een leger, of een rijke en machtige aristocratie die de meerderheid onderdrukt of negeert en verwaarloost. En als er al een ‘klik’ is, is dat niet altijd positief: het klikte tussen Abimelek, de zoon van Gideon, en een deel van Israëls bevolking. Het klikte tussen Hitler en het Duitse volk.

In verband met de emotionele klik maakt De Bruijne een vergelijking met het huwelijk. Dat is inzichtgevend. Intussen blijft de vergelijking van de relatie tussen overheid en onderdanen met andere gezagsverhoudingen het meest voor de hand liggen.

Nog iets over die verwijzing naar de richters en hun tijd: wat God toen deed was een fase in de geschiedenis die hij ging met zijn volk om het te verlossen. De schrijver van het boek Rechters zegt (terugblikkend): God deed richters opstaan; maar ook: In die dagen was er geen koning in Israël… Die richters, dat was maar een tijdelijke en onvoldoende oplossing, telkens opnieuw; wat Israël eigenlijk nodig had was een koning… als je terugkijkt vanuit wat God in zijn wonderlijke genade ging geven.

Van richters naar koning

Hij deed vervolgens Saul en David opstaan. Ook hier is het duidelijk dat Gods handelen vooropgaat: toen hij hen liet zalven, zag niemand in hen nog een koning; de klik kwam inderdaad, maar pas naderhand.

In deze lijn verder gaand – wonderlijk genadig, voor mensen telkens opnieuw verrassend – heeft God de grote zoon van David doen opstaan: Christus. Hij is de uiteindelijke koning. Hij beschikt wel over een ‘geweldsmonopolie’: een ijzeren staf; zijn machtige voeten (Psalm 2; Openbaring 19). Maar hij heeft dat voorshands – uniek in de wereldgeschiedenis! – niet gebruikt.

Hij is de koning bij uitstek! Goddelijk, hemels, het beeld van God, de koning; maar ook mens op aarde, koning over de aarde. Zijn koningschap was niet van deze wereld, maar het kwam wel in deze wereld, en werd van kracht over deze wereld. Hij was anders dan alle andere, alleen maar menselijke, aardse heersers, maar toch echt koning. Wonderlijk, eindeloos verrassend; de klik met mensen kwam maar moeizaam tot stand en was een tijdlang maar beperkt; en hij is nog steeds omstreden. Een koning aan het kruis, tenslotte! Uniek. Maar tegelijkertijd, juist daarin, een model van dienend leiderschap. Als je hem ziet, kun je je reserves tegen koninklijk gezag en macht over mensen laten varen.

Hij zelf zegt tegen zijn discipelen dat ze zullen “plaatsnemen op de twaalf tronen en rechtspreken over de twaalf stammen van Israël”. Hij kondigt aan dat hij zal zeggen: “Heb gezag over tien steden” of “over vier steden”. Blijkbaar is er geen reden voor reserve tegen overheidsgezag van mensen over mensen.

Mensen zijn geroepen om Christus’ beeld te vertonen. In hem gaat het licht op van Gods bedoeling met de wereldpolitiek. Het is verleidelijk om verder te citeren uit Kolossenzen 1: “Hij bestaat voor alles en alles bestaat in hem. (…) Oorsprong is hij, (…) om in alles de eerste te zijn: (…) / door hem en voor hem (heeft de volheid) alles met zich willen verzoenen, / alles op aarde…”

Secularisatie en voorzienigheid

In dit licht wil ik Gods voorzienigheid in een geseculariseerde wereld zien. Ik weid daar even over uit.

Prof. De Bruijne ontwikkelt zijn visie, zoals gezegd, midden in deze tijd: de tijd van de secularisatie. Of, nauwkeuriger gezegd, het resultaat van de secularisatie, van de ontkerstening: de ‘seculariteit’. Onze wereld is werelds (geworden); er is geen algemene erkenning van God (meer). De samenleving is niet christelijk (meer).

Daar moeten we niet zenuwachtig over doen. Het is ook niet zinvol om terug te verlangen naar een christelijk verleden, dat nu eenmaal voorgoed voorbij is. We doen er ook niet goed aan om krampachtig vast te houden aan restjes christendom die bezig zijn te verdwijnen. De wet tegen godslastering is een dode letter geworden.

Ik neem de draad van De Bruijne op en spin die op mijn manier verder. Vergelijkbare discussies zijn er geweest over de bede in de troonrede, het ambtsgebed bij de opening van overheidsvergaderingen, en de sluiting van winkels op zondag. Christenen zijn nu eenmaal een minderheid in deze wereld, en – daar wordt de laatste tijd vaker op gewezen – moeten bereid zijn, in gemeenschap met hun Heer, te lijden en het kruis te dragen. Dat heeft hij ons voorzegd, dat is het karakter van deze tijdelijke wereld. Dan moeten we niet verongelijkt en bezeerd protesteren. En ook niet elkaar aanpraten dat juist nú, na twintig eeuwen, het boek Openbaring actueel blijkt te zijn en in vervulling begint te gaan en we de ‘grote verdrukking’ ingaan.

Tegen deze achtergrond kunnen we verstaan dat De Bruijne spreekt van Gods ‘verborgen voorzienigheid’. Door die voorzienigheid heerst er in allerlei landen, niet alleen christelijke, recht en een zekere vrede. God doet in zijn voorzienigheid regeerders opstaan die, ook als ze niet in hem geloven, toch regeren met wijsheid en goede zorg voor hun onderdanen.

De wereld is werelds

Daar zit veel in. God regeert over deze wereld, ook al erkent ze hem niet. Christus is koning, ook waar hij niet wordt beleden. (Ik ga weer op mijn eigen manier verder.)

Het koninkrijk van God seculariseert niet. De gelijkenis van de zaaier en alle andere gelijkenissen zijn nog steeds bezig in vervulling te gaan. Er is nog steeds zaad dat veel vrucht draagt, naast al dat andere zaad. De tarwe rijpt midden tussen het onkruid. De mosterdboom is bezig te groeien, het zuurdeeg werkt door, het sleepnet verzamelt steeds meer vissen, naast allerlei rommel.

Van de andere kant: deze wereld is altijd wereld geweest. Christenen zijn altijd vreemdelingen geweest in deze wereld, ook ten tijde van Constantijn, paus Innocentius III, Calvijn, de Gouden Eeuw in de Nederlanden, de puriteinse kolonisten in Amerika, de emancipatie van de gereformeerden, of wat we ook maar als het hoogtepunt van het ‘corpus christianum’ zouden willen beschouwen (met een wat beperkte blik, op een groter of kleiner deel van de wereld). Ook al hebben ze die vreemdelingschap niet altijd even goed beseft. Het boek Openbaring is altijd actueel geweest. Historisch gezien mag secularisatie een zinvol begrip zijn, maar ik betwijfel – ik heb daar eerder over geschreven in dit blad – of je na Kaïns moord op Abel en Chams bespotting van zijn vader nog wel theologisch over een secularisatieproces zou moeten spreken. De wereld is werelds.

Geduld

Toch moeten we daar ook weer niet al te laconiek over doen, als over een voldongen feit; en zeker niet onze schouders over ophalen. De wereld is werelds, dat betekent dat ze zucht en in barensnood is en reikhalzend uitziet naar het openbaar worden van… de kinderen van God; van mensen die nú leven. Het betekent dat mensen lijden onder onrecht en geweld. God geeft het kwaad ruimte om zich te ontplooien; hij laat de beesten een zekere macht. Het bloed van de martelaars roept: Hoe lang nog, heilige en integere heerser? De goddeloosheid roept Gods toorn op; die hoopt zich op tegen de dag van het oordeel.

Waakzaamheid is geboden, en als je merkt dat je gezin, of je school, of je ziekenhuis, bezig is te seculariseren, is het tijd voor intensiever gebed en voor actie. En dat geldt ook voor de staat, of de burgerlijke gemeente; voor het politieke terrein.

In die wereld geeft God, in zijn voorzienigheid, tijden van verademing, van recht en een zekere vrede, niet alleen in een christelijke omgeving. Dat doet hij niet specifiek door middel van de politiek. God geeft niet alleen regeerders die wijs en verantwoordelijk te werk gaan, maar ook middenstanders die kwaliteit leveren, eerlijke kooplui, toegewijde leraren, trouwe familieleden en vrienden en behulpzame buren en dorpsgenoten. Ieder van hen draagt bij aan dat recht en die zekere vrede, op kleinere of grotere schaal.

Dat is des te meer verbazend als je je realiseert hoe bedorven de menselijke aard is. Valt de wereld mee? Dan is dat te danken aan Gods voorzienigheid. Inderdaad, zijn ‘verborgen voorzienigheid’. Wij kunnen Gods regering over de wereld niet begrijpen en narekenen, laat staan beoordelen. In de laatste hoofdstukken van het boek Job worden we daar het diepst van doordrongen. Onder Gods voorzienigheid heeft de cultuur zich vanaf het begin het sterkst ontplooid in het kamp van Kaïn: bij Jabal, Jubal en Tubal-Kaïn. Weliswaar was Abel eerst al schaapherder, maar die lijn werd niet voortgezet. Het kan verstandig zijn om bij niet-gelovigen in de leer te gaan, en het is soms onvermijdelijk.

Toch is er over Gods voorzienigheid meer te zeggen. We weten wie het is die regeert: de Vader van Christus, met zijn Vaderhand. We kennen ook het uiteindelijke doel waar hij op aan stuurt: dat het met ons, zijn mensen, en zijn wereld helemaal goed komt. Hij heeft geduld met zijn wereld. In de toorn denkt hij nog steeds aan ontfermen.

Gods voorzienigheid – hoeveel verborgens er ook in is – heeft een kleur, een richting. Zijn regering heeft een doel. De regeerders die hij in zijn voorzienigheid geeft, moeten we zien in dat licht. Hij wil ze gebruiken om zijn beleid in Christus voort te zetten en te verwezenlijken. Dat zullen ze niet altijd erkennen; maar ze doen er goed aan om dat wel te doen. Volgende keer verder daarover: over het doel en de norm voor de politiek.

 

3.  POLITIEK NAAR GODS WIL

Om te beginnen luisteren we naar Prof. De Bruijne (in zijn artikel over Obama en de politiek in het algemeen, 22 november). “Politiek bestaat niet om de samenleving of de wereld langs politieke weg een beetje christelijker te maken. Politiek bestaat ook niet om te zorgen voor een betere, gelukkige wereld. God gebruikt politiek gezag om de aarde leefbaar te houden, en om het kwaad nog enigszins te beteugelen”.  Om “…te zorgen voor kleine oases van tijdelijke zegen, eilandjes van hoop, tijden van ‘opademen’ zegt de Bijbel.” “…Van tijd tot tijd…” “…Al in deze oude en diepgaand gebroken wereld…”

Inderdaad, we moeten geen utopische verwachtingen hebben van de politiek. We moeten weten hoe laat het is op Gods klok. Deze oude wereld zal ondergaan onder zijn oordeel om plaats te maken voor de nieuwe. In dat licht moeten we de toestand van de wereld telkens opnieuw bekijken.

Maar betekent dat dat politici “een betere, gelukkige wereld” niet als leidend visioen voor ogen zouden mogen houden en hun beleid daarop richten? Wie zegt dat God niet zou willen dat de oases (soms) groot zullen zijn, de “tijd van rust” (NBV) en tijdelijke zegen generaties lang zou duren, en de eilandjes van hoop voor menselijk besef wel continenten lijken? Het breekt ons altijd weer bij de handen af, maar moet dat ook ons uitgangspunt zijn? Moet het doel van de overheid niet zijn: vrede en veiligheid, gerechtigheid en barmhartigheid, en vrijheid?

Gods bedoeling bevorderen

En zou het niet wenselijk zijn dat de overheid ernaar streeft om, als het kan (!), de samenleving “een beetje christelijker te maken”? In het verleden is dat ook gebeurd, en in sommige gevallen was dat goed. We kunnen denken aan Constantijn, Karel de Grote, Calvijn, de Nederlandse overheden rond 1600, en Kuyper.

De uitdrukking “een beetje christelijker te maken” is een beetje los, klinkt voor mijn besef ook een beetje ironisch. (In een Reformatie-artikel, niet-wetenschappelijk, heeft dat een plaats.)

Beide doelen, ‘tijden van verademing’ en ‘meer christelijk maken’, hangen misschien nauw samenhangen. In Petrus’ pinkstertoespraak, waar die uitdrukking “tijden van verademing” (vertaling 1951) voorkomt, volgt direct: “…En zal hij de Messias zenden die hij voor u bestemd heeft. Dat is Jezus…” Het klinkt misschien allemaal niet zo actueel in onze eeuw van secularisatie. Maar we waren op zoek naar de diepe adem van de bijbel, Gods woord voor alle eeuwen, om dan vervolgens op de actualiteit in verschillende situaties in te spreken. Zou de overheid er niet wijs aan doen als ze gerechtigheid en barmhartigheid bijbels laat kleuren, en invult?

Dat deze wereld diepgaand gebroken is, is nooit Gods bedoeling geweest, en is ook nu niet zijn bedoeling. Het is niet iets om ons bij neer te leggen als een voldongen feit. Dat is iets om onder te zuchten. En zo mogelijk iets aan te doen. God is ermee bezig om deze zelfde wereld te verlossen van die diepe gebrokenheid! Daarvoor heeft het kruis er gestaan, en stonden de voeten van de Opgestane in de graftuin! Daarom roept de Bijbel ons op om goed te doen, een constructieve bijdrage te leveren, in deze wereld.

Zouden we niet – eenvoudig samenvattend – kunnen zeggen dat de overheid erop uit behoort te zijn om de samenleving een beetje meer aan Gods bedoeling te laten beantwoorden? Waarbij ik even in het midden laat of dat altijd zo nadrukkelijk het label ‘christelijk’ zou moeten dragen.

De tegenwerpingen staan al lang klaar. Het gevaar dreigt dat je als overheid je eigen visie gaat vereenzelvigen met Gods bedoeling. Dat je die gaat verabsoluteren, en opleggen, en daardoor veel schade aanricht. De geschiedenis levert daar genoeg voorbeelden van: bekeringen met geweld, Karel de Grote, Cromwell, de onderdrukking van rooms-katholieken in protestantse staten. Daarachter ligt het gevaar van idealisme: alsof wij in staat zouden zijn om naar een ideale samenleving toe te manoeuvreren.

Kort een paar opmerkingen daarover. In de eerste plaats: veel slechte praktijk weerlegt op zich goede theorie niet, en speciaal goede ethiek niet. In de tweede plaats: idealisme en realisme zijn niet met elkaar in tegenspraak. Je kunt een visie hebben over waar je naar toe wilt en er tegelijkertijd oog voor hebben hoe ingewikkeld en weerbarstig de realiteit is. Een vergelijking met andere gezagsrelaties kan dat weer verhelderen. In de derde plaats: het doel heiligt de middelen niet. Niet alleen het doel is beslissend, ook de stijl waarin je dat nastreeft. Ik heb het al gehad, en ga het nog verder hebben, over het beeld van Christus, dat iedereen, ook de overheid, zou moeten vertonen.

“Iets extra’s”?

Daarmee komen we bij het laatste item: de norm, of het richtsnoer voor de politiek.

Het is waar dat God regeert ook via niet-christelijke regeerders. Het is ook waar dat het voor hen voor alles aankomt op vakbekwaamheid. “Liever een niet christelijke politieke gezagsdrager die zijn politieke vak verstaat dan een oprechte christen die blijft steken in goede bedoelingen, stevige normatieve taal of mooie woorden”, om met Prof. De Bruijne te spreken. Dat geldt in ieder beroep, ook dat van bakker of leraar. Christenen gunden middenstanders van hun eigen gezindte meermalen de klandizie uit broederlijk-zusterlijke solidariteit en barmhartigheid, maar al zuchtende over de kwaliteit. We hebben het liefst gereformeerde scholen! Maar die streven dan ook wel naar onderwijskwaliteit, en daar ziet de overheid terecht op toe.

Voor staatslieden (hoe zeg je dat ‘inclusief’?) en politici omvat vakbekwaamheid zaken als een brede blik, visie, een evenwichtig oordeel, emotionele stabiliteit, het vermogen om belang en urgentie van problemen te wegen en om prioriteiten te stellen, dossierkennis, openheid ook voor onwelkome informatie, gevoel voor de feitelijke krachtsverhoudingen, inschattingsvermogen voor de gevolgen van hun wetten en maatregelen, tact, uitstekende gebektheid en andere communicatieve vaardigheden, gevoel voor timing, doortastendheid. Dat zijn allemaal dingen die je niet per definitie bij christenen meer aantreft dan bij niet-christenen.

Maar dat alles wil niet zeggen dat christen-zijn bij een politicus “iets extra’s” is, dat komt na “de basis:” “of ze nu wel of geen christen zijn, ze moeten doen waarvoor ze bestaan”, zoals De Bruijne zegt. Hij zegt veel goede woorden over hoe waardevol het is als een politicus christen is, en daar zullen we het van harte over eens zijn. Maar ik zou liever willen zeggen: als ze christen zijn, komt het allemaal op z’n juiste plaats te staan.

Naar de wortels

De Bruijne en zijn collega-theologen kennen de spreuk “Fides quadrat intellectum”: het geloof brengt het verstand tot z’n juiste proporties, in z’n juiste vorm, als een steen die door een steenhouwer wordt bewerkt, zodat het z’n juiste plaats kan innemen. Intellect zonder geloof is losgesneden van z’n wortels, precair, hachelijk, geïsoleerd en vatbaar voor misbruik. Wetenschap heeft z’n hoogste vlucht genomen in een christelijke cultuur. Dat betekent niet dat er niet vele niet-christelijke intellectuelen zijn die beter werk leveren dan hun christelijke collega’s. Maar toch: pas door het geloof zal het ‘klikken’ tussen het wezen van de mens, zijn diepste bestemming, en zijn functioneren in de wereld, zijn wetenschappelijke arbeid.

Dat geldt in elke professie. Verpleegkundigen hebben een professionele opleiding nodig; maar ziekenhuizen en zorgstelsels daaromheen hebben een hoge vlucht genomen vanuit christelijke barmhartigheid, in dat deel van de wereld waar het christendom z’n vleugels heeft uitgeslagen; en als die wortels worden veronachtzaamd blijkt er van alles mis te gaan. Ondernemers hebben visie nodig voor hun markt en hun product, bankiers moeten risico’s kunnen inschatten, maar er blijkt toch makkelijk scheefgroei te ontstaan zonder de waarschuwing tegen hebzucht en Mammondienst.

Zo ook: “Fides quadrat politica”: het geloof biedt het uitnemende kader en de structuur voor de politiek. In een christelijke cultuur, in de loop van de eeuwen, is de scheiding van machten en democratie tot ontwikkeling gekomen met haar ‘checks and balances’. In een christelijke cultuur is corruptie het meest teruggedrongen, en dienend leiderschap van politici het meest ontwikkeld.

Geestelijk en burgerlijk goed?

Mij valt een overeenkomst op – bij alle verschil – tussen de visie van het GPV en die van De Bruijne. Het GPV zei: Een bestuurder moet de naam van God in het publieke leven te pas brengen; daarbij doet het er niet toe of hij christen is. De Bruijne zegt: Een bestuurder hoeft nog geen christen te zijn (al zou dat wel het mooiste zijn), als hij maar zijn vak goed uitoefent. Daar tussenin (in tijdsvolgorde) staat J. Douma, die onderscheid maakte tussen de ‘grote vrede’ die je krijgt door het geloof, en de ‘kleine vrede’ die het waard is om na te streven in het maatschappelijke leven. Samengevat: er wordt een wezenlijk onderscheid gemaakt tussen geestelijk en burgerlijk goed.

Ik heb dat nooit overtuigend gevonden. Er zijn twee regimenten, twee regeerwijzen: door middel van de kerk, en door middel van de politiek. Maar het is één… niet alleen één God die regeert, maar ook één Heer, Jezus Christus. (Al vroeg is op het GPV de kritiek uitgebracht dat het koningschap van Christus wel wordt genoemd, maar te weinig doorklinkt.)

We kunnen de wortel van het onderscheid nog verder traceren in de geschiedenis van de theologie, tot op de Reformatie. Er wordt traditioneel onderscheid gemaakt tussen het ‘eerste’ en het ‘derde gebruik van de wet’. De volgorde is praktisch. Onder het eerste gebruik van de wet verstaat men het gebruik door de overheid in de samenleving: zij handhaaft de wet dat mensen niet doden, niet stelen enzovoort. Het derde is dan het gebruik van de wet als ‘regel der dankbaarheid’: hoe moeten wij, als christenen, als verloste mensen leven? Het tweede is het gebruik als ‘kenbron van onze ellende’: de wet laat zien hoe zondig we zijn.

Het onderscheid tussen het tweede en derde gebruik, bekend uit de Heidelbergse Catechismus, is nu niet aan de orde. Maar moeten we het eerste en het derde wel zo duidelijk scheiden? Natuurlijk, de achtergrond is het belangrijke onderscheid tussen staat en kerk; tussen het ambt van de overheid en dat in de kerk. Maar toch: in beide gevallen proberen christenen Gods wil te verstaan, voor het persoonlijk leven en net zo goed voor het samenleven. In beide proberen ze die zelf te gehoorzamen en te bevorderen dat anderen die ook erkennen en gehoorzamen. Het gaat niet alleen over de beide terreinen kerk en staat, maar over ieder christen in de positie waarin hij is geplaatst. De overheid streeft gehoorzaamheid aan Gods wet na in haar wetten en rechtspraak, de kerk in prediking, pastoraat en catechese, maar ook de leraar in zijn klas, de ondernemer in zijn bedrijf, en zo ook andere christenen in hun persoonlijk leven en in hun omgang met hun medemensen. Politici en andere christenen zijn geroepen zout te zijn en zo door te werken in de samenleving.

Er is maar één wetgever, en dat is God, de Vader van Christus; of degene die waarden en normen respecteert hem nu erkent of niet. Er is één goddelijke wet voor alle mensen, hoe verschillend die ook moet worden toegepast door verschillende mensen in verschillende situaties. Er is er maar één die wijsheid kan geven; of mensen die nu van hem verwachten of niet – de Geest van wijsheid, de Geest van Christus. En dus is het niet maar iets extra’s, maar essentieel om hem daarvoor te danken en dat van hem te verwachten. Regeerders hebben roepingsbesef nodig; er is er één die hen roept, ook al kan dat zijn door middel van mensen. Ze hebben ambtsbesef nodig: besef van het ambt dat God ze oplegt. Verantwoordelijkheidsbesef; er is er één tegenover wie ze uiteindelijk verantwoording schuldig zijn.

“Wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus verschijnen, zodat ieder van ons krijgt wat hij verdient voor wat hij in zijn leven heeft gedaan, of het nu goed is of slecht”. Dat geldt voor alle mensen, ook voor politici, of ze nu christen zijn of niet. Daarom geeft de apostel ook voor alle mensen het voorbeeld als hij daaruit de conclusie trekt: “Daarom ook stellen wij er een eer in te doen wat God wil, zowel in dit bestaan als in ons bestaan bij hem” (2 Kor. 5: 9 en 10). Dat is een lijn die loopt van dit diep gebroken bestaan naar de grote toekomst.

Het goede zoeken

De wet voor de politiek is integriteit, vreedzaamheid, rechtvaardigheid, barmhartigheid, zorgvuldigheid, dienende inzet, naar het beeld van God – naar het beeld van Christus, de gekruisigde zoon van God. Tegenover alle egoïsme, machtswellust, twistzucht, corruptie, uitbuiting en onderdrukking. Religie, ethos en vakbekwaamheid liggen in elkaars verlengde, ook al heeft niet iedereen alles, of alles even sterk en even duidelijk.

Ik begon deze artikelen met een verwijzing naar 1 Petrus: zoek het goede voor de samenleving waar je deel van uitmaakt. Het is gekunsteld om daarbinnen te onderscheiden tussen geestelijk en burgerlijk goed, alsof het in de samenleving aankomt op het burgerlijk goede en het geestelijke daarbij minder relevant zou zijn.

Het is waar dat er in het maatschappelijk verkeer prioriteiten zijn. Armen hebben in de eerste plaats eten, onderwijs en recht nodig. Klanten dien je met een goed product. Leveranciers behoor je in de eerste plaats op tijd te betalen. Ondernemers hebben kapitaal nodig om te investeren. Overheden zijn gebaat met steun en constructief-kritisch meedenken; zo draag je bij aan de politiek. Natuurlijk begin je niet altijd en overal met evangeliseren. Maar dat betekent niet dat evangelisatiewerkers niet overal een even dringende boodschap hebben, tot in paleizen en ambtswoningen toe.

Woorden en daden

Wil je graag dat overheden publiek belijden christen te zijn? Dat benadrukte het GPV, en daar gaat het nu over rond Obama. Daar verlang je vooral naar als het fatsoenlijke mensen zijn, toegewijd aan hun werk, maar de publieke invloed van het christendom is aan het tanen. We luisterden met spanning naar de kerstboodschappen van de koningin – zou ze iets van het evangelie laten doorklinken? We waren blij toen Beatrix bij haar ambtsaanvaarding er meer van liet horen dan haar moeder. We zijn blij dat we toch nog iets over gebed horen aan het eind van de troonrede. In sommige burgerlijke gemeenten in Nederland is het ambtsgebed nog op z’n plaats; niet zo lang geleden hebben ergens niet-christelijke raadsleden de burgemeester gekapitteld omdat hij zonder slotgebed de vergadering had beëindigd alleen omdat hij ontstemd was.

Maar het kan ook andersom zijn: christendom wel in woorden maar niet in daden. Om in de sfeer van het actuele Amerikaanse presidentschap te blijven neem ik president Bush jr. als voorbeeld. Hij beleed dat hij een ‘born-again Christian’ was. Veel van onze broeders en zusters hebben destijds ook voor een tweede ambtstermijn op hem gestemd omdat hij dat meer was dan zijn rivaal, Kerry. Toch hebben we, zonder over het hart te oordelen, zijn politiek gevolgd met tal van reserves: over zijn inval in Irak, over Guantanamo Bay en dergelijke, minder publiciteit krijgende detentiecentra. Het kan natuurlijk nog veel erger. Er zijn ‘christelijke’ vorsten geweest die de naam van Christus grote schade hebben gedaan: hun onderdanen, christenen en niet-christenen, hebben onder hen gezucht. Het ligt voor de hand dat die onderdanen in de eerste plaats naar goed beleid verlangden, en daarna pas naar belijdenis van de kant van de overheid.

Als de overheid niet meer christelijk is, wordt het inderdaad op de duur ongerijmd om nog van haar te verlangen dat ze de naam van God in de mond neemt. Dat regeerders een Opperwezen erkenden, zegt niet altijd zoveel. Dat doet president Mugabe ook: “God heeft mij hier geplaatst, alleen God kan mij hier weg krijgen”. Weinigen zullen dat vroom vinden.

In een niet-christelijke samenleving

Meestal zal het geen van beide zijn: overheden zullen zich geen christen noemen en ook in hun beleid bar weinig van het beeld van Christus laten zien. Dat is gewoon in deze wereld die werelds is. Het is niet normaal, in de zin van: overeenkomstig de norm.

In zulke situaties zijn de boeken van het Nieuwe Testament geschreven. Romeinen 13 spreekt over de taak van de overheid, niet in de eerste plaats om de overheid haar taak voor te houden, maar om de onderdanen ervan te doordringen hoe ze, naar Gods bedoeling, van overheidsbeleid profiteren, hoeveel kritiek daar ook op mogelijk is. Je koopt en verkoopt toch met de valuta van de keizer?, beduidde de Here Jezus. Hij zorgt toch voor een stabiel monetair-economisch klimaat?

Onder zulke god-loze overheden ontvouwt het Nieuwe Testament een wijd perspectief. 1 Timotheus 2 leert ons voor ze te bidden. Niet omdat we zoveel van ze houden – de context is niet een Oranjehuis dat veel voor de gereformeerden betekend heeft, of royalty met glamour die boeit en  prinsesjes die vertedering oproepen. De context is het gebed voor alle mensen: het moet zich zelfs uitstrekken tot mensen die voor ons besef heel ver van ons af staan en waar we niet zelden onder zuchten. Dat gebed beoogt niet alleen goed gedrag en goed beleid van die mensen, of aangename omstandigheden. Het heeft een wijde horizon: “…God, die wil dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen”. Diezelfde mensen van vers 1 en 2! Je eert je politici het diepst, je besteedt de meest hartelijke naastenliefde aan ze, als je bidt voor hun bekering en behoud. Moge God ze genadig zijn! Bij die regeerders geldt dan dat hun bekering grote invloed kan hebben op het welzijn en de mogelijke bekering van hun onderdanen. Maar zij zelf, met hun eigen bekering, zijn daarbij niet tussen haakjes geplaatst.

Dat gebed, van vaak vervolgde christenen, werd verhoord! Die houding in de samenleving droeg vrucht. De keizer, Constantijn, bekeerde zich en werd christen! Historici mogen kanttekeningen plaatsen bij zijn motieven en overwegingen, maar in ieder geval: hij werd christen. Een latere keizer ging op de knieën toen een kerkelijk ambtsdrager hem vermaande over het gebruik van buitensporig geweld. (De keizer was Theodosius, de pastor bisschop Ambrosius.)

Inderdaad, dat was Gods bedoeling. Dat moest de keizer doen, net als andere mensen: christen worden.

En wat moest hij toen? Hij was nu eenmaal keizer! Wat moeten regeerders? Ze moeten, net als andere mensen, het beeld van Christus vertonen. In woord en daad. In hun professie en in hun confessie. En het goede, dat wat God goed vindt, bevorderen in hun samenleving. Naar vermogen. In hun positie, met de middelen die ze daarin ten dienste staan.

 

4.  DIORAMA’S VOOR DE POLITIEK

Politici staan met beide benen in het heden. Dat geldt ook voor ons die de politiek met warme belangstelling volgen. Toch heeft het zin om, meer dan vaak wordt gedaan, lijnen door de geschiedenis te trekken. Dat hebben we in voorafgaande artikelen gedaan. Lijnen van de schepping naar de geseculariseerde wereld van nu. En van de huidige geseculariseerde werkelijkheid naar de toekomstige nieuwe wereld die God in Christus maakt.

We hebben ook vergelijkingen gemaakt tussen wat we beschouwen als het ‘corpus christianum’, perioden waarin politiek en samenleving – in Europa, in Nederland – sterker door het christendom waren gestempeld, en de huidige situatie waarin onze ervaring heel anders is.

Politiek is uniek. Toch heeft het zin om vergelijkingen te maken. We hebben de politiek vergeleken met andere gezagsrelaties. Dat is een vast bestanddeel van de leer van de kerk over het vijfde gebod. Regeerder is een ambt naast andere ambten.

Politiek is ook een vak, een beroep, en kan worden vergeleken met andere beroepen. Ook dat hebben we gedaan. En dan hebben we gezocht naar bijbelse normen en richtlijnen die voor iedereen, in wat voor beroep dan ook, gelden. Wij zijn geroepen om het beeld van Christus te vertonen.

In een beroep liggen ethiek en professionaliteit in elkaars verlengde. In het leven van een beroepsbeoefenaar liggen geloof, of levensovertuiging, en vakkennis in elkaars verlengde. Je kunt ze wel onderscheiden, maar het een kan niet goed zonder het ander. In het ene beroep mag dat meer evident zijn dan in het andere, maar in principe geldt dat op elk gebied; ook in de politiek. Ook zo trokken we lijnen door.

Verder trokken we de lijn door tussen ‘geestelijk’ en ‘burgerlijk goed’. Zo ontstaan er diorama’s, doorkijkjes, naar de politiek, die helpen bij het ontwikkelen van een visie. Deze week een afsluitend artikel.

Naar gelang van de mogelijkheden

Politici, zo was de conclusie, zijn geroepen om het beeld van Christus te vertonen, en te streven naar de verwezenlijking van Gods wil, zo veel ze dat in de gegeven situatie kunnen. Dat is in een geseculariseerde context moeilijk voor te stellen. Is dat een pleidooi voor ‘theocratie’?

Het is onder ons een gemeenplaats – in onderscheid van kringen rond de SGP – dat gereformeerden geen theocratie voorstaan. Bedoeld is: dat de overheid niet, zelfs al zou ze in meerderheid christelijk zijn, met haar macht, in wetgeving, onderdanen zal dwingen om zich aan Gods wet te houden. De openstelling van winkels, musea en zwembaden op zondag zal niet rigoureus worden afgekapt, en de eerste prioriteit zal niet zijn om de abortuswetgeving terug te draaien en de praktijk ervan te bestrijden.

Waarom niet? We kunnen het antwoord zo overnemen van De Bruijne. Het is de taak van de kerk om mensen te brengen tot gehoorzaamheid aan God, door middel van prediking, geestelijke overreding, wat we noemen bekering. Dat moet niet met uiterlijke dwang.

Ik zou het zo willen zeggen: het beeld van Christus vertonen, dat impliceert dat overheden niet klakkeloos, of zelfs opzettelijk, hun onderdanen massaal tegen de haren in strijken. “Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen”. “Stel, voorzover het in uw macht ligt, alles in het werk om met alle mensen in vrede te leven”. (Filippenzen 4: 5; Romeinen 12: 18.) Dat behoort ook tot de stijl van Christus.

Wat de overheid concreet wel of niet kan en moet doen hangt sterk af van de situatie. Er zijn moeilijk algemene regels voor te geven, en waterdichte schotten op te richten: dat wel, dat niet.

Grenzen

Dat geldt ook van de grenzen van de overheidstaak. Ooit was het een belangrijk inzicht dat een vorst geen absolute macht heeft over zijn onderdanen. Ik denk niet dat iemand hier dat vandaag nog zou willen betwisten, al zijn er her en der in de wereld nog wel telkens weer dictators en van tijd tot tijd zelfs totalitaire staten. Er is op dit gebied ook theorievorming in gereformeerde kring, zoals de ‘soevereiniteit’ of ‘autoriteit in eigen kring’. We sluiten ons ook steeds meer aan bij het denken over ‘mensenrechten’. Een nieuwe christelijke bezinning, herbronnend op bijbelse gegevens, zou denk ik vruchtbaar zijn.

Hoe dat zij, de grenzen van de overheidstaak verschuiven in de praktijk door de tijd heen. Constantijn riep een concilie samen (in Nicea). Was dat inmenging van de overheid in kerkelijke aangelegenheden? Hij wilde vrede in zijn rijk en daarvoor vond hij vrede in de kerk belangrijk. Wij zijn nu dankbaar voor dat concilie (al zegt dat niet alles).

In een democratie ligt het anders dan in een monarchie. Wij kunnen wel goede gronden hebben om aan de democratie de voorkeur te geven boven andere regeringsvormen. Maar dat betekent niet dat dat Gods wil en wet is voor alle tijden. Constantijn, en Karel de Grote, en Frederik II, hoefden niet eerst de democratie in te voeren om als christenen te kunnen regeren. (De laatste voer ik niet op als christen maar als model van een ‘verlicht despoot’.) Zij stonden niet onder de wet van de helft plus één.

Is het de taak van de overheid om regels te maken over openingstijden van winkels? We kunnen best christen zijn in een wereld waarin winkels op zondag open zijn. Maar dat wil nog niet zeggen dat, als het mogelijk is om de openstelling van winkels op zondag af te remmen, het niet belangrijk is om daar gebruik van te maken.

De overheid is het hoofd van de openbare samenleving – dat is een bekende formulering onder ons –; haar gezag strekt zich niet uit tot het privéleven van de burgers. Maar in de nood van vandaag kan de overheid niet altijd voor de voordeur halt houden.

Prioriteiten

In de politiek gelden prioriteiten. Veel hangt af van wat op een bepaald moment op de agenda staat. Moet een politicus vooral abortus en homoseksualiteit indammen? Dat standpunt geldt in de VS als rechts-christelijk. Of moet hij vooral werk maken van armoedebestrijding en ontwikkelingshulp? Dat geldt als links-christelijk. Christenen zouden niet langs deze lijnen met elkaar moeten wedijveren. Beide zijn belangrijk; ze kunnen niet tegen elkaar worden uitgespeeld; Gods wet is één. Het gaat om de vraag: wat is nu aan de orde?

De overheid stelt ook zelf prioriteiten. Een christelijke overheid vandaag kiest een speerpunt op het terrein van jeugd en gezin. En als zij haar beleid uitlegt, zal daarin heus wel eens te horen zijn dat zij zich door christelijke principes laat leiden. Zij zal zich niet al te angstvallig van ‘preken’ kunnen onthouden – op haar manier, in de stijl van de overheid. Belijders van secularisme en individualisme zullen dan wel eens steigeren, en sneren.

Dat is in onze tijd nog steeds actueel. Opkomen voor de naam van Christus in het publieke leven is nog geen achterhoedegevecht. Althans in Nederland niet, en in Amerika niet.

Secularisatie is geen onontkoombaar, rechtlijnig en onomkeerbaar proces. Groen van Prinsterer wees in zijn onlangs heruitgegeven boek Ongeloof en revolutie op de ideeën van mensen als geschiedenisvormende macht. En inderdaad, dan kun je makkelijk overstelpt worden door de macht van de zonde in de wereld en als resultaat overal secularisatie zien. Maar boven alle menselijke factoren uit gaat Gods voorzienigheid als geschiedenisvormende kracht. Laten we daarin vooral zijn genade, goedheid en geduld opmerken en prijzen, ter bemoediging, en ter aanmoediging om die te verwachten en af te smeken. Na de Franse revolutie heeft zich ‘het wonder van de negentiende eeuw’ voorgedaan. Groen, nog getuige van een deel ervan, vriend van de afgescheidenen maar zelf niet afgescheiden, heeft het geen plaats gegeven in zijn donker-gekleurde Geschiedenis van het vaderland. De twintigste eeuw was in de Nederlandse politiek minder geseculariseerd dan de liberale negentiende. Na paars zien we weer meer christelijke invloed in het huidige ‘VU-kabinet’ of ‘kabinet van Dooijeweerdianen’.

Ik kijk niet door een naïeve, christelijke roze bril. Maar tegen de achtergrond van de wereldsheid van de wereld verbaas ik me over Gods genade. (Waarbij ik niet een al te scherpe onderscheiding maak tussen ‘algemene’ en ‘bijzondere genade’.) Wie had verwacht dat op de Middeleeuwen een Reformatie zou volgen, waar wij nu nog steeds de vruchten van plukken?

Theocratie als visie

Die broeders en zusters vandaag in het kabinet en de volksvertegenwoordiging verdienen onze steun. Ze kunnen huilen, als een mooi kind wordt geaborteerd omdat het een onderbeen mist. Ze kunnen het gevoel krijgen dat beleid voor jeugd en gezin, in een samenleving met zoveel echtscheidingen, individualisme en verslavingen, dweilen met de kraan open is. En toch gaan ze door met het goede voor de samenleving te zoeken. In hun positie, met hun macht. In de gegeven omstandigheden. Met geloof in Gods genade.

Op het moment dat ik dit schrijf is de discussie over het wetsartikel tegen smalende godslastering nog in volle gang. Prima. Als het sneuvelt, hoeven we daar niet dramatisch over te doen. Maar zo lang de discussie doorgaat, wordt Nederland op deze manier nog met de naam van God geconfronteerd. Ons land en volk heeft met hem te maken; niet alleen op de jongste dag; ook nu al kan uit smalende godslastering niets goeds voortkomen.

Ik zou de stelling willen wagen dat een christenpoliticus niet kan zonder de theocratie als visie, als ideaalbeeld om voor ogen te houden. Niet in de betekenis zoals even eerder gedefinieerd: Gods wet opleggen met geweld. Maar wel in deze zin: Christus tot gelding brengen, zijn beeld vertonen, Gods bedoeling bevorderen… Hij moet uiteindelijk alles in allen zijn!

Ik zou nog verder willen gaan en de stelling wagen (met de woorden van artikel 36 NGB in m’n achterhoofd) dat de overheid zo mogelijk, binnen de haar gegeven grenzen, ook de belangen van de kerk moet bevorderen. Niet in de zin dat ze partijdig kan zijn: in de gegeven situatie – die anders is dan onder Constantijn of in het Genève van Calvijn – kan de overheid niet één religie of gezindte bevoordelen boven andere. Maar in het volgende dilemma zijn twee actuele, of althans recente, vragen samengebracht: moet de overheid het behoud van kerkgebouwen van doodgebloede kerkgemeenschappen subsidiëren als religieus erfgoed, of moet ze springlevend kerkelijk of parakerkelijk jeugdwerk blijven subsidiëren? Er is nog ruimte voor beleid!

Voorbede

Ik wil m’n conclusie zo samenvatten:
Als wij te maken hebben met de situatie dat
–          Veel mensen – royalty, politici, en vele anderen, die een belangrijke functie hebben en vaak veel goed doen in de samenleving, in Nederland en elders – Christus niet erkennen als hoogste koning en heer, en God als de enige bron van al het goede, publiek en (vermoedelijk) privé, in beleid en belijdenis,
–          Een groot aantal anderen met de mond belijden christen te zijn, maar daar bedroevend weinig van laten zien in hun optreden,
Dan is dat niet omdat
–          Dat nu eenmaal (nog) niet hoeft en niet Gods bedoeling zou zijn,
–          Politici als zodanig daar niet toe geroepen zouden zijn, of
–          Het nu eenmaal niet realistisch zou zijn om dat van ze te verwachten,
Maar dan moet dat ons ertoe brengen om
–          Die situatie te betreuren en ons erover te verootmoedigen, er klein onder te weten (in de stijl van de slothoofdstukken van Job: “Heb jij soms de power en de invloed om hooggeplaatste ongelovigen tot de orde te roepen of zelfs te bekeren?”);
–          Temeer het geheimenis te koesteren van het geloof en de blijde verwachting dat God in Christus alles nieuw maakt en recht trekt, en daarnaar te verlangen, nu al;
–          Zo mogelijk er iets aan te doen;
–          Vol te houden in het gebed: Heer Jezus, kom! Laat de hele wereld merken dat u Heer bent!

Tenslotte werk ik de conclusie uit in een suggestie voor het gebed voor de overheid (in navolging van Prof. De Bruijne). Laten we bidden
–          Dat de regeerders zich mogen onderwerpen aan God, en aan Christus, de hoogste koning;
–          Dat God ze zal leiden met zijn Geest van wijsheid, ook als ze die zelf niet van hem verwachten;
–          Dat de onderdanen hun beleid mogen begroeten met een positieve grondhouding;
–          Dat de regeerders zo dienstbaar mogen zijn aan Gods beleid in Christus, en hun onderdanen tot zegen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *