Mannen als mannen, vrouwen als vrouwen. Pleidooi voor een tussenoplossing n.a.v. het rapport ‘M/V en ambt’ – 15 argumenten (2)

Inhoud
Bijbelse argumenten vanuit het rapport
1. Dominante invalshoek
2. Regel en uitzondering
3. ‘Rolbewust’
4 en 5. Gezag en rem
6. Vanaf het begin
Conclusie: subtiel
Praktische argumenten vanuit het rapport
7. Oecumenische positie
8. Voorbeelden in de oecumene
9. Vrede in de kerken
10(a). Het diakenambt (1)
11. Bedenk mogelijke consequenties
Andere argumenten
10(b). Het diakenambt (2)
11. Slingerbeweging
12. Huwelijk en moederschap
13. Concurrentie en verschillen
14. Onderschikking binnen de Drie-eenheid
15. Priscilla
Tenslotte

In mijn voorafgaande stuk liep ik het rapport door en maakte kanttekeningen. Daarop aansluitend geef ik hier een conclusie.

Praktisch komt die neer op een pleidooi voor een tussenoplossing. Dat betekent om te beginnen dat ik me aansluit bij de conclusie van het rapport dat er iets moet veranderen. Ik onderschrijf de argumenten dat vrouwen in de praktijk een positie in de gemeente innemen die om meer structuur en accent vraagt.

Met een tussenoplossing bedoel ik: wel meer statuur voor de functies die vrouwen in de gemeente vervullen, maar niet de (=alle) ambten open voor vrouwen op gelijke voet als mannen. De conclusie is samengevat in de titel van deze stukken: mannen moeten in de gemeente functioneren als mannen, vrouwen als vrouwen, ieder in een evrouw en ambt 1igen, onderscheiden rol en positie. Zo kunnen ze beide tot hun recht komen.

Het rapport zelf geeft daarvoor veel aanknopingspunten, zowel principiële – met name vanuit de Bijbel – als praktische. Die ga ik eerst na. Ze zijn alle te vinden in mijn vorige stuk, ‘Kanttekeningen’, met de verwijzingen naar het rapport erbij. Vervolgens voeg ik daar nog een aantal argumenten aan toe.

Bijbelse argumenten vanuit het rapport

1.  Dominante invalshoek

In de Bijbel is voor de verhouding tussen man en vrouw het huwelijk de dominante invalshoek, zegt het rapport al direct in het begin. Laten we dat goed op ons laten inwerken. Het huwelijk is, anders gezegd, iconisch voor de verhouding van man en vrouw. Dat kun je niet terzijde schuiven met de stelling dat in onze cultuur veel meer mensen – met name vrouwen – hun plek in de samenleving buiten het huwelijk vinden. Mocht die vergelijking met het verleden al kloppen (het rapport levert daar geen materiaal voor aan), dan nog kan het best zijn dat onze cultuur op dit punt een uitzondering is binnen een algemeen patroon wereldwijd, dat God in zijn woord ook als zodanig heeft bedoeld. Een uitzondering die naast waardeerbare ook problematische kanten kan hebben; ook die zijn waarneembaar. In ieder geval kunnen we voor ons onderwerp de bijbelpassages die specifiek over het huwelijk gaan niet om die reden terzijde schuiven. Naast 1 Corinthiërs 11, over de vrouw in de eredienst, moeten we Efeziërs 5 leggen over man en vrouw in het huwelijk. Dat is niet moeilijk; de verhouding van man en vrouw is in beide passages parallel. In 1 Timotheüs 2 zijn de positie van de vrouw in de gemeente en in het huwelijk gecombineerd aan de orde.

2.  Regel en uitzondering

In de Bijbel zien we ook vrouwen als ambtsdrager optreden, compleet met de titel zoals profetes, maar dat zijn wel uitzonderingen. Als regel zijn het mannen. Zo is te lezen in het rapport. Ik voeg toe: die regel is zó algemeen dat er onvoldoende grond is om van de uitzondering een verbreding en veralgemening van de regel te maken in de zin van: niet (bijna) alleen mannen maar vrouwen net zo goed.

3.  ‘Rolbewust’

Uit 1 Corinthiërs 11 leidt het rapport af dat mannen en vrouwen zich in de eredienst ‘rolbewust’ moeten gedragen. Anders gezegd: mannen als mannen, vrouwen als vrouwen. Daar was blijkbaar een duidelijke uiterlijke vorm voor, waardoor vrouwen zich van mannen konden en volgens de apostel ook moesten onderscheiden. Het rapport zegt: het is niet duidelijk hoe we daar vandaag vorm aan zouden moeten geven. De conclusie moet m.i. zijn: dan moeten we daarnaar op zoek!

4 en 5.  Gezag en rem

In de bijbelse woorden ‘hoofd’ (voor de man ten opzichte van de vrouw) en ‘onderschikken’ (voor de vrouw ten opzichte van de man) is een gezagsrelatie te horen. Men hoorde dat erin in de toenmalige Romeinse cultuur, zegt het rapport. Dan is dat een exegetisch gegeven dat we moeten honoreren. Hoe weerbarstig dat ook klinkt in onze cultuur. En hoe je dat ook verder zou willen parafraseren. De gereformeerde leer en traditie spreekt van een ‘regeerambt’. Zelf spreek ik graag van een leidende of leidinggevende rol. Verder constateert het rapport dat er volgens het Nieuwe Testament blijkbaar ‘een rem’ kan worden gezet op de inbreng van de vrouw in de gemeente (de zgn. ‘zwijgteksten’). Het rapport veronderstelt dat dat laatste samenhing met de beperkte opleidingsmogelijkheden voor vrouwen in de toenmalige cultuur; het ‘zwijggebod’ zou ermee samenhangen dat voor het spreken in de gemeente kennis nodig is. Exegetisch wordt dat voorzichtig ingebracht, maar het speelt vervolgens een beslissende rol: in onze cultuur zijn vrouwen meer onderlegd en dus… Maar het argument op grond van de cultuur is exegetisch niet duidelijk en beslissend genoeg om het onderscheid in positie tussen man en vrouw dat de Bijbel uitdrukt met ‘hoofd’, ‘onderschikken’ en ‘zwijgen’ terzijde te laten.

6.  Vanaf het begin

Dat wordt onderstreept door de verwijzing in 1 Timotheüs 2 naar de eerste hoofdstukken van Genesis, zowel naar de schepping – Adam is eerst geschapen, daarna Eva – als naar de zondeval. Dit geldt algemeen als het meest weerbarstige element in christelijke pleidooien voor gelijke posities van vrouwen en mannen, en terecht. Het gaat blijkbaar om een patroon dat niet cultuurgebonden maar algemeen geldend is.

Een opmerking over de bijbelse formulering “Mozes, Aäron en Mirjam”, die het rapport nogal naar voren haalt. Mirjam staat achteraan, hoewel zij de oudste was. De formulering is een eenmalige uitbreiding van de algemene formule “Mozes en Aäron”. De beide mannen gaan zo goed als zonder uitzondering voorop. In dat tweetal is ook al de leeftijdsvolgorde omgekeerd: Aäron was de oudste. Kennelijk wijst de volgorde op een rangorde in positie.

Conclusie: subtiel

Met dit alles doen we niets af van het ‘naast elkaar’ dat het rapport – terecht – benadrukt. Man en vrouw krijgen samen de ‘cultuuropdracht’ in Genesis 1. Christus herstelt de vaak (ook nu nog) onderdrukte positie van de vrouw. Mannen en vrouwen zijn samen Sion, het volk van God, en de bruid van Christus. Samen worden ze gered door Christus, krijgen ze deel aan de Heilige Geest en gaan ze het eeuwige koninkrijk binnen. Maar dat poetst de aangedragen gegevens niet weg. Concluderend kunnen we zeggen dat de Schrift wijst in de richting van een genuanceerde verhouding en rolverdeling tussen man en vrouw. Zo zou ik de concluderende woorden in het rapport “geen eenduidig antwoord”, “geen duidelijke conclusie te trekken” willen interpreteren. De formule ‘niet gelijk maar wel gelijkwaardig’ kan voluit worden toegestemd, maar die drukt de man-vrouwverhouding nog gebrekkig uit; die verhouding is toch subtieler. De bijbelse gegevens leiden niet tot de conclusie dat de posities van man en vrouw gelijk of verwisselbaar zijn. Tussen ‘gelijk’ en ‘minder, lager’ of iets dergelijks past, kortom, een tussenoplossing.

Praktische argumenten vanuit het rapport

7.  Oecumenische positie

In verwante kerken in Nederland is de overwegende regel dat vrouwen niet net als mannen ambtsdrager kunnen zijn. Wel zijn er enkele uitzonderingen. Hetzelfde geldt voor zusterkerken in het buitenland. Dit is eigenlijk meer dan een praktisch argument: het is een oecumenisch argument. Met het voorstel van het rapport zouden de GKv, althans op dit punt, verschuiven van plek in het oecumenisch veld. Als het over de kerken in Nederland gaat, geldt niet het argument van het rapport dat wij het anders kunnen doen omdat wij nu eenmaal kerk zijn in déze specifieke culturele situatie. De andere kerken zijn dat net zo goed, maar bepalen hun positie daarin anders.

8.  Voorbeelden in de oecumene

Een tussenoplossing zou niet uniek zijn. De CGK hebben die ook, zo beschrijft het rapport; zij hebben een apart formulier voor de ‘Bevestiging in een bijzondere dienst’. Ook in sommige zusterkerken elders in de wereld hebben deputaten een tussenoplossing gesignaleerd: de uiteindelijke leiding ligt bij een uit mannen bestaande kerkenraad. Het rapport vermoedt dat een aantal mogelijke tussenoplossingen slechts overgangsmaatregelen zullen blijken te zijn die geen lang leven beschoren is. Een beetje meer respect voor de regelingen van zusterkerken zou wel gepast zijn. Verder zouden we kunnen terugdenken aan een gegeven uit onze eigen geschiedenis: de ‘pacificatieformule’ van 1905. De kerken zochten en vonden vrede, zonder te speculeren over hoe lang die formule houdbaar zou blijken te zijn.

9.  Vrede in de kerken

Binnen de GKv-kerken zelf leven over vrouw en ambt uiteenlopende visies, zoals het rapport met gebruikmaking van onderzoek in de praktijk weergeeft; zowel tussen kerken als binnen gemeenten. Op een lijn tussen twee uitersten komen alle mogelijke posities voor. Deputaten tillen zwaar aan de pijn die, welke beslissing de kerken ook nemen, een deel van de kerkleden zal lijden; zo zwaar dat ze daar een voorafgaand afzonderlijk rapport aan hebben gewijd. Voor een radicale beslissing als voorgesteld in het rapport zou je – een tikje cynisch – kunnen aanvoeren dat de zure appel het snelst wordt doorgebeten, waardoor de pijn het kortste duurt. Maar dat is dan wel een pijn die eenzijdig aan één kant van het spectrum wordt geleden. Is dat billijk? Is dat optimaal rekening houden met elkaar? We kunnen verwachten dat de kerken aan de nieuwe praktijk zullen wennen, maar ook de kans op een scherper conflict is reëel. Zoals uit de principiële discussie blijkt is met ‘pijn’ niet alles gezegd, en althans een deel van de kerkleden zal zeggen dat het ze daar niet om gaat: ze zouden bereid zijn om pijn te lijden als ze maar overtuigd waren dat dit de weg is die de Heer wijst.

10(a).  Het diakenambt (1)

Een van de mogelijke tussenoplossingen die het rapport noemt is de openstelling van het diakenambt voor vrouwen. Inderdaad zou dat minder vérstrekkend zijn dan de openstelling van alle ambten voor vrouwen. Dat geeft al aan dat er met de verhouding tussen beide ambten, dat van oudste (inclusief predikant) en diaken iets bijzonders aan de hand is. Dat verdient nadere doordenking: wat is dat dan? Wat zegt dat? Zo dadelijk verder daarover.

11.  Bedenk mogelijke consequenties

Als de ambten opengesteld worden voor vrouwen net als voor mannen, kan dat vérgaande consequenties hebben. Het kan leiden tot een kerkenraad die hoofzakelijk of zelfs uitsluitend uit vrouwen bestaat. In de praktijk zal het mogelijk zo’n vaart niet lopen: het rapport geeft aan dat in kerken waar de vrouw tot het ambt werd toegelaten, na verloop van tijd het aantal vrouwelijke ouderlingen weer wat terugloopt. Zegt dat niet iets? Misschien – met een variant op een bekende zegswijze – dit: de natuur is sterker dan de aanvechtbare leer. Maar de mogelijkheid van dominantie van het aantal vrouwen blijft. Moeten we dat echt willen? Het man-zijn en het vrouw-zijn kunnen in een concurrentiestrijd verwikkeld raken (straks meer daarover). Het lijkt me al te cynisch om te opperen dat de eis van een vrouwenquotum zal opkomen, maar de roep ‘we willen een vrouw, stem op een vrouw!’ is niet denkbeeldig. Een andere consequentie is dat een gemeente een aantal jaren lang vanaf de kansel hoofdzakelijk door een vrouw wordt gediend. Moeten we dat willen?

Andere argumenten

10(b).  Het diakenambt

Er zijn verschillende ambten. Er bestaat niet zoiets als ‘het ambt’ in de kerk, blijkt in Ambten in de apostolische kerk van J. van Bruggen. De Reformatie heeft benadrukt dat geen ambtsdrager over een andere mag ‘heersen’. In de twintigste eeuw is in de gereformeerde ambtstheologie opnieuw benadrukt dat het diakenambt niet lager staat dan dat van ouderling. Nu maakt Van Bruggen duidelijk dat het woord diaken in het nieuwtestamentisch Grieks ‘helper’ betekent. Verder is de positie van oudsten in het Nieuwe Testament veel prominenter dan die van diakenen. En waar ze samen voorkomen gaan de oudsten altijd voorop.

Ook de tendens in de praktijk dat ervaren diakenen veel vaker ouderling worden dan andersom, geeft te denken. In Handelingen 6, als regel beschouwd als de bakermat van het diakenambt, is het ambt van de zeven weliswaar een zelfstandig ambt, niet door de apostelen ‘overheerst’; de beide ambten staan naast elkaar. Toch is hun werk een afsplitsing van het totaalpakket van de functie van de apostelen. Die concentreren zich voortaan op de eerste prioriteit of het centrum van hun taak.

Een merkwaardige parallel

Er is een merkwaardige parallel tussen de man-vrouwverhouding en de ouderling-diakenverhouding. ‘Niet gelijk maar wel gelijkwaardig’ dekt die verhouding niet helemaal. Er loopt (zegt Van Bruggen) een lijn van het Nieuwe Testament naar de latere praktijk waarin de diaken niet met de opziener op een lijn staat.

We kunnen deze lijn zien doorlopen in de verhouding tussen ‘zending en barmhartigheidswerk’ of ‘zending en hulpverlening’ in de zending. De naamgeving ligt al gevoelig. Het vroegere ‘hoofd- en hulpdiensten’ is wegens bezwaar verdwenen. Beide zijn zelfstandig; een evangelieprediker op het zendingsveld is niet competent in de zorg. Beide zijn even onmisbaar. Proberen ‘zielen te redden’ zonder begeleidend barmhartigheidswerk vertolkt het evangelie niet goed. Aan de andere kant: en als de boodschap ondersneeuwt is het geen zending meer maar noodhulp of ontwikkelingswerk. Toch worden gelovige patiënten wel gered en genezen patiënten die geen christen worden niet.

11.  Slingerbeweging

Het betoog van het rapport is – zoals ik heb laten zien, ook al in het vorige stuk – niet helemaal uitgekristalliseerd. Het heen en weer tussen enerzijds het ‘samen’ en de ‘eenheid’ in de gemeente en anderzijds de in de Bijbel gesignaleerde verschillen in de positie tussen man en vrouw houdt iets van een slingerbeweging. Zoeken naar een tussenoplossing zou aan dat gegeven meer recht doen dan het doorhakken van de knoop.

Die slingerbeweging in het rapport hangt waarschijnlijk samen met wat er plaatsvond in de boezem van het deputaatschap. Meer dan een deputaat heeft in het verleden blijk gegeven van een ander standpunt. Dr. Wisselink publiceerde een bundel preken over 1 Corinthiërs 11 die helemaal in de lijn van Van Bruggens ‘Emancipatie en Bijbel’ ligt. Dr. E.A. de Boer schreef in De Reformatie over de dochters van Filippus die profetessen waren: zij opereerden niet op zichzelf maar behoorden tot de ‘familia’ van hun vader. Op een voorlichtingsavond van deputaten in Barneveld (samen met deputaten M/V in de kerk) kregen de aanwezigen een kijkje in de keuken: deputaten hadden in het begin afgesproken niet met elkaar uit te wisselen hoe ze erin stonden, en werkende weg kwamen ze – niet zonder pijn waar het een meningswijziging betrof – tot het gemeenschappelijke rapport. Zo kan dat gaan als je intensief met elkaar bezig bent. Deze gang van zaken geeft de conclusie van het rapport temeer het aanzien van het doorhakken van een knoop dan van een rijp resultaat. De kerken en hun leden hebben dit groepsproces niet meegemaakt; zij houden ruimte om, uitgaande van het rapport, de voorkeur te geven aan een tussenoplossing waarin ook eerdere inzichten van enkele deputaten zijn verwerkt.

12.  Huwelijk en moederschap

In de Bijbel is voor de man-vrouwverhouding het huwelijk de dominante invalshoek, constateert het rapport. Ik zou het nog sterker willen zeggen: het huwelijk is iconisch. Weliswaar wordt trouwen in 1 Corinthiërs 7 gerelativeerd in vergelijking met ongetrouwd blijven, maar het huwelijk komt in het licht te staan van de verhouding tussen Christus en de gemeente (in het verlengde van het Oude Testament: God en zijn volk, het verbond). Je kunt dat niet relativeren met de waarneming dat vrouwen tegenwoordig vaker buiten het huwelijk en de echtelijke woning hun bestemming in de maatschappij vinden. Het is een blijvende lijn in de Bijbel, tot in het visioen van Openbaring toe: de bruiloft van het Lam; Nieuw Jeruzalem als de bruid, de vrouw van het Lam. Dat moet een kritische tegeninstantie blijven tegen de slijtage van het huwelijk in onze cultuur. Ongehuwd samenwonen, echtscheidingen en daarop volgende huwelijken rukken op, ook in de kerk. Werk en loopbaan van de vrouw als zelfstandige prioriteit behoren tot de factoren voor echtscheiding; tegenwoordig worden economische zelfstandigheid van de vrouw en trouwen in gemeenschap van goederen zelfs aanbevolen als ‘voorbehoedmiddel’ met het oog op een eventuele echtscheiding – maar daarmee wordt het ook een ‘voorbehoudmiddel’ bij het aangaan van een huwelijk. De christelijke gemeente moet in haar prediking én haar praktijk van de man-vrouwverhouding hier afstand van nemen en houden.

Gedaalde prioriteit

Hetzelfde geldt voor het moederschap. Kinderloosheid mag dan niet meer dezelfde betekenis hebben als in het Oude Testament, de kerk moet kritisch zijn op de gedaalde prioriteit van kinderen krijgen in de huidige cultuur. Ook in de kerk is de praktijk opgerukt dat getrouwde of samenwonende stellen maatregelen nemen tegen een eerste zwangerschap – ‘uitstellen’ is eigenlijk een eufemisme. Eerst was het motief om ‘eerst aan elkaar te wennen’, ‘van elkaar te genieten’; vervolgens werd de opbouw van de carrière ook van de vrouw een eerste prioriteit. In de Bijbel is het moederschap iconisch in het Oude Testament sinds Eva, moeder der levenden, moeder van het nageslacht dat de overwinning zal behalen op de macht van het kwaad. Het is iconisch (in het verlengde van het verbond als huwelijk tussen God en zijn volk) in Sion en haar kinderen. Niet idealiserend, maar zelfs realistisch: de profeet Hosea heeft het geweten.

In het Nieuwe Testament blijft kinderen krijgen een zware bevalling. Maar juist dan is er het visioen van de vrouw in weeën die haar zoon ter wereld brengt (Openbaring 12): een icoon van het volk van God. Het hemelse Jeruzalem is onze moeder; daarmee wordt een oudtestamentische profetie vervuld. Kinderen krijgen blijft primair in de christelijke praktijk in het Nieuwe Testament. In 1 Timotheüs 2 wordt dat naar voren gehaald in het volle licht. Aanwijzingen voor de opvoeding gaan vooraf aan die voor de arbeidsverhouding. Tot de jongste dag hebben we allemaal een moeder.

Grijze gebieden

Tegenwoordig zien we in dat de praktijk van het uitslijtende huwelijk en de oprukkende echtscheiding schadelijk is voor de ontwikkeling van kinderen. Maar mogelijk is ook de praktijk dat vrouwen na een paar maanden zwangerschapsverlof hun kind naar de kinderopvang brengen ongunstig voor de hechting van baby’s.

Bij de genoemde hedendaagse praktijken (echtscheiding, daarop volgend tweede huwelijk, ongehuwd samenwonen, zwangerschap tegengaan, beiden werken en kinderen naar de crèche) wordt in de kerk wel gezegd dat het ‘mag’ – onder bepaalde voorwaarden, met restricties, in bepaalde gevallen. Maar zou het niet beter zijn als we bij het scheppen van structuren voor ‘de vrouw in het ambt’ grijze gebieden uit de weg gaan? Moeten we een structuur scheppen waarin een predikant ter wille van haar ambt haar kind van onder de twee jaar naar een crèche brengt?

Ik hoor regelmatig van kerken die hun predikant geen toestemming geven om langer dan drie weken naar het buitenland te gaan om aan een zusterinstelling theologie te doceren. Ik zou het hypocriet vinden als zulke kerken een predikant zouden beroepen die in een voorkomend geval recht heeft op zo’n vier maanden zwangerschapsverlof.

13.  Concurrentie en verschillenvrouw en ambt 2

Het rapport leunt sterk op de positie van de vrouw in onze huidige cultuur, zoals dat veel vrouwen zelfstandig in de samenleving functioneren buiten de kring van huwelijk en gezin. Ook zijn ze vaak beter dan ooit opgeleid en kunnen ze daardoor meer bijdragen aan het werk in de gemeente, bijvoorbeeld in de catechese. Wie zou deze ruimere mogelijkheden voor de vrouw niet toejuichen? Het rapport verbindt dat met het genadig herstel van de positie van de vrouw door Christus. Aan een evaluatie waarin ook kritiekpunten ruimte kunnen krijgen komen ze niet toe.

De dominante vraagstelling in onze cultuur is: kan de vrouw ook wat de man kan? En moet ze het recht hebben om dat ook te gaan doen? Gevolgd door de vraag: moet dat meer gefaciliteerd en gestimuleerd worden?

In de westerse cultuur van de laatste honderd jaar is dat begrijpelijk. Even begrijpelijk is dat deze vraagstelling prominent is in de discussie over vrouw en ambt. Terwijl die in andere situaties – de vrouw meewerkend op een kleine boerderij; de vrouw die er alleen voor staat; vrouwen in een kerk waar praktisch geen mannen lid zijn; vrouwen onder elkaar, vrouwen die vrouwen helpen – niet of veel minder speelt.

In dit kader hebben argumenten dat de vrouw dit of dat óók kan, meer dan vroeger misschien, en zo niet in alle dan toch in veel gevallen, overtuigingskracht. Evenals argumenten dat man en vrouw sámen het beeld van God zijn, de ‘cultuuropdracht’ gekregen hebben, in Christus zijn, de gaven van de Geest hebben gekregen zoals profetie, enzovoort.

Hormonen

Intussen: de probleemstelling is eenzijdig en in die zin aanvechtbaar. ‘Samen’ kun je ook anders invullen. En je kunt de bekende formule ook anders invullen: ‘wel gelijkwaardig, maar niet gelijk’. Laten we opnieuw open naar de verschillen kijken. Dat kan ook zonder ze te vet aan te zetten zoals in de romantiek; zonder er tegenpolen van te maken of er een maatschappijvisie uit op te bouwen. Gemiddelde verschillen. Samen krijgen man en vrouw in Genesis 1 de zegen en opdracht om de wereld te bevolken, maar de vrouw is de enige die een kind in zich kan dragen en ter wereld kan brengen. Dat zegt niemand, omdat het triviaal is. Maar het is wel mee bepalend voor haar existentie, tot in de hormoonhuishouding toe, ook van vrouwen die geen kinderen krijgen. Het moederschap werkt door: de vrouw kan een kind aan de borst koesteren zoals een man dat niet kan. De HEER troost zoals een moeder haar zoon troost, zegt de profeet, en wij mannen kunnen niets anders doen dan de hand op de mond te leggen. Man en vrouw hebben samen de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van de kinderen; tegelijkertijd staat de vrouw in veel opzichten dichter bij de kinderen, heeft de hechtste emotionele band met ze, en heeft mee daardoor een spilfunctie in het gezin en het huishouden. Nog steeds is het huishouden primair het domein van de vrouw – over het algemeen, gemiddeld, wil ik er best weer bij zeggen om korzelige interrupties voor te zijn.

Tegelijkertijd blijft de positie van de vrouw in concurrentie met de man op de werkvloer problematisch. Moet zij véél beter zijn om naast een man in aanmerking te komen, is ze genoodzaakt om haantjesgedrag over te nemen en een bitch te worden om zich staande te houden in een mannenwereld. Is er een glazen plafond, en zo ja, heeft dat er misschien mee te maken dat veel vrouwen toch niet helemaal van harte willen? Is het ideaal pas bereikt als vijftig procent van de mariniers vrouw is? Verder ontstaan er op de werkvloer erotische spanningen, relaties en misstanden, waarvoor een adequate aanpak ontbreekt.

Bevrijding?

In de samenleving is dat al langer het geval. De vrijheid in de omgang tussen jongens en meisjes, mannen en vrouwen, heeft de verantwoordelijkheid om grenzen in acht te nemen wel heel eenzijdig bij de individuen gelegd. Beschermende kaders en structuren zijn weggevallen en de kerk heeft zacht gezegd niet adequaat gereageerd. Een van de gevolgen is dat ‘wachten tot je trouwt’ in de praktijk is uitgehold en nog slechts door een minderheid wordt gehonoreerd. Ongehuwd samenwonen is in de praktijk geaccepteerd, te meer door de argumentatie dat stellen in een aantal gevallen toch wel een band voor het leven voor ogen hebben. De samenleving heeft ‘de pil’ vanaf het begin begroet als een bevrijding voor de seksualiteit, met name voor de vrouw die niet meer zwanger hoeft te worden als ze dat niet wil. Maar die bevrijding valt in de praktijk tegen: seks (buiten het huwelijk) vindt vaak plaats om ‘maar toe te geven’; er is minder ruimte voor de vraag: wil ik dit eigenlijk wel?, en ook achteraf: vond ik het eigenlijk wel zo fijn? Of – in andere constellaties – hij houdt wel van mij, maar ik ben bang dat hij tenslotte toch voor zijn vrouw en gezin zal kiezen…

Tenslotte went de samenleving aan wat kortweg de ‘genderideologie’ wordt genoemd – gehekeld door iemand als paus Franciscus. We wennen aan een verscheidenheid van seksuele oriëntaties. We wennen er vooral aan om het normaal te vinden dat die er nu eenmaal zijn. En aan het idee dat die niet afwijkend zijn, maar gewoon anders. Ook daarin is iedereen vrij. De homofiel die zich instelde op een leven in eenzaamheid en zelfbeperking heeft plaatsgemaakt voor de homo die vrolijk (‘gay’) is. Er zijn mensen die zich laten ombouwen – er zijn er ook al die daar spijt van hebben gekregen. Maar mensen zijn vrij, ook in het ‘kiezen’ van hun ‘gender’, hun seksuele oriëntatie en levensstijl. De vraag rijst of de toegenomen gelijkheid van mannen en vrouwen, ook in hun posities in de samenleving, niet bijdraagt aan de onzekerheid van jongeren in de ontwikkeling van hun seksuele identiteit. Ben ik wel echt een man? Ben ik wel helemaal een vrouw? Als mijn vader in een leren pak naar de homoscene is vertrokken? Als mijn moeder het erover heeft om zich te laten ombouwen?

De kerk ‘stribbelt mee’

Tegen veel van dit soort tendensen in de samenleving verzet de kerk zich aanvankelijk veelal hevig. Van een aantal zal ze afstand proberen te houden. Maar de leden wennen geleidelijk aan veel wat in de samenleving gangbaar is. Kortom, de kerk ‘stribbelt mee’ en leert ermee te leven. Een tussenoplossing inzake vrouw en ambt, zoals hier bepleit, geeft de mogelijkheid om een streep te trekken. Niet ‘radicaal’ in de zin van het vormen van een eigen subcultuur – alles bij het oude laten – maar wel duidelijk.

God schiep de mens mannelijk en vrouwelijk, de man eerst; die volgorde wordt in het volgende bijbelhoofdstuk uitgewerkt, in het Nieuwe Testament wordt erop teruggegrepen, en nog steeds is die volgorde gangbaar in het spraakgebruik. Het is nog sPicture of a brass statue by sculptor Sean Henry entitled Couple at Newbiggin By The Seateeds de regel dat de man het huwelijksaanzoek doet. In het huwelijk is de man meer de initiatiefnemer; de lichaamsbouw weerspiegelt dat. Verder valt, als je ze naast elkaar zet, op dat vrouwen gemiddeld iets kleiner van stuk zijn dan de man; het bijgaande plaatje, een standbeeld, beeldt dat treffend uit. In het algemeen zijn, in ieder geval in romantische relaties, zowel vrouwen als mannen gelukkig met dit verschil. Verder vinden we het nog steeds normaal dat voetbal, kracht- en duursporten door mannen en vrouwen apart worden beoefend.

Therapeutisch Godsbeeld

Ik ben bang dat de vrouw gelijk met de man in het ambt en bijvoorbeeld een aantal jaren predikant in de gemeente een bedenkelijke tendens zal versterken. Het is wel genoemd de feminisering van de kerk. Ik denk daarbij aan het verschijnsel dat waarden als zachtheid, voorzichtigheid, rekening houden met ieders gevoeligheden en proberen de boel bij elkaar te houden worden vertolkt en gepromoot – terecht, maar eenzijdig, terwijl moed, vrijmoedigheid, beslistheid en terechtwijzing terugtreden. Het hangt samen met wat genoemd wordt het ‘therapeutisch Godsbeeld’. Troost wordt geboden, aansporing (‘uitdaging’) minder. Alsof er in de kerk wel beproefde, maar geen slappe en gemakzuchtige mensen zitten. Deze tendens is sterk, let wel, momenteel, onder leiding van mannen. Vrouwen op de preekstoel en aan de leiding zouden deze tendens kunnen versterken. De klank van hun stem alleen al zou daaraan bijdragen. Ik zeg dit met aarzeling, beseffend dat dit soort gedachten in het huidige klimaat op sterke weerstand stuiten. Let wel, als ik gelijk heb doet dat niets af aan de kwaliteiten van vrouwen; zij tonen dan juist waar zij sterk in zijn en waarmee zij kennelijk op mannen in deze tijd sterke invloed hebben. Prima, dat moet vooral zo blijven. Maar goede leiding kan (naar gelang van de situatie) zacht én scherp zijn, rustig én gedecideerd, luisterend én sprekend, empathisch én assertief. Heeft iemand zich wel eens proberen voor te stellen hoe een apostolische brief geklonken zou hebben als die door een vrouw geschreven was?

Paradox

De concurrentiebenadering voert in het slop. Dat spreekt duidelijk uit Efeziërs 5. Ik vat de conclusie daaruit samen: het is de positie van de man om voorop te gaan en de manier om dat te doen is dienen, in nederigheid die tot het uiterste gaat; het is zijn verantwoordelijkheid om dat van harte te doen en zich daarin te geven. De vrouw moet de leiding van de man accepteren, en kan zodoende schitteren, ze kan ongedachte glorie bereiken.

Deze lichtende paradox stelt de concurrentiebenadering in de schaduw. Geldt dat alleen in het huwelijk of is er ook een lijn te trekken naar het samenleven van mannen en vrouwen in het algemeen? Laten we even denken aan de oorlog – tenslotte heeft het aardse bestaan een strijdkarakter. Niemand wil het; maar als het moet, is het de grootste uitdaging en gaan mannen, en komen vrouwen, tot het uiterste van hun mogelijkheden.

Er is in de Bijbel sprake van de vrouw in een soort ambt: het ambt voor weduwen. Als die passage (1 Timotheüs 5: 3-16) beschrijft wat voor vrouwen voor dat ambt in aanmerking komen, krijgen we een soort icoon te zien, een richtingwijzend beeld van de vrouw in de kerk. Dit ambt is helemaal toegesneden op de vrouw; de man is hier buiten beeld; hier valt niet te denken aan een ‘ambtsdrager m/v’.

14.  Onderschikking binnen de Drie-eenheid

We spraken, in verband met de vrouw, over het nieuwtestamentische ‘zich schikken naar de leiding van’; in oudere weergaven: ‘zich onderschikken’ of ‘zich onderwerpen’. We zagen een parallel tussen de ambten van oudste en diaken: niet het diakenambt lager dan het ambt van oudste, maar toch ook niet angstvallig precies op hetzelfde niveau. Er is een analogie die nog verder gaat en misschien gewaagd klinkt: die tussen de personen van de drie-enige God.

We zijn al vanaf de eerste eeuwen van de kerkgeschiedenis vertrouwd met de belijdenis dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest alle drie gelijkelijk God zijn. Ze zijn één, ze zijn alle drie eeuwig, er is geen rangorde. Tal van opvattingen die daaraan afbreuk deden en nog steeds doen, zoals dat de Zoon lager zou staan dan de Vader of dat de Geest een onpersoonlijke kracht zou zijn, zijn daarmee afgewezen.

We zien een zekere onderschikking van de Zoon aan de Vader

Toch is er, binnen dat geheimenis van de drie-eenheid, verschil. In de geschiedenis van de openbaring: al vanaf de schepping was God de drie-enige actief, alle drie de Personen waren erbij betrokken, maar pas geleidelijk aan werd de Zoon geopenbaard als een Persoon onderscheiden van de Vader. De Geest van God was werkzaam in het Oude Testament en in Jezus Christus op aarde, maar daarna werd Hij uitgestort en werd de kerk vertrouwd met Hem als een zelfstandige persoon. Dat komt ook uit in de vaste volgorde waarin we de drie personen noemen en over hun onderscheiden werk spreken, zoals in de Apostolische Geloofsbelijdenis. Er is verschil in de onderlinge verhouding: de Zoon is geboren uit de Vader; Hij is de Vader gehoorzaam en voert diens wil op aarde uit. Dat kun je niet omdraaien. Hij vernederde zich diep, tot in de dood. Dat kun je van de Vader niet zeggen, hoeveel pijn het ook Hem moet hebben gedaan. Terwijl Zij beiden daar tegelijkertijd over overlegd hebben en het er volstrekt over eens waren; de Vader hield van de Zoon, had alle vertrouwen in Hem en was trots op Hem; de Zoon onderwierp zich met een volkomen vrije wil, bereidheid en overgave aan de Vader.

De Heilige Geest gaat uit van de Vader en de Zoon. Hoewel Hij ook over zichzelf spreekt, evenals de Vader en de Zoon, spreekt Hij toch vooral over Jezus Christus en dient Hem daarmee. Hij is daarmee niet minder.

Kortom, we zien een zekere onderschikking van de Zoon aan de Vader en van de Geest aan de Zoon en de Vader, zonder dat dat blijkbaar afbreuk doet aan hun goddelijke gelijkheid. Theologen discussiëren hier vandaag nog steeds over, waarbij de een de nadruk legt op de gelijkheid en de ander op de onderschikking.

Aan het slot van de bespreking van analogieën nog een belangrijke notitie. Wij zijn geneigd in structuren te denken: hoe ligt de verhouding. De doorgaande spreekwijze van de Bijbel is anders: die spreekt personen aan, doet daarmee recht aan hun verantwoordelijkheid en vraagt van hen een daad of een houding. De Bijbel zegt: ‘Vrouwen, respecteer de leiding van de man’; in ons hoofd ontstaat dan het plaatje: ‘de vrouw staat lager dan de man’ (maar daar willen wij tegen opkomen). Maar de klank is heel anders; het eerste is veel respectvoller tegenover vrouwen dan het laatste. Laten we luisteren – in de analogie – naar de tóón als we in de Bijbel lezen over de onderwerping van de Zoon aan de Vader.

15.  Priscilla

Onlangs stond in ‘Nader Bekeken’ een artikel over Priscilla, de vrouw van Aquila (van de hand van de al genoemde ds. F. Wisselink). Dat inspireert me nog tot een tussenopmerking over haar. De beide echtelieden worden meermalen in Handelingen en door Paulus in één adem genoemd, niet zelden de vrouw (Priscilla of Prisca) voorop. Blijkbaar had zij een behoorlijk vooraanstaande positie, zowel in het bedrijf als in het aanvullend onderwijs aan Apollos. Het doet vermoeden dat zij vakbekwaam was, zakelijk inzicht had en ondernemend was, onderlegd in de christelijke leer (wij zouden al gauw zeggen ‘theologisch’) en bekwaam om te onderwijzen. ‘Samen’ is het trefwoord in genoemd artikel. Daaraan kunnen we toevoegen dat haar positie, in beide functies, duidelijk die van getrouwde vrouw naast haar man is. Zij opereert niet ‘los’ te midden van mannen, maar, hoe zelfstandig ook, aan de zijde van Aquila. Het privéonderwijs is goed te combineren met haar taak in haar gezin, haar huishouding – afgezien van de vraag hoe die was samengesteld, of zij bijvoorbeeld kinderen hadden. Priscilla past in het plaatje van 1 Timotheüs 5 (over het vroegere leven van de weduwe) en van Spreuken 31.

Tenslotte

Vrouwen moeten in de gemeente kunnen functioneren naast mannen. Mannen moeten functioneren als mannen, vrouwen als vrouwen. Mannen hebben een verantwoordelijkheid om voor hun deel ervoor te zorgen dat vrouwen tot hun recht komen. Nu, in 2017, is het moment voor de Generale Synode van de GKv om daarvoor een stap te zetten.

Mannen als mannen, vrouwen als vrouwen – in die volgorde. Niet gelijk. Gelijkwaardig, maar niet in de zin van een balans die angstvallig in evenwicht moet worden gehouden om concurrentie te voorkomen. De verhouding tussen man en vrouw, ieder naar hun eigen aard met bijbehorende specifieke mogelijkheden en beperkingen, is daar te subtiel voor. En tegelijkertijd is die wezenlijk. Je kunt appels en peren misschien met elkaar vergelijken, maar je koopt ze niet door elkaar.

‘Het ambt’ bestaat niet

Moet het een ‘ambt’ zijn? We concluderen dat die vraag betrekkelijk is. ‘Het ambt’ bestaat niet, er zijn verschillende functies. We spreken van een ambt (zoals het deputatenrapport uiteenzet) als het een duurzame functie betreft, waartoe men door de gemeente – en daarachter door God zelf – wordt geroepen en waarin men wordt ‘bevestigd’, geïnstalleerd. Zo gezien zou ook kerkelijk werker of jeugdwerker een ambt kunnen zijn. Dat laatste is al vaak het geval; we spreken dan van jeugdouderling. We onderscheiden al tussen twee soorten ‘oudsten’, waarvan er een predikant is (een onderscheid waarin de Bijbel ten dele voorgaat). En we hebben er geen moeite mee dat het ene ‘oudsten’-ambt meer bevoegdheden kent en in die zin hoger lijkt te staan dan het andere. We zouden ook kunnen onderscheiden tussen beleidsouderlingen en ‘pastorale’ ouderlingen (eigenlijk: ouderlingen voor het particulier pastoraat; want al deze functies in de gemeente zijn herderlijk of pastoraal). Catecheet of jeugdleider noemen we geen ambt, maar dat is meer een kwestie van naamgeving en praktische aspecten – te veel ‘ambten’ zou de procedure van roeping en bevestiging uithollen. Overigens: zou het niet meer voor de hand liggen om de gemeente namen te laten opgeven van personen die ze geschikt acht voor jeugdleider dan voor diaken?

Een tussenoplossing kan rekening houden met beide subtiliteiten, die in de man-vrouwverhouding en die in het ‘ambt’. Het is op dit moment te vroeg om daar een blauwdruk voor te ontwerpen. Ik stel me voor dat de synode een principe-uitspraak doet in de hier aangegeven zin en in de periode tot de volgende synode een regeling laat ontwerpen. Zo’n regeling hoeft niet alles dicht te timmeren. Rondkijkend in de oecumene zagen we al enkele opties en suggesties voorbijkomen. Nog een andere mogelijkheid zou bijvoorbeeld zijn om vrouwen met theologische kwalificaties preekbevoegdheid te geven – of je dat nu een ambt noemt of niet. Maar dat zijn maar suggesties. Veel wijsheid toegewenst aan de Generale Synode en de kerken die erbij betrokken zijn.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *