Ordinarium

Inhoud

•    Gekostumeerde kerkdienst
•    Oecumenische kerkdienst

De volgende punten komen aan de orde:
1. Literair
2. Compositie
3. Alverzoening?
4. Veeleisend
5. Vorm… en inhoud
6. Verdere studie

De Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKv) hebben het ‘ordinarium’ als orde van dienst drie jaar lang kunnen ‘beproeven’, volgens besluit van hun Generale Synode in 1999. De Synode van 2002 besloot de proef niet te verlengen, omdat er in de kerken te weinig belangstelling voor dit model bleek te zijn. In een tweetal artikelen, gepubliceerd in De Reformatie van 31 juli en 14 augustus 2002, heb ik het ‘ordinarium’ kritisch besproken.

GEKOSTUMEERDE KERKDIENST

Leuk: een trouwerij! Het bruidspaar stapt juist uit de auto en loopt (schrijdt) langzaam naar de deur van het stadhuis – misschien is er een bordes -, gevolgd door de rest van het feestgezelschap. Dan blijven de voorbijgangers even staan kijken. De meeste aandacht gaat naar hoe de bruid eruit ziet, haar kleding (toilet).

Nog bijzonderder is het als de stoet in koetsjes komt. Er was een tijd dat alles zo veel mogelijk gewoon, sober of zelfs alternatief moest; niet zelden kwam een bruidspaar in een Lelijke Eend aanrijden. Maar die mode is inmiddels al weer zo lang geleden – jaren zestig, zeventig -, dat veel jongeren het zich niet eens herinneren. Sindsdien is ‘stijl’ weer veel meer in gekomen (totdat, nu, iedereen z’n eigen stijl kiest).

Als de stijl antiek of nostalgisch is, zou het eigenlijk het meest passend zijn als het hele gezelschap dienovereenkomstig gekleed is: heren in jacquet, met hoge hoeden en handschoenen, dames met lange wijde rokken en opbollende korte mouwen…

Eeuwenoud

Op de tafel van de Generale Synode ligt een voorstel voor een liturgie in heel oude, heel klassieke stijl: de stijl van de oude kerk. Een ‘orde van dienst met ordinariumstructuur’. Met alles erop en eraan. Heel oude teksten, die van het zogenaamde ‘ordinarium’, de ‘gewone’ teksten, die het hele jaar door werden gebruikt. In een in veel opzichten oud taalkleed, al is het op een enkel punt wat aangepast; ook door de verhevenheid doet de taal vaak archaïsch aan. Met oude melodieën in oude muzieknotatie. Ds. K. de Vries sprak eerder in dit blad dan ook van ‘liturgische verouderingen’: dit ter geruststelling voor wie veranderingen wantrouwt als nieuwlichterij.

Prachtig is dat: zingen samen met de kerk van de eeuwen. Je waant je in een kathedraal. Je zingt het ‘Sanctus’ (“Heilig, heilig, heilig is de HERE der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol!” – een bijbeltekst, een engelentekst), en je kunt in gedachten het Sanctus uit Bachs Hoogmis horen. Al die prachtige muziek van klassieke componisten op de mistekst krijgt de kans om mee te resoneren.

Voorganger en gemeente wisselen elkaar af, veelal zonder aankondiging; soms in beurt-spraak: “Verheft uw harten tot God” – “Wij heffen ze op tot de Heer”.

De vorige Generale Synode gaf opdracht voor het ontwerpen van zo’n orde van dienst, nadat het deputaatschap eredienst daar in haar toenmalige rapport daar een suggestie voor had gedaan.

Discussie

Deputaten verdedigen hun voorstel degelijk en bekwaam. En rustig, zonder drammerigheid. Gedachtig aan het feit dat wij overvoerd worden met informatie, maken ze rijkelijk gebruik van het middel van de herhaling: veel van wat ze in hun rapport van drie jaar geleden al over deze liturgie schreven horen, we hier terug, zodat alles nog eens duidelijk op een rijtje staat.

Achtergrond in dat rapport van drie jaar geleden was een inleiding in de christelijke liturgie, die het waard is om gebruikt te worden als handboekje, in plaats van in een archief te worden bijgeplaatst. Maar dat terzijde.

Ik ga het voorstel van deputaten hier niet beschrijven of samenvatten. Ik wil alleen, puntsgewijs, wat opmerkingen van een andere kant laten horen. Ten dele kritisch. Ten dele in de zin van: Laten we, voor we dit gaan doen, daar- en daar nog eens goed over nadenken. Dat kan de indruk van eenzijdigheid wekken, meer dan bedoeld is; maar goed, dat brengt een discussie met zich mee.

Ik geef toe: het is op de valreep. Toch lijkt me dat beter dan achteraf.

1.  Literair

De ‘ordinarium’-teksten zijn eerbiedwaardig door hun ouderdom. Maar zijn het eigenlijk, als je ze nog eens met nieuwe ogen bekijkt, wel zulke sterke teksten? Ik doel nu op de literaire vorm.

Het komt niet bij me op het Credo te bekritiseren op dit punt. Ik concentreer me op het ‘Gloria’.

Na de tekst van de engelenzang uit Lukas 2 volgt: “Wij loven U, / wij zegenen U, / wij aanbidden U, / wij verheerlijken U, / wij zeggen U dank voor uw grote heerlijkheid”. Vijf keer ongeveer hetzelfde. Daarvan vier keer ook nog in vrijwel dezelfde vorm. Is dat niet wat overladen? Werkt dat ook niet wat vermoeiend?

Deputaten hebben ergens anders kritiek geoefend op het lied: “Vader, ik aanbid U…”, een bij velen bekend lied uit het opwekkingsgenre. Het klinkt wel mooi en lofprijzend, zeggen ze, maar het is toch geen goed lied, want er wordt niet in gezegd waaròm je God aanbidt. Ik deel die kritiek. Het maakt veel opwekkingsliederen nogal oppervlakkig. Maar deze passage uit het Gloria doet daar toch wel sterk aan denken!

Verderop in het Gloria komt er wel enige motivering. Maar dan zijn we al weer een heel eind verder. En het komt eigenlijk niet goed van de grond. En voordat er een motivering gegeven wordt, is de lofzegging al weer overgegaan in een smeekgebed.

“Wij zeggen U dank voor uw grote heerlijkheid”. Dat is wat vreemd. Voor Gods heerlijkheid eerbiedig je Hem, prijs je Hem… Maar danken? Je dankt God voor zijn liefde, zijn genade, zijn zorg, enzovoort, maar niet zozeer voor zijn heerlijkheid. Er is misschien wel een goede zin aan deze zinsnede te geven – theologen zijn vaak goed in zulke beredeneringen -, maar zoals het hier staat, blijft er iets wringen. De tekst is niet alleen oud, maar heeft ook iets primitiefs.

Deputaten geven overigens bij elke ordinarium-tekst als alternatief een aantal gezangen, waarvoor deze bezwaren niet gelden. (Waarom trouwens alleen gezangen, en geen psalmen?, zoals bij het Kyrie Psalm 130, bij het Gloria Psalm 103 of 145, bij het Sanctus Psalm 99?)

2.  Compositie

Een volgend punt van kritiek betreft de compositie van de ‘ordinarium’-teksten tot een geheel, één eredienst.

Deputaten geven zelf zorgvuldig de herkomst van de teksten aan. Oorspronkelijk vormen ze geen liturgische eenheid. Verscheidene zijn afkomstig uit uiteenlopende persoonlijke gebeden, en hebben naderhand een plaats in de gemeentelijke eredienst gekregen. Is er eigenlijk ooit, in dat grijze verleden, wel nagedacht over de volgorde? Achteraf kun je daar misschien wel diepzinnige dingen over zeggen. Deputaten geven van elk onderdeel wel aan wat de plaats ervan is in het geheel van de eredienst. Eerdere delen horen bij het ‘Woord’-gedeelte van de dienst; de geloofsbelijdenis, als middelste tekst, markeert de overgang; de delen daarna horen bij het ‘tafel’-gedeelte.

Toch vertonen de teksten in hun onderlinge volgorde, inhoudelijk gezien, geen duidelijke compositie. Er zit geen lijn in het geheel. Er is geen voortgang van een begin naar een eind.

Smeekbede en lofzegging

De teksten cirkelen rond twee polen: smeking en lof. Dat is een oer-structuur van de liturgie; zo gaan wij met onze God om; ook in de Psalmen is dat zo.

De eerste tekst is een smeekgebed vanuit de diepte: Heer, Christus, heb medelijden! De tweede is het Gloria; zoals gezegd: een lovende tekst met smekingen erin. Dan komt het Credo, de geloofsbelijdenis. Dan het Sanctus, “Heilig…”, met het Benedictus: “Gezegend Hij die komt in de naam des Heren!” – een uitbundig lovend tekstgeheel. En tenslotte het Agnus Dei: “Lam van God, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm U over ons, geef ons uw vrede”. Het begin is een lofspreuk, het slot een smeking.

Het uitgangspunt is, dat het letterlijk om ‘ere-dienst’ gaat. De hele liturgie is getoonzet op de lof op God. Merkwaardig is dan wel, dat begin en eind smekend zijn.

Smeking en lof horen bij elkaar. Deputaten tonen het met Schriftbewijs aan. Dat is een diepe les; de gemeente doet er goed aan, zich die voortdurend eigen te maken. Wij zijn als mensen geneigd ze uit elkaar te trekken, maar dan wordt de smeking kleingelovig en de lof oppervlakkig.

Weinig lijn

Maar in de ordinariumteksten wordt die samenhang niet goed duidelijk. Ik gaf het al aan in het voorbeeld van het Gloria: daarin buitelen beide elementen als het ware over elkaar heen. Ook het ordinarium als totaal wekt de indruk, voortdurend tussen beide heen en weer te pendelen, zonder dat dat inhoudelijk voldoende inzichtelijk wordt.

Het heeft daardoor iets statisch. Dat hoeft op zich nog niet negatief te zijn. Wij hoeven niet onze Westerse behoefte aan dynamiek aan de liturgie op te leggen.

Maar al met al heeft het ‘ordinarium’ iets van een lappendeken. Ook emotioneel gezien.

Dat kan wel anders. Uitgaande van dezelfde uitgangspunten. Het Psalmboek geeft het aan. Aan de hand daarvan kan ik nog wat duidelijker maken wat ik bedoel.

 Psalmen

Davids psalmen vertonen twee grote groepen: aan de ene kant klaag- en smeekliederen, aan de andere kant dank- en lofliederen. Zetten we de verschillende elementen uit de beide genres achter elkaar, dan krijgen we in grote lijnen het volgende:

1. Aanroepen van God: Here, U bent mijn helper! Dat is in wezen een lofzegging.
2. Klacht: Ik zit in nood. Beschrijving van de nood.
3. Smeking: Here, help mij!
4. Gelofte: Dan zal ik U prijzen!
5. Een woord van God, aangehaald; God zegt: Ik ben je bevrijder, Ik zal je helpen.
6. Dank: De Here heeft mij bevrijd!
7. Verhaal: Dit heeft de Here met mij gedaan; ik heb tot Hem geroepen uit de nood, en Hij heeft mij geantwoord.
8. Lof, met oproep aan de broeders en zusters om daarmee in te stemmen: Loof met mij de Here, want Hij is een reddend God!

(De collega-theologen verwijs ik hierbij graag naar C. Westermann, Lob und Klage in den Psalmen.)

Hier hangen smeking en lof ook nauw samen. In praktisch elke afzonderlijke psalm komen beide elementen voor. Er is ook wel een zeker heen-en-weer tussen beide. Toch is er een duidelijke voortgang van begin naar einde; die is inzichtelijk, er zit een zekere logica in.

Er is op gewezen, dat in de klassieke gereformeerde liturgie deze structuur is te bespeuren. Na een inleidend tot God gaan en zijn naam aanroepen, is er het smeekgebed uit de nood van de schuld, later klinkt het Woord van God, en tenslotte is er de lof en dank in geloofsbelijdenis, voorbede voor vele anderen, het eventuele viering van het sacrament, danklied en het geven van dankbare gaven.

Ik zeg niet dat dat de enig juiste structuur van de liturgie zou zijn. Maar deze liturgie vertoont wel structurele kwaliteiten waarin de ordinariumstructuur tekort schiet.

Als we behoefte hebben aan een orde van dienst met een ‘ordinarium’ van vaste teksten, dan lijkt het me mooi om een reeks van teksten, ontleend aan de Psalmen, in een orde zoals boven aangegeven, op te stellen, een soort ‘David-ordinarium’.

Tot zover deze twee kritische vragen rond de voorgestelde orde van dienst. Volgende week nog een aantal.

OECUMENISCHE KERKDIENST

Er is iets moois in om samen met de kerk van vele voorbije eeuwen God te loven en aan te roepen in een dienst volgens het ‘ordinarium’. Dat is echt oecumenisch!

Maar zijn die teksten, op de keper beschouwd, wel allemaal zo sterk? Is de keuze ervan, en de compositie ervan tot één geheel, wel zo geslaagd? Die bedenkingen heb ik vorige week opgeworpen. Deze week nog enkele punten ter overweging.

3.  Alverzoening?

We komen nu meer bij de inhoud van de ‘ordinarium’-teksten. Het Credo, de geloofsbelijdenis van Nicea, heb ik altijd, bijvoorbeeld bij het luisteren naar Bachs Hohe Messe en andere miscomposities, inhoudelijk als stralend hoogtepunt ervaren. (En het betreurd en als veelzeggend ervaren, als een componist het artikel over de kerk wegliet.) Daar herken ik mezelf het meest in. Dat kan ook komen doordat dat gedeelte het meest vertrouwd is, het meest eigen. Voor het overige…

Er is blijkbaar bij deputaten nogal wat kritiek binnengekomen, dat de tekst van het ordinarium hier en daar voet zou geven aan de ‘consecratie’-gedachte: dat Christus lichamelijk in de tekenen van brood en wijn zou komen. Ik vind de tegenargumentatie van deputaten overtuigend. Je moet de teksten niet wantrouwend en angstig lezen; en als je dat niet doet, hoor je dat er niet in. Een gereformeerde vandaag zal er echt niet door verleid worden tot die rooms-katholieke dwaling.

Maar er is vandaag de dag mijns inziens ook gevaar, en wel uit een heel andere hoek. Dat is de gedachte van:

“God is goed, liefdevol, medelijdend voor alle mensen. Andere mensen en groepen hebben hun eigen geloofsovertuiging; binnen het christendom, of in andere godsdiensten. En hun eigen levensstijl. Wij oordelen daar niet over. We hebben wel onze zorgen; we willen zelf wel blijven bij onze eigen ‘overtuiging’. Maar we hopen maar, dat die liefdevolle God ze allemaal zalig laat worden. Wij zeggen niet dat er ook mensen verloren gaan.

We ontkennen dat laatste ook niet direkt. Het staat in Schrift en belijdenis, het wordt ook nog wel vanaf preekstoelen gezegd. Maar we doen er liever het zwijgen toe. We hebben geen vrijmoedigheid meer om te belijden dat Christus, door wie wij geloven behouden te worden, ook echt de énige weg is.”

Onze tijd

Naar mijn inschatting is dit levensgevoel (‘postmodern’, maar misschien niet eens zo heel nieuw) vandaag de dag een reële bedreiging, die ook onze kerkdeuren niet voorbijgaat. Ik proef het bijvoorbeeld op catechisatie.

Zo’n dertig jaar geleden was dat nog anders. Toen leefden we nog meer apart temidden van onze omgeving en benadrukten we al maar waarin we van anderen, ook andere christenen, verschilden. Maar inmmiddels is onze openheid naar de samenleving sterk uitgestulpt. En om ons heen, in de brede oecumene, heerst het klimaat van de alverzoening al volop; aansluitend bij de samenleving als geheel.

Ik vind dat de tekst van het ordinarium daar weinig verweer tegen biedt.

Een voorbeeld. “Heer, erbarm U!” – dat is niet alleen de uitroep aan het begin, maar dat gaat als een rode draad door de liturgie. En dat kunnen we allemaal meebidden. Een gebed (zo leggen deputaten het uit) voor de hele schepping, die in barensnood is. Een gebed (zo leeft het bij de kerkganger van vandaag) voor slachtoffers van een overstromingsramp en voor de vluchtelingen van Kosovo. Prima.

Maar waar klinkt in deze reeks liturgische teksten (afgezien van het Credo) het fundamentele bijbelse besef op, dat God in Christus een gemeente verlost heeft uít de wereld, die onder zijn toorn valt? In de weg van geloof en bekering? Dat Hij die gemeente uitgekozen heeft, dat Hij scheiding maakt?

 IJl

De teksten deugen wel. Er komt geen onvertogen woord, laat staan leer, in voor. Er komen verscheidene bijbelteksten in voor. En als je die in hun contekst leest, en ze zo bepreekt worden, dan gaat daar een geweldige kracht van uit. Maar is die contekst ook present in de beleving van de eredienst-vierende gemeente?

Ik maak weer de vergelijking met de Psalmen, als ijkpunt. Die spreken concreter. Ze staan meer midden in de strijd op aarde. Ze vertèllen meer; ze prijzen vertellend de grote daden van God. Hoe Hij ingrijpt in de geschiedenis, hoe Hij strijdt, waarvoor en waartegen.

Vergeleken daarbij hebben de ordinarium-teksten iets ijls. Ze verbinden de liturgie van de kerk met die van de engelen – ja, nogal eenzijdig. Ze galmen tussen hoge pilaren. En ze staan vast, ze zijn altijd hetzelfde.

In de eeuwen dat de kerk deze liturgie praktiseerde, werden de psalmen stukgezongen, -gereciteerd. Onze tijd is anders.

Niet naïef

Ik wil nieuw-voorgestelde liturgische teksten niet angstig-wantrouwend benaderen, maar we moeten het ook niet naïef doen. Na vele eeuwen gereformeerde liturgie – een kwart van de totale kerkgeschiedenis tot nu toe, en gemiddeld bepaald niet het slechtste gedeelte – halen we nu weer een tekst van daarvóór uit de archiefkast en stoffen die af. Dan doen we er goed aan, ons af te vragen: wat betekent dat vandaag, in deze situatie? Dat is m.i. nog belangrijker dan de vraag wat voor bezwaar Calvijn destijds al of niet tegen het ordinarium gehad kan hebben.

Deputaten constateren (in een onschuldig verband) opgewekt dat in ‘andere kerken’ deze liturgie ook wordt gebruikt. Heeft dat gegeven geen oranje lampje bij ze doen aanflitsen? Die andere kerken zijn niet bepaald onze broederschap in de wereld, die staan in de strijd voor hetzelfde geloof!

Ik had graag gezien dat ze ergens in hun verhaal op dit punt waren ingegaan. Misschien kan dat op de synode alsnog.

4. Veeleisend

Deputaten lichten de ordinarium-liturgie kundig toe. Die toelichting is ook wel nodig. Dat hebben we al gemerkt. Nog een voorbeeld. “Heer, erbarm U” is niet bedoeld als verootmoedigingsgebed, zeggen ze, maar als gebed voor de nood van de hele schepping. Ik wil dat van ze aannemen, maar hoe wordt dat aan de gemiddelde kerkganger duidelijk? Dit onderdeel staat aan het begin. Merkwaardigerwijs net als in ‘Middelburg 1933’. En dat terwijl we er sinds ‘Kampen 1975’ zó van overtuigd waren dat het voorbedengebed ‘voor de nood der ganse christenheid’ juist niet daar moest, maar na de preek! Hoe krijg je dit er bij de gemeente in?

Om deze liturgie in de praktijk te kunnen gebruiken, is nog veel meer toerusting van de gemeente nodig. Ze moet precies weten wat ze op welk moment moet zeggen, of zingen. Ze moet zich, als ze de authentieke gezongen teksten wil gebruiken, een andere muzikale stijl eigen maken. Voor dat laatste is, zoals deputaten aangeven, een ‘cantorij’ nodig. Veel gemeenten zullen nog niet weten wat dat precies is. Het lijkt me toe dat je dan ook ter plaatse een cantor nodig hebt (het beroep dat onder andere Bach heeft uitgeoefend).

Eredienst moet je leren. Dat is prima, dat mag je in de gemeente van elkaar vragen. Intussen is de ervaring niet gunstig. Ik spreek uit vakantie-ervaringen in met name Evangelisch-Lutherse kerkdiensten. Het spreken van de gemeente blijft, ook na vele jaren, in het algemeen tot mompelen beperkt, en ook de zang is vaak zwak en aarzelend, met hier en daar een heldere stem.

Hoeveel tijd en energie kunnen we als plaatselijke kerken hier in steken? Hoe hoge prioriteit kunnen we eraan geven (want dit is niet het enige op de agenda van de gemeente)? Hoeveel deskundigheid hebben we ervoor beschikbaar? Welk niveau denken we, per gemeente, te kunnen halen? Dat zijn vragen waar we mijns inziens beter goed over na kunnen denken, voor we tot invoering besluiten.

5. Vorm…

De ordinarium-liturgie is vormenrijk. Dit in tegenstelling tot de gereformeerde liturgie, die veel soberder is. De indruk wordt nogal eens gewekt (ook in het vorige rapport van deputaten), dat dat een verrijking is. Willen we onze liturgie mooier maken en de kwaliteit ervan verhogen, dan hebben we rijkere vormen nodig.

Mijns inziens is hier een misverstand in het spel. Soberheid is niet per definitie armer dan vormenrijkdom. Een gotische of barokke gevel is als zodanig niet mooier dan een renaissance- of een moderne gevel. Strakke, eenvoudige vormen kunnen heel esthetisch zijn.

Waar het op aankomt, is stijl. Die moet passend zijn. Eenzijdig geformuleerd: een doordachte, zorgvuldig vormgegeven, sobere liturgie is stijlvoller dan een weelderige, overladen, of te hoog gegrepen vormgeving.

Beide benaderingen, zowel een ingetogen als een uitbundige, hebben ieder hun eigen recht.

Maakte de gereformeerde liturgie wel eens een statische indruk door de vaste volgorde van betrekkelijk weinig onderdelen – de ordinariumliturgie kan door heel andere factoren, namelijk het telkens terugkeren van dezelfde teksten, eveneens statisch werken.

…en inhoud

Een ander verschilpunt is dit: de gereformeerde liturgie is nogal sterk didaktisch. Dit wordt naar voren gebracht als een krachtig argument voor een nieuwe liturgie, die meer getoonzet is op de lof op God. Het gaat tenslotte om ere-dienst! Het onderwijzen van de gemeente kan z’n plaats krijgen in dàt kader. Door de grote daden van God prijzend te verkondigen, onderwijst de voorganger de gemeente.

Dat is een solide en voor mij overtuigend betoog. Toch wil ik aandacht vragen voor de andere kant.

We weten uit het verleden al bij voorbaat, op wat voor weerstanden deze benadering in de gemeente stuit. Meer ‘liturgie’, dat gaat ten koste van de preek!, zal men zeggen. En: Zo zijn de synodalen ook begonnen; we gaan de synodalen achterna!

Ik heb me in de gemeente al vaak gezet aan de weerlegging van die laatste uitroepen. ‘De synodalen’ zijn begonnen met een menselijke opvatting boven het Woord van God te stellen, en vervolgens het Woord van God inhoudelijk af te zwakken. Daar ligt het eigenlijke gevaar voor de kerk; niet in een verrijking aan liturgische vormen en teksten.

Maar nu toch de vragen en bedenkingen. Wordt het didaktische accent in de nieuwe liturgie niet ontegenzeggelijk minder? Zo ja, is dat accent dan minder nodig? En als het onderwijzen van de gemeente even noodzakelijk blijft, naar welke plek in het gemeenteleven wil men dan de wegvallende hoeveelheid onderwijzing overboeken?

Of denken we, zijn we ervan overtuigd, dat bij een ander accent in de eredienst en een geringer aantal minuten voor de preek, het gehalte en de kracht van de onderwijzing onverminderd op peil zullen blijven?

Het is niet uit te sluiten. We kunnen ons ervoor inzetten en er het beste van hopen. We kunnen dat doen in gelovig aanroepen van de Heilige Geest.

Liturgie van goud…

Maar de ervaring uit de kerkgeschiedenis is op dit punt niet gunstig. Liturgische vormen zijn vaak opgebloeid in een kerk die niet sterk was in de strijd voor het geloof. Van de andere kant is van een ‘hoogkerkelijke’ eredienst, die rijk was aan vormen – architecturaal, muzikaal, qua kleuren en gewaden – veelal geen sterke levensvormende kracht uitgegaan. En de eredienst op zondag moet toch een hoogtepunt zijn van een gemeenteleven dat in z’n gehéél ‘liturgie’ is, ere-dienst voor God!

Wanneer dan, in reactie op zo’n rijke liturgie, de nadruk weer gelegd werd op onderwijzing, op prediking, dan was dat meestal een tendens (meer of minder gelukkig) van reformatie van kerk en leven, en een opleving van missionair elan.

Ik denk voor deze beide samenhangen aan de Middeleeuwen en de Reformatie, aan de Anglikaanse kerk, aan piëtisme en methodisme, en aan de liturgische beweging van de twintigste eeuw.

Nog iets: in het verleden bleek een vormenrijke liturgie vaak vooral aantrekkingskracht uit te oefenen op hoger-opgeleiden.

Wij gaan niet ‘de synodalen achterna’! Dat zijn we bepaald niet van plan! Maar we moeten in alle ootmoed niet uitsluiten, dat dat wel kàn gebeuren. Ze staan al klaar om ons toe te roepen: Binnen zoveel tijd zijn jullie ook zover! Zoals zij zelf ook de Hervormden achterna zijn gegaan.

De kerk-volks-mond zegt: “Kerken van goud, dominees van hout”, en omgekeerd. Toegegeven, het is geen indrukwekkende theologie; maar…

Het zijn sterke benen, die de weelde kunnen dragen, de weelde van een rijk vormgegeven liturgie. Sterk qua leervermogen, maar ook qua religieus gehalte. God sta ons bij!

6. Verdere studie

Nog een laatste punt van heel andere aard. Deputaten hebben keurig hun takenlijstje afgewerkt in de door de Generale Synode vastgestelde volgorde: na het opstellen van een orde van dienst met ordinarium-structuur komt de opdracht om te bestuderen hoe de liturgie meer in aansluiting aan de eigen tijd vormgegeven kan worden. Deputaten melden dat ze aan dat laatste niet meer toegekomen zijn, maar dat ze zich graag ter beschikking houden om daar in een volgende periode aan te werken.

Het is wel verklaarbaar dat de volgorde zo is uitgevallen, maar is het eigenlijk niet de omgekeerde wereld? Je zou toch zeggen: eerst de uitgangspunten, dan de vormgeving.

Het zou kunnen zijn dat de conclusie uit zo’n toekomstig onderzoek wordt dat er beter toch maar geen ordinarium-liturgie kan komen; of dat die toch maar beter anders uitgewerkt kan worden.

Of krijgen we straks naast ‘ordinarium-diensten’ ‘eigentijdse diensten’? Naast een hoogkerkelijke een evangelsche liturgie? Voor elk wat wils? Het past in deze tijd. Het ene bruidspaar komt in een koetsje naar het stadhuis, het andere in een Mercedes. Maar willen we dat?

Opgelucht?

Al deze vragen en bezwaren zijn niet van die aard dat ik niet zou willen meewerken aan een ‘ordinarium-dienst’, in de kerkbank of ook als voorganger. Ik houd wel rekening met de mogelijkheid, dat we – om terug te gaan naar het beeld waar ik vorige week mee begon -, na de bruiloft in oude stijl, in koetsjes en met bijpassende kleding, opgelucht onze hoeden afzetten, de heren hun jacquets en de dames hun hoepelrokken uittrekken en in de kast hangen, ons gewone klofje weer aantrekken, en blij zijn dat het nog zo-en-zolang duurt voordat we er weer aan toe zijn. We kunnen nu nog overwegen in hoeverre we dat willen.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *