Eer voor de koning

Het Wilhelmus blijft. Het wordt in deze dagen weer veel gezongen. En dat zal doorgaan, terwijl binnen de kortste keren niemand zich meer het ‘koningslied’ zal herinneren. Maar het is wel een moeilijk lied. Dat “van Duytschen bloet” daargelaten (Willem-Alexander is bijna helemaal ‘van Duitsen bloed’, en dat is hem, meer dan zijn broers, aan te zien; maar hij is Nederlands genoeg) – dat van die ‘koning van Hispanje’ is toch wel wat verwarrend. In de tijd dat de economische crisis in Spanje volop in het nieuws was, werden daar wel grapjes over gemaakt. “…Altijd geëerd’ – wat moeten we daarmee?

Het Wilhelmus is een uniek volkslied. Volksliederen zijn altijd een uiting van nationale of regionale trots. De teksten zijn meestal ronkend. Het Wilhelmus is nederig.

Het hele lied, vijftien coupletten, is Willem van Oranje (1533-1584) in de mond gelegd. Hij is de ik-figuur. De strofen beginnen met de achtereenvolgende letters van zijn naam.

 Aan het hof

Willem kwam uit een protestants vorstengeslacht, maar groeide vanaf zijn elfde jaar op aan het hof van keizer Karel V, de koning van Spanje, bij wiens rijk ook de Nederlanden hoorden. Hij was geen calvinist en zeker niet als het kenmerkend is voor calvinisten om zaken op de spits te drijven. Hij werd de vertrouweling van Karel en was dan ook nauw betrokken bij diens zoon en opvolger Filips II. De koning benoemde hem tot graaf van Holland, Zeeland en Utrecht.

Een gezond zelfrespect ontbreekt niet in het Wilhelmus. Willem weet zich een prins van den bloede.

“Edel en hooggeboren,
van keizerlijken stam,
een vorst des rijks verkoren,
als een vroom christenman,
voor Godes woord geprezen,
heb ik, vrij onversaagd,
als een held zonder vrezen
mijn edel bloed gewaagd.”

Verdrukking

Maar dat is in het lied een detail. De sfeer is grotendeels nederig. Willem heeft de confrontatie met Filips, de koning van Spanje, niet gezocht. Tegelijkertijd hield hij van zijn Nederlandse volk. Hij kon het niet aanzien hoe dat volk, vanuit een roomse overtuiging en een karakteristieke starheid, werd onderdrukt, met Inquisitie, economische middelen en militair geweld. Hij nam het voor ze op.

“Niet(s) doet mij meer erbarmenWilhelmus
in mijnen wederspoed
dan dat men ziet verarmen
des Konings landen goed.
Dat u de Spanjaards krenken,
o edel Neerland zoet,
als ik daaraan gedenke,
mijn edel hart dat bloedt.”

Verlies

Willem verloor veel in die eerste jaren van de Tachtigjarige Oorlog. Dat leidt tot de ernstige en zelfs verdrietige toon die het lied doortrekt.

“Lijf en goed al te samen
heb ik u niet verschoond (…)
Graaf Adolf is gebleven
in Friesland in den slag…”

“Zo het den wil des Heren
op dien tijd had geweest,
had ik geern willen keren
van u dit zwaar tempeest.
Maar de Heer van hierboven,
die alle ding regeert,
die men altijd moet loven,
en heeft het niet begeerd.”

De weg omhoog, die leidde tot een zelfstandig en vrij Nederland, heeft hij niet meer mogen meemaken.

Vertrouwen

Het lied vergelijkt Willem met David in de tijd dat hij “moest vluchten / voor Saul de tiran”. Daarmee gaat het sterk op een psalm lijken. David heeft Saul “altijd geëerd”, al lag het in de loop van de jaren meer dan eens erg voor de hand dat hij tegen hem in opstand zou komen.

 Maar Willem vertrouwde dat het goed zou komen. Met hem zelf:

“Na ’t zuur zal ik ontvangen
van God mijn Heer dat zoet,
daarna zo doet verlangen
mijn vorstelijk gemoed:
dat is, dat ik mag sterven
met eren in dat veld,
een eeuwig rijk verwerven
als een getrouwen held.”

Maar het zou ook goed komen met zijn Nederlandse volk.

“God zal u niet verlaten,
al zijt gij nu bezwaard.”

“Uw herder zal niet slapen,
al zijt gij nu verstrooid.
Tot God wilt u begeven”.

Typisch christelijk is het perspectief in dit lied: het onder ogen zien van lijden en teleurstelling in deze aardse werkelijkheid in het vertrouwen op God voor het leven nu en hierna.

Majesteit

In de laatste strofe komt het Wilhelmus terug op dat eren van de koning van Spanje. En omdat we dat eind zelden halen, mag dat wel even extra aandacht krijgen.

“Voor God wil ik belijden
en zijner groten macht,
dat ik tot genen tijden
den Koning heb veracht,
dan dat ik God den Heere,
der hoogsten Majesteit,
heb moeten obediëren
in der gerechtigheid.”

Willem was van jongs af aan geoefend in respect voor Karel en Filips. Maar het eren van de koning van Spanje heeft een grens. Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen. Boven de aardse koning uit gaat de hemelse Koning.

En die gehoorzaamheid aan God betekende voor Willem: het opnemen voor het onderdrukte volk waar hij verantwoordelijkheid voor droeg, een verantwoordelijkheid die de koning van Spanje hem zelf had opgedragen. Wij zouden zeggen: hij moest kiezen tussen twee plichten, die tegenover de koning en die tegenover het volk. In zijn beslissing keek hij naar de hemelse Koning en volgde Hem na.

Willems droom voor ons land is ook nu nog vol inspiratie voor koning Willem-Alexander.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *