Moslims en wij – Ismaëlieten en christenen

Een zegen voor Ismaël

Genesis 16: 10-12.

Schriftlezingen:

Genesis 16,
hfdst. 17: 18-21,
hfdst. 21: 13,
hfdst. 25: 12-18.

Moslims komen dichtbij. In de vluchtelingenstroom. En, vanuit het Midden-Oosten, met geweld, en haat speciaal tegen onze westerse cultuur.

We schrikken van aanslagen. We worden hier bang voor een godsdienst die naar een wereldrijk streeft met aardse macht. We kijken daar die mensen op aan die zo anders zijn dan wij, mensen met een kleurtje en een vreemd accent, en eigen kledinggewoonten, een eigen cultuur.

We waren Ismaël min of meer vergeten. De lijn van de bijbelse geschiedenis loopt via Isaak, Jakob, Israël… Maar nu komt deze geschiedenis weer dichtbij.

We mogen wel oppassen dat we geen kortsluiting maken. Abraham en Sara, Hagar en Ismaël, dat is meer dan 3½ duizend jaar geleden(,) en er is sindsdien ontzettend veel veranderd. Ismaël groeide op ergens tussen Egypte en Palestina in; wat nu de Arabische wereld heet is veel uitgebreider. De islam is pas veel later ontstaan.

En verder: lang niet alle moslims gaan terug op voorvader Ismaël; Turken bijvoorbeeld niet, en Iraniërs niet, en Afghanen en Pakistanen ook niet. En – heel belangrijk – er zijn ook christenen in de Arabische landen; onder de vluchtelingen zijn er ook veel christenen; die zijn door het gelóóf, net als wij, kinderen van Abraham; in het verbond.

En, nóg één opmerking: er zijn ook heetgebakerde blanke Nederlanders; daaronder zijn er ook die haat verspreiden, haat tegen andere bevolkingsgroepen.

Maar Ismaël is wel een stamvader van Arabische mensen. Onder de Ismaëlieten is later de islam ontstaan. Christendom en islam zijn allebei (met het jodendom, alle drie) ‘Abrahamitische’ godsdiensten. – Ismaël werd ook besneden. – En… ook hij kreeg een zegen mee van God, de HEER.

Daar gaat het vanmorgen over.

Abrahams eerste zoon krijgt ook een zegen van de HEER mee.

  1. Als zoon van Abraham.
  2. Als zoon van Hagar.
  3. Als familielid.

1.

Bijbellezers oordelen nogal gauw over de mensen in deze geschiedenis. Nou ja, daar is wel aanleiding toe. Het is een vreemde move, die Sara voorstelt. En waarom geeft Abraham niet, vanuit z’n geloof, tegenspel? Het lijkt bij allebei wel kleingeloof. En als Sara vervolgens in het andere uiterste vervalt, heftig, en onredelijk tegen Abraham, gaat hij daar ook weer niet tegenin. Wij noemen zo’n man al gauw een watje. Of vinden vrouwen Sara misschien stiekem wel geëmancipeerd, en stoer? En dan is er meer: slavernij; en het komt tot polygamie: een man met meer dan één vrouw.

Maar we mogen wel bedenken: wij hebben veel meer gezien en meegekregen van wat God de HEER kan en doet. Sara kan geen kinderen meer krijgen. Ze is ten einde raad; dat moet wel, als ze met zo’n vérgaand voorstel komt. Er moet toch een zoon van Abraham komen? Zij weet nog niet zo veel van Gods wondermacht als wij. En God had nog niet precies gezegd hóé Hij Abraham een zoon zou geven. Wie weet…! En dan: wat deze mensen deden was in die tijd en die cultuur niet onbehoorlijk. Slavernij zou nog lang blijven bestaan; tot in het Nieuwe Testament krijgen slaven aanwijzingen om hun werk goed te doen. En zo’n ‘regeling’ als Sara voorstelt, was ook niet onbehoorlijk; het was ook wettig.

Wat doet God de HEER? Daar gaat het om. Dat is veel zuiverder; Hij is volkomen heilig. En Hij zegt niet: dat is nooit mijn bedoeling geweest, dat kind dat uit zoveel kleingeloof voortkomt doet er niet toe, dat moet aan de kant, wacht maar tot Ik het kind van de belofte geef, de zoon waar het Mij tenslotte om te doen is – dat wordt dan, nog zo’n dertien jaar later, Isaak.

Nee, Hij zegt – later nog wat duidelijker tegen Abraham zelf, dat hebben we erbij gelezen: dit is ook een zoon van Abraham. Een zoon, van wie hij houdt. En Ik heb Abraham een groot nageslacht beloofd. – Dat gaat Hij straks ook uitdrukken in de nieuwe naam die Hij aan Abram geeft; Abram, de ‘verheven vader’. Die nieuwe naam, Abraham, betekent: vader van volken, vele volken. En God is trouw. En Hij is goed, Hij geeft royaal. Van het begin af aan, als het kind nog niet geboren is, het is nog niet eens bekend of het een jongen of een meisje zal zijn – belooft Hij dat het een jongen zal zijn en dat hij groot zal worden en een groot nageslacht zal krijgen. Nog lang voordat er ook maar enig zicht is op Jakob en zijn uiteindelijk twaalf zonen (dat komt pas veel later), belooft Hij al dat uit Ismaël twaalf stamvorsten zullen voortkomen. Dat wordt een heel groot volk: twaalf volksstammen!

De HEER laat de moeder die van hem in verwachting is, Hagar, niet gaan. Hij laat haar teruggaan naar Sara. Haar kind, Ismaël, zal ook in Abrahams gezin geboren worden. Ook hij is een echte zoon van Abraham, vader van vele volken.

Ja, God heeft een nog veel groter plan. Een plan dat uitgaat boven alles wat mensen hadden kunnen bedenken en kunnen regelen. Dat plan verandert Hij niet, dat stuurt Hij niet bij. Er komt echt een zoon van Abraham en Sara – als niemand het meer verwacht – en via die wonder-zoon gaat Hij zijn verbond met Abraham voortzetten, tot in alle volgende generaties. Hij zal hun God zijn. Hij zal de God van Abraham, Isaak en Jakob heten. Uit hen zal de Christus voortkomen, de reddende Koning.

Maar Ismaël wordt ook besneden.

Dat is iets heel bijzonders. (Straks meer uitleg daarover.) Dat doet God vandaag niet meer: aan kinderen uit één gezin verschillende beloften meegeven. Vandaag worden alle kinderen van gelovigen (christenen) geboren als kinderen van het verbond, met alle beloften die daar bij horen: de liefde van Christus en de Heilige Geest.

Maar voor Ismaël gelden ook grote beloften. En die zijn later ook vervuld. De HEER is ook aan Ismaël en zijn nageslacht trouw gebleven, de eeuwen door. We zien dat later in de Arabieren. Ze hebben zich uitgebreid. Tot ver buiten hun oorspronkelijke woongebied hebben ze een leidende positie gekregen. Ze zijn tot bloei gekomen. Schatten van beschaving die wij als Europees beschouwen, uit Griekenland, hebben zij bewaard en doorgegeven. Ze hebben zelf cultuur geschapen, in de wetenschap (wiskunde vooral) en kunst (vooral architectuur). En nu kan dank zij hun olievoorraden niemand ter wereld om ze heen; onze verlichting en verwarming, en dat wij kunnen autorijden, en al die plastic spullen die we in huis hebben, hebben we te danken aan grondstoffen daar vandaan.

En nu is het gebruikelijk om te zeggen: dat zijn alleen maar aardse zegeningen, en geen geestelijke. Maar hoe duidelijke verschillen er ook zijn, binnen de goedheid en mildheid van de HEER kunnen we geen waterdicht schot oprichten. Nakomelingen van Ismaël zijn er, dank zij Hem, nog steeds. Ze mogen er zijn, vandaag, met z’n heel velen. God geeft ze het leven. Ze mogen de tijd van Christus beleven. Vandaag straalt het licht van Christus, het licht voor alle volken, ook af op hen. Dat zullen we zo dadelijk verder zien.

2.

Nu naar Hagar. De moeder; op dat moment nog in verwachting.

Hagar is een slavin, maar vergis je niet: de slavin die Sara het meest in aanmerking vindt komen voor dit hoge voorrecht: moeder worden van een kind van Abraham, de herdersvorst, háár man, de man van de ‘vorstin’ (zoiets betekent de naam Sarai). Hagar is de meest vooraanstaande van haar slavinnen in de vruchtbare leeftijd. Heel wat meer dan een kamermeisje. Eerder een vertrouwelinge, met een leidinggevende positie over de andere.

En ja, dan gaat het mis tussen die twee vrouwen. Je kunt over hun onderlinge verhouding wel een roman schrijven – waarmee nog niet gezegd is dat je dan de bóódschap van deze hoofdstukken recht zou doen. In ieder geval zien we hier van de slavernij en van de polygamie, niet onfatsoenlijk maar door de HEER oorspronkelijk niet zo bedoeld, allerlei ellende komen.

Hagar is een pittige vrouw. Een trotse vrouw, nu des te meer, niet zonder reden. Want wat is meer: de wettige echtgenote van de herdersvorst zijn, of een kind van hem krijgen?

Sara komt weer bij Abraham, nu om haar beklag te doen. Heftig, ongeremd. En Abraham geeft aan zijn bedisselende en temperamentvolle vrouw opnieuw toe. En dan gaat Sara – die haar slavin in deze toestand natuurlijk niet weg kan sturen – heel gemeen doen tegen haar; onmogelijk; onderdrukkend. Met als gevolg: Hagar pikt het niet meer; ze loopt weg. Groot gelijk, toch? Het begin van emancipatie? Ik weet niet of feministen haar wel eens als voorbeeld genomen hebben, maar het zou best kunnen.

Maar dan opent de HEER het gesprek, met Hagar. Wat staat Hij weer boven alle kleinmenselijk gedoe. Hij begint met een vraag, zoals wel vaker; Hij geeft Hagar de gelegenheid haar verhaal te doen.

Laten we niet denken dat Hagar de HEER niet kende. Ze is betrokken geweest in de godsdienst van Abraham en Sara; ze heeft mee de HEER vereerd. Die vraag naar het hart, die wij dan altijd meteen stellen, staat in de Bijbel niet altijd zo op de voorgrond. De HEER zíét de hóúding die wij aannemen tegenover Hem.

Hagar zegt het eerlijk, rechtuit. “Ik ben gevlucht voor Sarai, mijn meesteres.” Je voelt haar verontwaardiging, nog.

“Ga naar je meesteres terug, en wees haar weer gehoorzaam.” Ja, Sara mag dan haar meesteres zijn en Hagar de slavin, maar doet de HEER Hagar wel recht? Is dit niet het moment om een begin te maken met de afschaffing van de slavernij? Straks stúúrt Sara haar weg en dan moet ze wél weg!

Maar de HEER weet wat het beste is. Óók voor Hagar, en haar kind. Laten we wel bedenken dat het met Hagar, mét het kind dat ze draagt, in de woestijn, vast niet goed afgelopen zou zijn, zoals de latere geschiedenis laat zien. Het jongetje zal straks beschermd in een royale omgeving opgroeien. God heeft nog een groot plan, ook met hem! Hij houdt rekening met het lijden, het onrecht, dat Hagar heeft moeten ondergaan. Hagar, je zult een zoon krijgen, en…

Tja, is dat nou wel een zegen, iets om blij mee te zijn, zó’n zoon? “Een wilde ezel van een mens… Hij schopt iedereen, iedereen schopt hem.”

‘Wilde ezel’, dat klinkt voor ons misschien meteen negatief. Maar voor Hagar niet. Het speciale woord ‘wild’ staat er niet; wíj noemen het in het Nederlands ‘wilde ezel’ of woudezel. Het is een edel schepsel, dat in die omgeving veel voorkwam, speciaal in het woestijnachtige gebied dat Hagar als Egyptische kende en waar ze zou wonen. Het is een planteneter, geen roofdier. Iets waar Hagar, ver van de kudden die Abraham bezat, veel aan zou hebben. Wilde ezels worden gehouden, ook door armen, voor de voedzame melk. En verder als lastdier. Ze zijn slim en snel en hebben een groot uithoudingsvermogen, wat dat betreft zijn ze mensen de baas.

De HEER belooft aan Hagar een jongen zoals ze graag zou hebben! Een jongen die qua karakter op haar lijkt. Ze was fier geweest, ze had zich moeilijk kunnen schikken in haar slavernij, en nu zal haar zoon een vrije jongen zijn. Een vent met pit, ondernemend, zelfstandig, assertief. Iemand die niet voor anderen onderdoet en zich niet op z’n kop laat zitten! Aan zo’n jongen zal ze, als ongehuwde moeder in een nogal onherbergzame omgeving, veel hebben.

Maar ze zal wel eens moeite hebben met z’n opvoeding. Ze zal haar hart vasthouden als-ie weer eens met een blauw oog en een bloedneus thuiskomt: ruzie gemaakt. Dan komt ze in hem zichzelf tegen: ja, zo was ík vroeger ook.

Brs. en zrs., dit is familie van ons. Ismaëlieten en wij zijn allebei kinderen van Abraham. Niet allebei op dezelfde manier. Ismaëlieten zijn kinderen van Abraham op de gewone manier. Wij niet. Onze stamboom gaat terug op Germanen in wat Europa is gaan heten; niet op stammen en volken in het huidige Midden-Oosten. Wij zijn pas later kinderen van Abraham geworden, zoals Isaak pas later geboren werd: niet langs de natuurlijke weg, maar alleen door een wonder, dat God beloofd had. Wij zijn pas door Christus erbij gekomen.

Maar, op hoe verschillende manier ook, wij zijn wel allebei kinderen van Abraham: Ismaëlieten, Arabieren, en wij.

Wij moeten accepteren dat die vreemde Ismaëlieten, met dat hoekige karakter, er ook mogen zijn. Net zo goed als wij, die heus niet vanwege ons gehoorzame en aangename karakter kinderen van God geworden zijn. Zij mogen er zijn, omdat God ook over Ismaël beloften uitgesproken heeft, een eigensoortige zegen.

3.

Dat brengt ons bij het derde punt: Ismaël krijgt een zegen als familielid.

“Met al zijn verwanten zal hij in onmin leven.” Hij wordt niet verbannen, naar een uithoek ver van de bewoonde wereld, zodat niemand last van hem heeft. Nee, ze krijgen met elkaar te maken, hij en z’n familieleden. Ze komen tegenover elkaar te staan. Met gebalde vuist. Bewapend. Er zullen spanningen en conflicten zijn.

“Hij schopt iedereen, iedereen schopt hem.” Je ziet weer die wilde ezel voor je. Hij zoekt graag ruzie, om van alles en nog wat, en misschien ook zonder enige aanleiding. We zien later dat hij een boogschutter wordt. Op die manier kan hij in leven blijven in de woestijn. Maar daarmee kan hij het ook tegen mensen opnemen. En dat roept een reactie op: tegengeweld.

Dat maken wij nu mee, brs. en zrs. ISIS is een stelletje oorlogszuchtige Arabieren, Ismaëlieten. En z’n naaste familie láát zich ook uitdagen en vecht keihard terug. Het Midden-Oosten is een kruitvat. Wij hebben zelfs hier te maken met die agressiviteit; indirect door vluchtelingen, direct door terroristische aanslagen. Dat is een vervulling van deze profetie.

En nu heeft het geen zin om te oordelen over Sara en Abraham dat ze kleingelovig waren toen ze dit plan bedachten waar Ismaël uit voortkwam. Zo van: had Abraham dat maar niet gedaan, dan had de wereld nu heel wat minder geleden onder geweld.

Nee, Abraham hééft het gedaan. Ónze váder (door het geloof). En nu mogen de Ismaëlieten er zijn. Dat is de wil van de HEER. Hij heeft ze een zegen meegegeven. Dat hebben wij maar te respecteren. Wij hebben geen recht op een ongestoord leven op veilige afstand van lastige Arabieren.

Ismaël is ook besneden. Hij kreeg het teken van het verbond. Het verbond dat niet via hem zou lopen maar via de zoon van Sára en Abraham, die later geboren zou worden, Isaak. Ismaël kon, toen hij al direct lelijk deed tegen Isaak, niet in het huis van Abraham blijven; hij zou niet delen in de erfenis. Nu nog moeten de Ismaëlieten accepteren dat die erfenis te vinden is bij de nakomelingen van Isaak, bij zijn gróte nakomeling, Jezus Christus.

Zij mochten blijven, zij mochten hun plaats in de wereld houden, zij mochten meemaken dat Christus kwam. Zij mochten zijn evangelie horen. Er zijn al veel Arabische christenen geweest, en in het geloof gestorven, voordat de Islam opkwam. Er zijn nu nog heel wat christenen, ook in Arabische landen. Vaak lijden ze onder vervolging van hun ‘familie’, hun volksgenoten. Maar ze hebben van Jezus geleerd: niet ‘terug schoppen’ tegen die wilde ezel; laat je niet provoceren tot haat en wraak; bid voor degenen die je vervolgen. En telkens weer komen er moslims tot Christus – Hij weet ze te vinden; als dat alleen op wonderlijke manieren kan, dan doet Hij dát. Zijn liefde overwint hen, ze krijgen vrede en veranderen. En meer dan eens wordt een bekeerde imam een evangelist onder moslims.

Daar moeten we goed oog voor hebben, brs. en zrs., en die lijn moeten wij ook volgen.

Zeker moet de overheid optreden tegen agressieve machten van buiten en tegen boosdoeners binnen de grenzen. De overheid moet niet soft zijn, zoals een tijd lang wel ‘politiek correct’ geweest is. Ze moet over genoeg middelen beschikken om toe te zien, om geweld te voorkomen en te bestrijden en waar nodig te straffen. Maar ook voor de overheid gelden de principes van een christelijke stijl: gastvrij voor vreemdelingen, optredend tegen haatzaaien en onrechtvaardige discriminatie, eropuit om verschillende bevolkingsgroepen vreedzaam met elkaar samen te laten leven, en terughoudend met geweld als laatste redmiddel. Wij mogen niet van de overheid verwachten dat die Arabieren en moslims ver van ons bed houdt en zorgt dat we niks met ze te maken krijgen. Wij hebben geen recht op Nederland voor onszelf alleen, als blanken die er al langer wonen. Wij hebben niet meer rechten om hier te zijn omdat we christen zijn. Ismaëlieten mogen er ook zijn. Met elkaar mogen we delen in de ruimte die God ons in deze wereld geeft om het evangelie te horen, Hem te leren kennen, en gered te worden.

Liturgie

Bij deze preek hoort een PowerPointpresentatie.
Die is bij mij op te vragen,
met de bijbehorende preek-met-doorklikcodes.
De preek is ook zonder deze presentatie te gebruiken.

Votum en groet.
Aanvangslied: Liedboek vdK (1973) 464. Alle volken, looft de Here
Lezing van de wet.
Antwoordlied: Ps. 86: 2,3,4.
Gebed.
Schriftlezing: Genesis 16 (helemaal),
hfdst. 17: 18-21,
hfdst. 21: 13, en
hfdst. 25: 12-18.
Zingen: Ps. 72: 5,6.
Lezing van de tekst: Genesis 16: 10-12.
Verkondiging.
Antwoordlied: GK Gez. 118. God is getrouw.
Geloofsbelijdenis.
Zingen: Ps. 87: 5.
Gebed.
Collecte.
Slotzang: Liedboek vdK (1973) 285. Geef vrede, Heer.
Zegen.

Evt. extra: Ps. 67:1. Opw. 300 De aard’ is van God