Liedboek, selectie

Inhoud
•    Toetsen – licht en donker
•    Toets-indrukken

De Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKv) gaven uit het Liedboek voor de kerken (1973) een selectie ‘vrij voor gebruik in de eredienst’. Om te beginnen konden de kerken een selectie liederen een tijd lang ‘toetsen’ of ze ze geschikt vonden. Verscheidene Generale Synoden hebben zich met deze materie beziggehouden. Hieronder een tweetal artikelen over de geselecteerde gezangen, gepubliceerd in De Reformatie van 24 april en 1 mei 1999.

TOETSEN – LICHT EN DONKER

“Ik zing voor de Heer en ik prijs zijn gezag / … / Hij heeft ons verlost en Hij ging met ons mee / en wie ons vervolgden wierp Hij in de zee…”

Dit is een geweldig lied. Het is nummer 6 uit het Liedboek voor de kerken en prijkt op de lijst van deputaten. Het is bijbels: het is een bewerking van het lied van Mozes na de doortocht door de Rode Zee uit Exodus 15. Het is geen berijming in strikte zin, daarvoor is de bewerking te vrij. Toch sluit het nauw aan bij het origineel. Het trekt de lijn van die ene gebeurtenis door naar de aktualiteit; het origineel begint daar al mee. In deze bewerking is de lijn doorgetrokken naar het Nieuwe Testament. Wíj zijn bevrijd; wij worden bevrijd.

Het lied past volop in de liturgie: het prijzen van Gods machtige daden van verlossing. Het zingt mee in het veelstemmige koor van Psalm 105, 114, 136 en vele andere over de uittocht uit Egypte.

Het lied is vol van dichterlijke associaties, dubbele bodems, maar het blijft helder; het taalspel blijft dienstbaar aan de inhoud. “Zijn goddelijk spoor / gaat zelfs in de zee niet teloor”: een triomfantelijke echo van Psalm 77. Er zijn twee refreinregels, die telkens weer op een andere manier aansluiten bij het couplet en in de laatste strofe verrassend en betekenisrijk worden gevarieerd. De melodie dendert, die loopt als een trein, net als het ritme van de tekst.

Zoekt iemand blijdschap, laat hij of zij dit lied zingen! We zijn hier mijlenver vooruitgekomen ten opzichte van de softe God uit oude gezangen, waar onze vaderen zo kopschuw van werden: lief-en-aardig voor iedereen. We kunnen ons hier ook mijlenver verwijderd voelen van de sfeer van een kerk waar waarheid en leugen onder één dak samenwonen; al woonde de dichter ook zelf in zo’n kerk en al heeft die kerk dit lied wel in haar bundel staan. Dit is een lied van strijd en overwinning.

Zingen, als het kan!

Na de grondige fundamentele artikelenserie van Van Middelkoop en De Bruijne rond de jaarwisseling kom ik nog een keer terug op de gezangen: gewoon omdat het heerlijk is om te zingen voor de Here in liederen die onze aanbidding en onze nood en ons verlangen stem geven. En ook omdat het frustrerend is als je het probeert en het lukt niet, doordat het lied dat je voor je hebt, niet deugt.

Wat zijn je meest positieve en je meest negatieve ervaring?, vraagt men je tegenwoordig, als men een levendig verhaal van je wil horen. Daarom nu een van m’n meest negatieve ervaringen: Lied 59, “De rijke kwam tot Jezus”. Ook een bijbellied: over de rijke jongeling. De problematiek is inderdaad urgent: het gevaar van onze eigen rijkdom. Psalmen zingen daar ook van, maar dan gewoonlijk vanuit het standpunt van de arme; een lied van de andere kant zou een verrijking van het repertoire kunnen zijn. Over materialisme past ons verootmoediging, misschien wel met tranen, gebed om vergeving, en om Gods hulp om het beter te doen; ook lof op zijn geboden, die ons de betere weg wijzen. Dat zijn allemaal psalmklanken. Maar dit lied is moralistisch. “Wij” staan aan de verkeerde kant. Dit is zingen met het mes in de buik. Het is geen kerklied. Ritme en melodie zijn zeurderig. Er is een beter lied op dit thema: “God die leven hebt gegeven” (350), ook ernstig, maar gelukkig met de voortzetting vanaf de tweede helft van strofe 3.

Over het Liedboek is een levendige diskussie aan de gang, en dan tekent zich al gauw een patroon af van voor- en tegenstanders. De werkelijkheid is genuanceerder. Mogelijk zullen we elkaar ergens in het midden vinden: niet alle 255, wel een flink aantal. De selektie zelf geeft daar alle aanleiding toe; dat wil ik graag beargumenteren.

Intuïtie

Bij het selekteren en toetsen speelt intuïtie een belangrijke rol, schrijven deputaten in hun rapport. Je vraagt je eerst af: Vind ik dit goed of niet goed? Vervolgens probeer je dan helder te krijgen waaròm je het wel of niet goed vindt. Je bent daarbij vrij om af te wijken van het oordeel van deskundigen. Toetsen kunnen we allemaal, en daar zijn we ook allemaal toe opgeroepen.

Dan zijn er positieve en negatieve ervaringen op te doen. Er zijn, ook in de selektie van deputaten, geslaagde en niet-geslaagde liederen.

Ongetwijfeld zullen de voorkeuren uiteenlopen. De toets-ervaringen die ik hier geef, zijn niet alleen van mij persoonlijk. Waar onze meningen verschilden, doe ik er hier het zwijgen toe. We hebben de hele lijst van deputaten doorgezongen. De ervaringen berusten op herhaaldelijk zingen en doornemen. Dat is nodig omdat een volgende indruk kan afwijken van de eerste; zowel positief als negatief.

Toppers

Nog een paar ‘toppers’ uit de lijst. “Gij hemel en aarde, doet open uw oor” (8), op dezelfde melodie als 6. Veel van wat ik over 6 gezegd heb, geldt ook voor dit lied.

“Daar is uit ’s werelds duistre wolken” (26). Klassiek, maar de inhoud van de vier strofen is rijker dan algemeen bekend is. Weer een tekstgetrouw bijbellied, diskreet bewerkt voor de gemeente van nu. Al is de taal wel wat ouderwets; daar is in dit geval best doorheen te komen, lijkt me. Zijn we op zoek naar liederen voor de feestdagen, waar we tot nu toe wat krap mee bedeeld zijn? Laten we dan niet alleen in de desbetreffende rubrieken zoeken. Dit ‘berijmde Schriftgedeelte’ is een advents- en kerstlied bij uitstek.

“Wie mat de waatren in zijn holle hand?” (30). Een prachtig bijbelgedeelte om te zingen als loflied op God. Eerbiedig en gaaf berijmd, op een psalmmelodie. Het slot van strofe 1 is terecht bekritiseerd: op de herhaalde, dringende vragen: “Wie…” kun je niet antwoorden: “Het woord”. Je moet een tekst op z’n eigen gehalte beoordelen; inhoeverre ‘woordtheologie’ of ‘woordmystiek’ bij de dichter een rol heeft gespeeld, is slechts achtergrondinformatie. Maar dan nog: dit klopt gewoon niet. Alleen: dat is één detail in een overigens gaaf lied.

Puur

“Nu bidden wij met ootmoed en ontzag” (95). Dit bijbelgedeelte, trouw en onopgesmukt berijmd, is door z’n inhoud bij uitstek geschikt voor de eredienst, bijvoorbeeld als gebed rond de prediking. Ook in dit geval heeft de dichter de oude psalmmelodie een geschikte bedding gevonden voor zijn inspiratie.

“Heerlijk verschenen is de dag” (200). Een paaslied, puur van taal en melodie. De traditionele paasjubel “halleluja” is hier beheerst en verantwoord toegepast.

“Stad Jeruzalem verheven” (260). Een lied over de kerk, aansluitend bij geliefde Psalmen (48, 122 enzovoort), maar nu vanuit nieuwtestamentische beelden en motieven. Een aanwinst dus. Vol gave en sterke emotie. De melodie is even wennen; ze is oud en kan op de onvoorbereide hoorder een wat eentonige indruk maken. Ze heeft het ritme van een eerbiedige processie. Dit lied is een echte verrijking: uit een heel andere tijd, verbreedt het de zang van de kerk van alle eeuwen.

Om niet eenzijdig te zijn, noem ik nog wat nummers achter uit de bundel. “De dag door uwe gunst ontvangen” (393) is een avondlied, meer voor thuis dan voor in de eredienst. Een inzicht uit later eeuwen (later dan de bijbelse tijd), namelijk dat het rond de aarde altijd ergens dag is, is hier dichterlijk verwerkt tot lof op God, als tegenhanger van de vleiformule voor aardse vorsten: “In wiens rijk de zon niet ondergaat”.

“Eeuwig Woord, U willen wij bezingen” (476). Pure liturgie, een belijdenislied, boordevol bijbelse motieven, in gloeiend-stalen hymne-stijl (ik meen hier, temidden van veel hervormd koloriet, gereformeerd staal te herkennen).

De andere kant

Dit zijn een paar echte toppers. Er zijn er nog zo’n 60, die we niet alleen acceptabel vinden, maar echt mooi. De vraag: Is het een aanwinst?, Voegt het wat toe? vatten we niet op in de trant van: Hebben we zoiets nog niet? In de Psalmen komt ook aardig wat herhaling voor. We vatten het meer zo op: Kunnen we hier echt blij mee zijn? Als ik hier en daar m’n oor te luisteren leg, heb ik de indruk dat de eerste ronde van toetsing positiever was verlopen wanneer eerst, bijvoorbeeld in het ‘Lied van de week’, een selektie van zùlke liederen aan de kerken was voorgelegd. Goed, smaken zullen blijven verschillen, maar er zijn toch wel liederen die geschikt zijn om ook verstokte skeptici over de streep te trekken; met m’n schrijven wil ik daar graag iets aan bijdragen. Aan de andere kant zijn er nummers die ook bij een open, positief ingestelde gemeente niet goed vallen.

Tegenover de toppers een paar dieptepunten. “Weet gij waarmee het koninkrijk” (55), weer een bijbellied, is niet geschikt voor de liturgie. Het geloof wordt hier een boom die wij zouden toezingen; heel vreemd.

“Er is een land van louter licht” (290) verwoordt meer een naïeve, populaire geloofsbeleving dan een bijbelse gedachte. “O eeuwge Vader, sterk in macht” (467) is een wel erg eenzijdige voorbede “voor hen die zijn in nood op zee”. De gêne waarmee ik dit lied zing, zou misschien kunnen worden verzacht als er liederen kwamen met voorbeden voor hen die zijn in gevaar op de weg, voor hen die gaan gebukt onder werkstress en voor hen die zich voelen uitgesloten uit het arbeidsproces.

“Zolang er mensen zijn op aarde” (488) heeft dat softe, pitloze karakter, riekend naar alverzoening, waar ik in het begin van dit artikel met zoveel blijdschap afstand van heb genomen.

Ik heb geprobeerd, de impliciete criteria die bij mij bij het toetsen een rol spelen, expliciet te maken. Het is duidelijk dat die welke door deputaten zijn genoemd: schriftuurlijkheid, dichterlijke en muzikale kwaliteit, doorlopend van belang zijn. Daarnaast blijkt er nog wel eens een andere op te duiken die relevant is. Al met al is toetsen op deze manier volgens mij geen puur subjektieve aangelegenheid.

Spel

Positieve en negatieve ervaringen zijn bij het toetsen van de selektie beide in rijke mate op te doen. Er is wat dit betreft nauwelijks een bepaalde tendens aan te geven. Je doet telkens verrassingen op.

Uit de kring van hervormde dichters uit deze eeuw zijn een paar prachtige liederen voortgekomen. Te noemen valt bijvoorbeeld nog “O lieve Heer, geef vrede” (284) van Barnard (we moeten er dan wel even aan wennen om “lieve Heer” te zingen).

Er zijn echter ook nogal wat liederen waarin het spel met de taal de inhoud gaat overheersen en overwoekeren. Zo bijvoorbeeld als gezegd wordt: “Zijn graf is als een open boek” (209). “Bronnen geslagen als wonden” (224). “Looft God, zijn vinger wijst ons aan, / een toren in de tijd, / dat het ten hemel toe moet gaan” (319).

Er zijn liederen die wel erg beschouwelijk zijn; bijvoorbeeld “Ach hoe vluchtig, ach hoe nietig, / is der mensen leven” (271). De teneur van dit lied roept de herinnering op aan oude evangelische liederen: “Uren, dagen, maanden, jaren / vlieden als een schaduw heen; / ach, wij vinden, wáár wij staren / niets bestendigs hier benêen”, en “Ziet hoe alles hier verandert”. Wie de gedachten van Prediker in een lied wil gieten, kan in de leer gaan bij Psalm 39 en 127; lied 287 is ook goed; maar hij moet zich er in ieder geval voor hoeden om af te glijden naar oppervlakkige burgermansfilosofie.

Als het over de Heilige Geest gaat, gaan dichters nogal eens op de loop met motieven als wind, adem en licht (241, 245, 246). Heel mooi is weer van Inge Lievaart (dezelfde dichteres van het genoemde 245) het lied “Dag zo bitter en zo goed” (194), geschikt als eerste lied in de dienst op Goede Vrijdag.

Melodieën

Een goede melodie maakt je blij en kan een geweldig voertuig zijn van de tekst. Bijvoorbeeld die van de componist Vaughan Williams (299). Als je die zingt, hoor je het orgel, groot orkest en massale koor, waarmee ook ‘christmas carols’ vaak gezongen worden. En dat past perfekt bij de tekst: “Voor alle heilgen in de heerlijkheid”. De melodie van Mendelssohn (135) maakt van een wat clichématige aaneenrijging van kerstmotieven zonder veel lijn, een lekkere meezinger.

Maar er zijn ook veel problematische melodieën. Er zijn melodieën die te moeilijk zijn voor de gemiddelde gemeente, als je ze tenminste niet al te vaak zingt, en dat zal toch de onvermijdelijke praktijk zijn als je een dikke bundel hebt. De uitgebreide melodie van het klassieke, prachtig vertaalde Dies irae (“Dag des oordeels, dag des Heren”, 278) is mooi, maar zal vermoedelijk niet vertrouwd worden.

Er zijn melodieën die varianten zijn van reeds vertrouwde melodieën; we hebben toch hopelijk door de ervaring wel geleerd dat je die niet naast elkaar in je bundel moet laten staan. “‘k Wil U, o God, mijn dank betalen” (390) heeft misschien de oorspronkelijke, maar in ieder geval een hijgerige melodie, niet geschikt voor voor-‘t-naar-bed-gaan.

Er zijn melodieën die verwarring geven met bestaande melodieën. De melodie van 216 geeft verwarring met die van Psalm 138, die van 226 is eigenlijk een variant van die van Psalm 141. Er zijn melodieën die niet zo goed bij de tekst passen (114, 470). Er zijn matige en zwakke melodieën (bijvoorbeeld 197, 378, 380).

Versies

Ik wil ook graag iets opmerken over verschillende versies van gezangen die we al hebben. Een aantal gezangen zijn gewoon hetzelfde; die hebben we dus al. Waar de bewerking verschilt, is de tekst van het Liedboek soms beter, maar vaker minder dan de onze: meer ‘Hervormd’, weker en gekunstelder.

Volgende week nog enkele indrukken, zoals over kerst en pasen, over Gods leiding, over eenvoud en naïviteit, over gezangen en psalmen; en een afsluiting.

TOETS-INDRUKKEN

Je kunt niet zeggen dat het Liedboek voor de kerken typisch de sfeer ademt van de twintigste-eeuwse oecumene. Daarvoor is de inhoud te divers. Ook de selektie van deputaten bevat liederen uit de hele kerkgeschiedenis. Meezingend nemen we onze plaats in in de katholieke, algemene christelijke kerk die we belijden, de kerk van alle eeuwen en van over de hele wereld.

Dat is rijk. De tijd ligt achter ons dat we ons beperkten tot een gezangenbundel die sterk beheerst werd door één dichter, Da Costa, met zijn in veel opzichten tijdgebonden retoriek. We laten ook de tijd achter ons dat een deskundige kritisch opmerkte dat “De kerk van alle tijden” door de aard van z’n melodie een vreemde eend in de bijt van de bundel was.

Niet dat de nu voorgestelde bundel al een totaalbereik heeft. Een logische volgende stap lijkt me dat we op zoek gaan naar een paar geschikte liederen uit de opwekkingssfeer, en daarna zullen liederen uit de afro-amerikaanse wereld (negro-spirituals) aan de beurt zijn, en uit Afrika, zoals we nu wel op een DVN-dag zingen. Of is dit te vlug gedacht?

Nu al is het wennen aan teksten en melodieën met heel verschillende lokale kleur en tijd-sfeer. Je moet daar wel voor open staan, en jezelf de tijd geven om te wennen aan het vreemde.

Dan kun je aangenaam verrast worden. De kwaliteit luistert dan wel nauw; alleen heel goede liederen zijn geschikt om over de drempel, of zelfs door de kultuurschok heen te komen.

Eigen eeuw

Het is voor een gereformeerde al moeilijk om aan de twintigste-eeuwse hervormde en oecumenische sfeer te wennen. Vorige keer gaf ik daar al voorbeelden van. Die sfeer is vaak wat flets, beschouwelijk; ook wat elitair-dichterlijk, met gezocht taalspel en moeilijke, lange, over veel regels heen lopende zinnen; ook wat vrijmoediger, soms zelfs minder eerbiedig.

Er zijn twintigste-eeuwse liederen die herinneren aan de sfeer van de maatschappijkritische jaren. Prachtig is “Eens als de bazuinen klinken” (300). Ik dacht dat dat al klassiek was en verbaasde me erover dat het nog zo jong is. De tekst heeft een sterke dynamiek en klinkt hier en daar als een protestsong, maar wel zuiver.

Anders is het met “Geef vrede, Heer, geef vrede (285)”. Dat lied roept bij mij sterk ambivalente gevoelens op. Het is een mooi lied. Het is ook bijbels. Ik zou er geen bezwaar tegen hebben als het in de bundel van de kerk komt. Toch heb ik er moeite mee om het mee te zingen. Dat heeft ermee te maken dat ik zelf de jaren van de maatschappijkritiek bewust heb beleefd. De geest van christelijk pacifisme en horizontalistisch ‘vrede op aarde’ is voor mij nog niet terug in de afgrond verdwenen, en die hoor ik hier nog na-kakelen.

Verder terug

Maar nu verder weg, terug in de tijd. Er zijn mooie liederen uit de negentiende eeuw. Nog een voorbeeld (naast het vorige keer genoemde): “De Heer is mijn herder” (14). Deze zuivere, eenvoudige bewerking van Psalm 23 staat zowel qua tekst als qua melodie dichter bij ons dan de in de kerk vertrouwde versie uit het Geneefse psalmboek met z’n lange regels. Een ander voorbeeld is “Heer, mijn hert is boos en schuldig” (468), een eenvoudige maar diepe persoonlijke schuldbelijdenis van een groot dichter.

Toch is bij negentiende-eeuwse liederen uit ons eigen taalgebied het taalkleed al gauw een bezwaar. Dat vind ik bijvoorbeeld bij het overigens mooie en bekende “Het leven is een krijgsbanier” (469) van dezelfde Gezelle. En bij het paaslied “Wees gegroet, gij eersteling der dagen” (221). Ook dit is een sterk lied; een aanwinst. Maar hoe zal een kerk, die haar leden soms met moeite overtuigd heeft van de noodzaak van een nieuwe psalmberijming in eigentijdse taal, met name voor de jeugd, nu alsnog diezelfde gemeente overhalen om te zingen “Deel ons zelf de voorsmaak mee / van der zaalgen sabbatsvree”?

“U heb ik lief, mijn God en Heer” (406) komt uit een verder weg liggende tijd en traditie, maar het is een verrassende aanwinst!

Middeleeuwse liederen staan nog weer verder van ons af, zowel in tekst-sfeer als in melodievoering. Maar er zijn wel juweeltjes bij.

We kunnen zelfs nog verder in de tijd teruggaan en een lied van Ambrosius zingen: “O zalig licht, Drievuldigheid” (253), typerend voor deze vader van de Westerse gemeentezang-traditie. De berijming van zijn avondlied “God die het al geschapen heeft” (382), is helaas dermate zwak, gekunsteld, dat we bij “(wij zingen) de avondhymne, sta ons bij” in de lach schoten.

Over het algemeen is de selektie van deputaten veelzijdig en in dat opzicht verrijkend. Er is werk van grote dichters en er is werk van grote componisten. De Engelse traditie is anders dan de onze, en een melodie uit Wales heeft een eigen karakter. Er zijn veel klassieken; waarmee overigens niet gezegd wil zijn dat alle klassieken bij nader inzien zo geweldig zijn. In vertalingen zitten dan soms weer van die tijdgebonden moderne trekken.

Kerst en Pasen

Een apart onderwerp zijn de kerstliederen. Wat we nu beschikbaar hebben om met kerst in de kerk te zingen, is beperkt. Misschien is dat een signaal temeer voor de overwaardering van dit feest in de christelijke kerk. Maar de praktijk op dit punt trekt zich weinig van de theologie aan, en de druk vanuit het kinderkerstfeest-repertoire is sterk. “Komt allen tezamen” (138) is zo’n evergreen dat het wel niet tegen te houden zal zijn. Het is een heerlijk lied om te zingen, maar dan met het verstand op een laag pitje. “Komt nu naar Betlehem” – ik ben geneigd om uit te roepen: Doe het niet! Veel te toeristisch, en tegenwoordig gevaarlijk bovendien.

Dit is een serieus punt. Positief en negatief liggen hier weer dicht bij elkaar. Het is niet verkeerd om in gedachten terug te gaan naar het feit dat je gedenkt. Dat doen we in de Psalmen ook vaak. Maar een lied wordt rijker als erin doorklinkt dat we inmiddels verder in de tijd gekomen zijn. Het is vreemd om Jezus toe te zingen als “O kind (…), liggend in de kribbe”. In een ander lied, “Prijs de Heer die herders prijzen” (140) wordt in de eerste strofe ook over kerst in de tegenwoordige tijd gezongen, maar daar komt de afstand in tijd beter tot z’n recht.

Positief en negatief liggen ook dicht bij elkaar als het gaat om eenvoudige liederen. “Auf, auf, ihr Reichsgenossen” (127; ik blijf aan dit lied denken in de oude versie, “Op, op, die ’t rijk bewonen”) is een eenvoudig, onopgesmukt lied. Andere liederen neigen meer naar het kinderlijke. “Wees wellekom, Immanuël” deed ons, met de korte regeltjes op een al te simpele melodie, denken aan “Sinterklaasje, kom maar binnen met je knecht”.

Niet dat liederen op het niveau van kinderen in de eredienst taboe zouden zijn. Misschien zou een enkel sterk lied uit “Alles wordt nieuw” op z’n plaats zijn in een bundel voor de eredienst; en anders zeker wel een aantal nummers uit de bundels van Anka Brands – bij deputaten, naar ik meen, nog in portefeuille. Maar in het Liedboek (ook buiten de kerstrubriek) zien we soms duidelijk volwassenen op hun hurken zitten (“De schapen alle honderd”, 58; “Als koning opgetreden”, 112, dat tegelijk gezwollen van taal is). “Jezus, ga ons voor” (442) is kinderachtig.

Voor Pasen hebben we meer Psalmen dan voor kerst, bijvoorbeeld die over de overwinnende koning (Psalm 18, 21), maar uitbreiding van het repertoire is welkom. Hier biedt de selektie ons verscheidene mooie aanwinsten. “Jezus is ons licht en leven” (222) is een mooi lied op een prachtige melodie van Bach (al zijn de vele nootjes op onbeklemtoonde lettergrepen wat vreemd). Het herhaalde “Halleluja” klinkt hier goed. In andere liederen is dat soms wat erg veel. Het is een prima idee om de geschiedenis te zingen, zoals in 207, maar het “Halleluja” is in sommige strofen lachwekkend.

Gods leiding

Ik ga voorbij aan een aantal liederen, ook uit de selektie van deputaten, die we gezien de leer echt bedenkelijk vinden. Tegen “Wat God doet, dat is welgedaan” (432) is er wat dat betreft geen bezwaar. Liederen met deze strekking zijn vanouds talrijk in gezangenbundels, en geliefd. Het zijn liederen van overgave aan Gods verborgen wil, zijn regering over ons leven; wat doorgaans genoemd wordt: zijn leiding in het leven. Ze sluiten aan bij Zondag 9 en 10 van de catechismus en bij bijbelteksten als Psalm 23 en “Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u” (1 Petrus 5: 7, citaat uit een Psalm). ‘Pastorale poëzie’ is vol van dit thema. Daar is behoefte aan.

Het gevaar ervan is lijdelijkheid. Het genoemde lied ontkomt ook niet aan oppervlakkigheid. De troost kan dan goedkoop worden.

Klassiek is dit lied wel. Hetzelfde geldt van “Beveel gerust uw wegen” (427) en “Wie maar de goede God laat zorgen” (429). Deze liederen zijn afkomstig uit de piëtistische traditie; door Bach is er een extra aureool omheen gekomen (wat 427 betreft, gaat het dan om een andere melodie). Toch is, gezien dit soort liederen, de kritiek die van een teddybeer spreekt, niet helemaal uit de lucht gegrepen.

Een geliefd, van oorsprong Nederlandstalig, lied in hetzelfde genre is “Wat de toekomst brengen moge” (293). Dit is een prachtig lied van een volbloed dichteres. Als ik zing: “…Loop ik met gesloten ogen / naar het onbekende land”, is het alsof ik Vader hoor zeggen: “Jacqueline, doe je ogen eens open!” Maar – typerend voor het echte gedicht – zoiets staat óók in het lied: “Moedig sla ik dus de ogen / naar het onbekende land”.

De bijbel spreekt anders over Gods leiding in het leven. Dan gaat het over Gods leiding door zijn Woord en Geest. Paulus begìnt verscheidene van zijn brieven met de bede dat we Gods wil mogen kennen en daar fijngevoeligheid voor mogen ontwikkelen. Dan gaat het, evenals in de veel misverstane bede “Uw wil geschiede”, over zijn geopenbaarde wil. De toekomst moge verborgen zijn, de geopenbaarde dingen zijn voor ons, opdat wij de woorden van zijn wet volbrengen (Deuteronomium 29: 29). Overgave is nog geen gehoorzaamheid. Pastorale poëzie stimuleert niet bepaald tot bijbelstudie. Gelukkig zijn er in de selektie ook liederen die aansluiten bij het gebed van Paulus (95, 410, 437, 473). Een verrijking, naast Psalm 119.

Individualisering

We vinden in de selektie ook een hele kategorie liederen die niet geschikt zijn voor de eredienst; die daar ook niet voor bestemd zijn, maar voor huiselijk en persoonlijk gebruik. “Wij bidden u Gods zegen toe” (367) is nog een welkome aanvulling voor de trouwdienst; “Als God ons huis zijn gunst onthoudt” (368) is voor getrouwden thuis, niet voor de eredienst of voor alleenstaanden.

Op zich is het prima dat er zulke liederen zijn. Gaan slapen, bijvoorbeeld, doe je nu eenmaal meestal in de privésfeer, niet in de kerk. En dan is het misschien wel praktisch als zulke liederen in het boek staan dat je toch al in huis hebt om mee naar de kerk te nemen.

Het risiko van zulke liederen is echter de individualiserende tendens. Veel van deze liederen zijn afkomstig uit piëtistische en mystieke tradities. Een sterk voorbeeld van mystiek is “Als Hij maar van mij is” (455). “Mij is om het even / heel het lichte, luide, aardse leven” – de derde strofe kan dat niet meer rechttrekken.

De individualiserende en mystieke tendens komt soms sterk naar voren in de toekomstverwachting. “Aan ’t eind der pelgrimsreize / zal voor mijn oog verrijzen / uw grote eeuwigheid. / O eeuwigheid, gij schone, / mijn hart wil in u wonen, / het vindt geen thuis in deze tijd” (389; dergelijke klanken in 407).

Merkwaardig is de neiging om vooral te bidden met het oog op het sterven, ook als dat nog lang niet aan de orde is. “Neem mij de last van doodsangst af, / dat ik te ruste ga in ’t graf. / Leer mij te sterven…” (387). “Houd, Heer, uw kruis hoog voor mijn brekend oog” (392). “…Dat ik in ’t einde sterk mag zijn” (404).

Deze kritiek is niet nieuw. Intussen staan ook in deze rubriek veel mooie en bruikbare liederen. Een paar voorbeelden, om aan de opzet van deze artikelen trouw te blijven: “O verbreker aller banden” (435): tegelijk nederig en pittig, vol conflict èn uitzicht. Het valt trouwens in het algemeen op hoeveel stèrke, zuivere toekomstverwachting in de selektie verklankt is. “Loof de Koning, heel mijn wezen” (460), een klassiek lied, heeft de gezonde spanning tussen de lof op God en de nietigheid van de mens; bovendien een technisch sterke vondst in de op een na laatste regel van elke strofe.

Heimwee

Toch komt bij ons, naarmate we in de bundel verder komen, steeds meer het heimwee op naar de Psalmen. En naar een aantal liederen eerder uit de bundel, met name bijbelliederen.

Veel liederen uit die laatste rubriek zijn tam. Er gebeurt niet zo veel in. Het is allemaal wel goed. De Psalmen ademen een heel andere sfeer. Daar wordt geschreeuwd om hulp, gehuild in nood, en gejuicht van verlossing. Over gevoel, over beleving gesproken…!

Psalmen zijn nooit individualistisch. Er zijn wel veel persoonlijke psalmen. Maar het is dan toch veelal David, die ze zingt, de koning van Gods volk. Ook als hij in eenzaamheid bidt, doet hij dat met het oog op zijn volk, het volk van God, dat hij ook dan vaak noemt. Wij zingen ze met David mee, en met zijn grote Zoon: het zijn Christus’ psalmen. Zo zingen we, ook individueel, in een grote gemeenschap.

In psalmen zit een lijn. Er gebeurt iets in. Elk vers is een stap op de weg van de hele psalm. Dichterlijk, herhaald, maar toch met vaart. Er is een hevig verkeer tussen mens en God.

Psalmen zijn poëzie, maar nooit elitair. Ze zijn het volk van God voorgezongen door de man die eer wilde verwerven bij de gewone mensen van dat volk en daarvoor de verachting van zijn vrouw, de koningsdochter, trotseerde. Ik zing graag gezangen, maar wat blijven ze toch ook vaak weer beneden déze maat!

Selektie

In veel gemeenten is het Liedboek als proefbundel ingevoerd. Veelal in de vorm van de speciale groene, ‘vrijgemaakte’ dundrukuitgave; er worden ook wel originele rode bundels gebruikt.

Het is begrijpelijk dat degenen die het copyright van het Liedboek beheren, niet een selektie van meer dan de helft van de gezangenbundel hebben toegestaan. Wel is het vreemd dat ook de psalmbundel mee moest worden afgedrukt. Wij mochten toch destijds uit deze interkerkelijke psalmberijming selekteren?

Soms wordt gezegd dat er, nu de bundel in veel gemeenten massaal is aangeschaft, geen weg terug meer is. Toch zijn er goede redenen om ons nog eens te bedenken. Op de groene uitgave staat onuitwisbaar afgedrukt dat het een proefbundel is.

Een liedbundel is ook een visitekaartje van de kerk. We nemen het mee naar de kerk, naar de eredienstruimte, en slaan het daar open. Er liggen veelal ook een aantal exemplaren voor bezoekers, die erin bladeren en het gebruiken bij hun kennismaking met onze liturgie. Met deze bundel als visitekaartje wekken we de indruk dat we zoiets zijn als een rechtervleugel van de ‘grote oecumene’. Het Liedboek fungeert in de praktijk als de bundel van de Koepelkerk (om het nog minder sympathieke woord ‘hotelkerk’ te vermijden), waaruit elke vleugel z’n eigen selektie zingt. Laten we er dankbaar voor uitkomen dat wij daar niet bij horen! En wat moet het verwarrend zijn voor een bezoeker, als hij twee gedeeltelijk verschillende psalmberijmingen voor z’n neus krijgt!

Laten we de proefbundel gebruiken om tot een verantwoorde, aanmerkelijk kleinere selektie te komen. En laten we dan het gesprek met de rechthebbenden opnieuw openen. Destijds, toen het om de psalmberijming ging, was ons beleid: We nemen niet de hele interkerkelijke berijming; alleen, als het kan, een selektie. Dat heeft uiteindelijk goede vrucht opgeleverd; nu hebben we het beste uit twee werelden. We maken graag gebruik van het goede en mooie in het Liedboek; maar dat wil nog niet zeggen dat het voor ons onmisbaar zou zijn en dat we ons eraan zouden moeten uitleveren.

Er zijn nog een heleboel liederen bij deputaten in portefeuille. We moeten beslist niet onderschatten wat daar nog uit kan komen. Daar is veel materiaal bij dat voor een oekumenische liedbundel buiten het blikveld kan blijven, maar voor ons aantrekkelijk, waard om uiteindelijk in ons hart te sluiten.

Een ‘ruimhartige selektie’ uit het Liedboek, maar aanmerkelijk minder dan de 255, en daarbij gevoegd nog een behoorlijk aantal andere liederen uit diverse bronnen – dat is een bundel om naar te verlangen, voor het volk dat eerbiedig en stijlvol naar het Woord van zijn God Hem wil eren.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *