Mannen als mannen, vrouwen als vrouwen. Kanttekeningen bij het rapport ‘Samen dienen’ (1)

Inhoud
  1. Bijbelse bouwstenen
  2. ‘Twee lijnen’
  3. Debora, Barak en Jaël
  4. ‘Zwijgteksten’ en ‘hoofd’
  5. Het ambt
  6. Verschillende ambten
  7. Oecumene
  8. Conclusies in het rapport
  9. Aanbeveling in het rapport

Het rapport ‘Samen dienen’ van deputaten ‘M/V en ambt’ heeft iets definitiefs. Werkelijk van alle kanten wordt het onderwerp benaderd: Bijbel, kerkleer, praktijk, oecumene. Het resultaat is indrukwekkend. De hoeveelheid onderzoek en geleerdheid die hier is neergeslagen verdient diep respect. Deputaten mogen met een zucht van verlichting én met voldoening hun werk neerleggen.

Het rapport is genuanceerd, maar de conclusie is extreem. Alle ambten kunnen worden opengesteld voor vrouwen. (Het woord ‘extreem’ klinkt misschien niet aardig, maar het is verantwoord gezien de lijst met opties die het rapport biedt en die twee uitersten kent.)

Hiermee zijn meteen twee lijnen in het rapport aangeduid, anders gezegd: twee polen, waartussen het telkens heen en weer gaat. Het rapport wil voorzichtig zijn en de nuances recht doen die uit de studie naar voren komen. Aan de andere kant werkt het toe naar de radicale conclusie.

1. Bijbelse bouwstenen

Het rapport begint met bijbelse bouwstenen. Met deze opbouw zal iedere lezer instemmen. Al in het begin klinkt de waarneming dat in de Bijbel “de invalshoek van het huwelijk dominant blijkt te zijn.” Die bevinding wordt krachtig onderstreept: “Daarmee is meteen een methodische aanwijzing gegeven: man-en-vrouw is de aanduiding van een twee-eenheid die diep in de verhalen terug te vinden is. Het is in de Bijbel in zekere zin de basis-levensvorm van de mensheid waar al het andere sociale leven uit voortkomt.” Verder blijkt dan het moederschap centraal te staan in het bestaan van de vrouw; daarmee komt mee het besturen van haar huis (alle citaten op p. 8).

Welke conclusie trekt het rapport nu uit deze bevinding? Het grijpt heel even terug (zelfs zonder tekstverwijzing) op de opdracht om de aarde te beheren; “De opdracht geldt vandaag nog steeds voor de hele mensheid. Maar het komt steeds vaker voor dat mensen ongetrouwd zijn, door omstandigheden of uit overtuiging. De oorspronkelijke opdracht aan mannen en vrouwen wordt tegenwoordig deels uitgevoerd buiten de setting van het huwelijk. In het Oude en het Nieuwe Testament is maar summier aandacht voor de positie van vrouwen buiten het huwelijk.” Daaruit volgt de conclusie: “Het betekent op zijn minst dat bepaalde Bijbelgegevens niet zonder meer een-op-een in de huidige situatie toepasbaar zijn.” En in de samenvatting: “Dat die opdracht vandaag deels buiten het huwelijk wordt volbracht krijgt in de Bijbel vrijwel geen aandacht” (9).

God schiep de mens als man en vrouw. Niet als vrouw en man. Heeft die vaste volgorde ook een betekenis?

Hier krijgt, al vroeg in het rapport, de praktijk een stem in het kapittel. Die gaat mee bepalen hoe we de bijbelse gegevens verwerken. Dat is legitiem. Wij lezen de Bijbel en hanteren die in onze eigen situatie, waarin God ons een plaats geeft. Maar bij de manier waarop dat hier gebeurt zijn wel wat vragen te stellen. Onbekommerd spreekt het rapport van ‘tegenwoordig’. Geldt deze waarneming van de praktijk niet een heel beperkt deel van de culturen van de wereld? Later in het rapport blijkt dat daar wel oog voor is; in andere culturen is het anders en het eindvoorstel wil de openstelling van de ambten in de vrijheid van de plaatselijke kerken laten. Maar relativeert dat de waarneming ook niet een beetje? Is ‘onze’ cultuur op dit punt misschien atypisch? Trouwens, is het wel zo dat mensen vroeger veel minder vaak buiten het huwelijk hun maatschappelijke taak vervulden? In vroeger eeuwen hier, en in de bijbelse tijd en cultuur? En zijn er bij de ‘omstandigheden en motieven’ daarvoor niet in het algemeen vragen te stellen – zonder over individuele gevallen te oordelen? Is het bijvoorbeeld niet ongewenst, dat laagopgeleide mannen door het hoger gemiddeld opleidingsniveau van vrouwen geen vrouw kunnen vinden? En (de meer voor de hand liggende, bekendere opmerking) houdt het ongetrouwd blijven ook niet verband met het individualisme in onze samenleving? Kortom, kunnen we onze huidige cultuur wel zo als uitgangspunt nemen bij het lezen van de Bijbel, of kan het zijn dat de Bijbel hier nog een bijsturende functie wil hebben?

Iets dergelijks geldt voor het moederschap. Veel vrouwen, ook christenvrouwen, stellen het krijgen van het eerste kind uit ter wille van hun maatschappelijke functie en positie. En moeten we het normaal vinden dat vrouwen een poosje zwangerschapsverlof krijgen en vervolgens hun baby naar een crèche brengen? En aan de andere kant: ongewilde kinderloosheid is nog steeds algemeen een diepe pijn voor wie het treft. Het moederschap is in de Bijbel meer dan een statistische regel of een startgegeven; het is ook iconisch. Ik wil hier ook het oudtestamentische beeld van Sion en haar kinderen in geding brengen, en het visioen in Openbaring 12 van de vrouw die het kind ter wereld brengt. Dat is weliswaar een stap verder, maar dat kunnen we niet zonder meer als metaforen afdoen.

Naar aanleiding van de zinspeling op Genesis 1 zou ik nog willen opmerken: God schiep de mens als man en vrouw. Niet als vrouw en man. Heeft die vaste volgorde ook een betekenis? Moeten we bij dit scheppingsverhaal ook niet Genesis 2 betrekken, waar in het Nieuwe Testament Paulus opeens weer op teruggrijpt: eerst is Adam geschapen, daarna Eva (1Timoteüs 2)?

2. ‘Twee lijnen’

Snel verder naar een paar volgende uitspraken uit het rapport. Over het Oude Testament: “De doorgaande lijn is: de vrouw is ondergeschikt aan de man” (9). En dan: “Aan het beeld van de ondergeschikte vrouw wordt ‘probleemloos’ vastgehouden in het Nieuwe Testament.” “Vrijwel tegelijk hiermee is er nog een ander beeld dat in de Bijbel geschetst wordt (…) Hier verschijnt de vrouw alleen in positief liefdevol licht.” De volgende paragraaf gaat verder met het opschrift: “God creëert ruimte voor de vrouw” (9). Van deze uitvoerige paragraaf citeer ik de samenvatting: “in de Bijbel is de culturele tendens waarneembaar om vrouwen te zien als ondergeschikt aan de man. Maar in de Bijbel wordt ook een tegenkracht zichtbaar die voortkomt uit Gods genadige verlossing en die voor de samenleving concrete aanzetten biedt tot herstel van de vanaf het begin bedoelde wederkerigheid in de man-vrouw-relatie” (10).

Er valt een beslissing over de vraag wat genadig is en wat cultuurbepaald is

Vervolgens maakt het rapport even pas op de plaats voor wat we kunnen noemen een hermeneutische beschouwing. Hoe moeten we de verschillende Schriftgegevens in hun onderlinge samenhang interpreteren? Het beeld van de vier ‘lagen’ is verhelderend. Terecht wordt gezegd dat we uit de vloek in Genesis 3 (de man zal over de vrouw heersen) geen rechtstreekse conclusie kunnen trekken over Gods wil voor de man-vrouwverhouding nu. Na de schepping komt de gebrokenheid, maar vervolgens ook genadig herstel en vernieuwing. Al te vaak is inderdaad het Schriftgezag te ‘massief’ opgevat. Alleen: deze hele beschouwing is niet voldoende grond voor de conclusie van het rapport, namelijk “dat het Nieuwe Testament een dubbele lijn lijkt te trekken: de genadige lijn: in Christus Jezus bent u allen één; en de cultuurbepaalde lijn: geen zeggenschap over de man” (15). Dit is in het rapport een voorlopige, nog geen definitieve conclusie. Toch is de formulering al vérgaand: er valt een beslissing over de vraag wat genadig is en wat cultuurbepaald is. Ik vraag me af of deze conclusie niet de bril is die al direct is opgezet. Als de vrouw “het vooropgaan van de man moet accepteren” (in de termen van het rapport, p. 24), zou daar dan een subtiel tekort aan genade in liggen?

De wel vaker voorkomende neiging om in de Bijbel ‘twee lijnen’ te onderscheiden is trouwens hachelijk. De Schrift is gegeven door God, die zichzelf niet tegenspreekt. Het is dan beter om ‘liever langer te luisteren’ naar Hem, en te constateren dat we het blijkbaar nog niet helemaal begrijpen; of dat de man-vrouwverhouding in de Bijbel subtieler ligt.

3. Debora, Barak en Jaël

Over Debora een enkele opmerking. Ik zou het in dit verband willen noemen de geschiedenis van Debora, Barak en Jaël (Rechters 4 en 5). Terecht concludeert het rapport, genuanceerd en voorzichtig, dat God blijkbaar soms een vrouw roept tot een leidende functie, maar dat dat wel een uitzondering is (die de regel bevestigt?, vraagt het rapport zelf, p. 15). Er valt niets af te doen aan die functie van Debora. Alleen, als er ten strijde getrokken moet worden doet zij dat niet zelf maar spreekt de man Barak daarop aan. Als hij dan een voorbehoud maakt en deze vrouw mee wil hebben, profeteert zij dat de eer van de overwinning naar een vrouw zal gaan. Dat is kennelijk een terechtwijzing aan het adres van Barak; het is ietwat vernederend. In die zin is er in dit verhaal een duidelijk verschil in positie tussen man en vrouw. Wie kan zich voorstellen dat een vrouw het leger had moeten aanvoeren en dat zij, als ze de medewerking van een man als voorwaarde had gesteld, ze ironisch te horen had gekregen dat een man een niet een vrouw de overwinning zou behalen? En is dat verschil hier echt te herleiden tot de cultuur van toen en daar?

Er is in dit verhaal een duidelijk verschil in positie tussen man en vrouw

Het rapport merkt op: “Bij elke rechter is duidelijk dat het een persoon betreft die niet direct door mensen gekozen zou worden.” Ik zou zeggen: door heel de rechtersgeschiedenis heen wordt het verval van Israël in die tijd weerspiegeld die in de inleiding in hoofdstuk 1 en 2 wordt geschetst. Gideon is wankelmoedig, Barak heeft niet genoeg moed voor de strijd tegen de Kanaänieten met hun ijzeren strijdwagens, verscheidene rechters zijn kennelijk baasjes met meerdere vrouwen, Jefta komt voort uit overspel met een prostituee en Simson is een losbol. In dit kader zegeviert God over de zwakte van Israël-in-de-persoon-van-Barak door middel van Debora en van Jaël.

4. ‘Zwijgteksten’ en ‘hoofd’

Typerend voor de redeneerwijze van het rapport is de bespreking van de zogenaamde ‘zwijgteksten’ en de teksten over ‘hoofd’. Die worden niet geminimaliseerd of in een keurslijf gewrongen. Hier neemt het rapport helder afstand: “Regelmatig bekroop ons daarbij het onbehaaglijke gevoel dat de uitlegger een draai probeert te geven aan de tekst zodat hij of zij er geen last meer van heeft en met een gerust hart kan pleiten voor de openstelling van alle kerkelijke ambten voor mannen en ook voor vrouwen” (19). En onze cultuur mag niet heersen over de exegese: “Staat elke man dan boven elke vrouw? Dat lijkt ver buiten de werkelijkheid te staan van vrouwelijke leidinggevenden in bedrijven en van gelijkwaardigheid in relaties. Voor een christen kan dat geen reden zijn om deze woorden te laten voor wat ze zijn en er vandaag niets meer mee te doen” (21). Maar dan komt ietwat plompverloren Genesis 1 weer om de hoek kijken: “Laten we bedenken hoe God de mens schiep: “mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen” (Gen. 1:27). Mannen en vrouw [sic] zijn samen het beeld van God” (21). Wat zegt dat over wat er nog meer over dit onderwerp in de Bijbel staat?

Geconstateerd wordt dat in de Bijbel “een rem” (20, 25) kan worden gezet op de vrouwelijke inbreng in de gemeente. Echter: “Het is ons niet duidelijk wat Paulus in deze hoofdstukken precies bedoelt, met name omdat er onvoldoende informatie beschikbaar is over de situatie waar hij op reageerde” (19). Het wordt duidelijk, zegt het rapport, “dat de interpretatie van deze teksten voor een groot deel afhangt van onze kennis en interpretatie van de cultuur in die tijd” (20). De conclusie is dat bij het spreken mannen en vrouwen zich gepast moeten gedragen. “Gepast gedragen is iets wat cultureel wordt bepaald en wat in die tijd en cultuur gepast is, hoeft dat in onze tijd en cultuur niet te zijn” (20). In de samenvatting klinkt het zo: het is “aan mannen en vrouwen om zich in dat spreken gepast te gedragen. Het lijkt aan te komen op samen werken van mannen en vrouwen in dienst van het evangelie” (20). Weer zo’n merkwaardige wending: waarom ‘komt het daarop aan’ en minder op wat er nog meer staat?

“De vraag is hoe je dat onderscheid vandaag vorm zou kunnen geven.” De vraag blijft liggen

Het rapport vermoedt dat het beperkte en gebrekkige opleidingsniveau van vrouwen in die tijd een rol speelt in de ‘zwijgteksten’ (25, vgl. 20). Wat dat betreft zou onze culturele situatie dus anders zijn.

Hier wordt het cultuurverschil een trampoline waar een gewaagde sprong op wordt gemaakt. Komen we zo nog wel weer binnen de kaders van de Bijbel terecht?

Mannen en vrouwen moeten zich “rolbewust” (21) gedragen, is de conclusie uit 1 Korintiërs 11. “Eigen symbolen hebben we daarvoor vandaag niet meer. De vraag is hoe je dat onderscheid vandaag vorm zou kunnen geven” (21). Dat lijkt me in dit verband een belangrijke opmerking en het rapport gaat daar opvallend laconiek mee om; de vraag blijft liggen. In de eindconclusie had dit open einde beslist nog moeten doorklinken!

Datzelfde geldt voor de uitspraak in een concluderend gedeelte: “God geeft de man een koppositie en de vrouw krijgt een positie waarin ze dat vooropgaan moet accepteren” (24). Die passage is al meer lezers opgevallen. Nog opvallender is dat die niet doorwerkt in de eindconclusie. We kunnen alle opmerkingen over leidinggevende en zelfs ambtelijke functies die de vrouw in het Oude en in het Nieuwe Testament (af en toe) heeft toestemmen – toch blijven déze noties staan als harde noten, die deputaten kennelijk niet van tafel hebben willen vegen maar toch ook niet meenemen.

Dat blijkt ook uit een afsluitende en concluderende paragraaf. “De route naar een besluit over M/V en ambt zal door de Bijbel moeten lopen, maar tot nu toe kunnen we daaruit geen eenduidig antwoord afleiden” (26). De conclusies hier zijn nivellerend; ze bevatten geen zinspeling op de gevonden verschillen in positie tussen mannen en vrouwen.

5. Het ambt

Een volgend hoofdstuk (nummer 3) gaat over de ambtsleer. Er is zoiets als een ‘ambt’ in de gemeente dat onderscheiden is van het ambt van alle gelovigen. Er zijn verschillende ambten. Bij een ambt behoren verschillende elementen.

Hier volgen enkele factoren die in het betoog van het rapport wijzen in de richting van vrouwen in het ambt (voor het gemak genummerd).

  1. In het Oude en Nieuwe Testament vervullen vrouwen soms ambtelijke taken: profetes, rechter, diacones e.d. Niet alleen oefenen zij bepaalde functies uit, zij hebben ook een positie die met de titel van een ambt worden aangeduid. Dan volgt een zin met een opvallend begin: “Zulke participatie van gelovige vrouwen mag ons bemoedigen om te dromen en te denken hoe vrouwen vandaag…” (35). Ik proef hierin een zekere gretigheid van deputaten. Hetzelfde doet zich voor als Mozes, Aäron en Mirjam worden genoemd; het rapport spreekt hier van een “diepe grondtoon” (35). Of proberen misschien een of meer deputaten met zulke spreekwijzen hun mededeputaten over de streep te trekken?

Ik proef hierin een zekere gretigheid van deputaten

  1. Ambtsdragers hebben geen prestige van zichzelf, maar krijgen hun bevoegdheid van Christus (34v, 37). Daarin kunnen mannen en vrouwen naast elkaar staan.
  2. De charismatische structuur van de gemeente is fundamenteel. Bij het ambt hoort een zekere mate van gaven van de Geest en ook vrouwen krijgen die (35, 37v). Dat laatste is met name in onze tijd het geval (37v) en die moeten dan ook worden opgemerkt en gehonoreerd.
  3. In de Reformatie wordt het ambt met z’n regerend gezag gemodelleerd naar de plaats die het regeerambt in de wereldlijke samenleving had (30). Hoewel het rapport het niet expliciet zegt, meen ik hier een relativerende notie te horen. Hoe dit gezag eventueel zou verschillen van het gezag in bijbelse zin wordt niet besproken.
  4. Het ambt is niet inherent aan een persoon, maar heeft z’n plaats in een collectief (34, 36). Dat geldt in de Reformatie, meer dan nu, ook van de predikant (35). Opnieuw: daarin kunnen mannen en vrouwen naast elkaar staan.
  5. Er moet sprake zijn van een inwendige en een uitwendige roeping. De inwendige roeping heeft in onze tijd, mee onder invloed van de evangelische beweging, meer nadruk gekregen. Ook bij vrouwen komt deze inwendige roeping voor, en doordat ze functies in de gemeente vervullen en gerichte opleidingen volgen wordt die in de praktijk aangewakkerd (37v).
  6. In de belijdenis wordt bij het ambt aan mannen gedacht, maar dit wordt niet uitdrukkelijk gezegd (37).
  7. Bij het ambt hoort een uitwendige roeping en (formele) bevestiging (38).

6. Verschillende ambten

In een samenvattende conclusie spreekt het rapport van “een genadig perspectief op het mede kunnen dienen door vrouwen, ook in richtinggevende zin” (36). Heel voorzichtig! Alleen de functie van het woord ‘genadig’ begrijp ik hier niet helemaal. Ik vermoed dat het als predikersuitbundigheid op te vatten is. Het lijkt me wat subjectief. Het ligt wel in de lijn van de eerder besproken visie op herstel en vernieuwing van de positie van de vrouw. Maar ik zou de suggestie dat het niet volgen van de lijn van deputaten ongenadiger zou zijn, van me af werpen.

Ik zet hier enkele elementen naast; de meeste daarvan komen wel in het rapport voor, maar die werk ik soms wat uit.

  1. Waar de Bijbel spreekt van ‘onderschikken’ van de vrouw aan de man en (“mogelijk”) van de man als ‘hoofd’ klinkt een notie van gezag mee. Het rapport zegt, veelbetekenend en suggestief: “in de Romeinse samenleving” (36).

“Een notie van gezag klinkt mee”

  1. Er zijn in het Nieuwe Testament wel een – niet nauwkeurig te bepalen – aantal ambten, maar er is niet zoiets als ‘het ambt’. (Zie J. van Bruggen, Ambten in de apostolische kerk. De titel spreekt met opzet van ‘ambten’, niet van ‘de ambten’, laat staan ‘ambt’ of ‘het ambt’.)
  2. Wat wij ‘diakenen’ noemen, zijn in het Nieuwe Testament ‘helpers’ (zie ook hiervoor Van Bruggen). Het diakenambt staat niet precies op een lijn met het ambt van oudste of leidinggevende. Dit wordt weerspiegeld in de positie van de vrouwelijke diaken in het Genève van Calvijn (Samen dienen, 31) en in de nieuwe kerkorde (32). In 1 Timoteüs 3 wordt bij diakenen ook van vrouwen gesproken, bij oudsten niet. In diezelfde brief (hfdst. 5) is er een specifieke positie voor een welomschreven categorie vrouwen: weduwen die aan speciale vereisten moeten voldoen. Het rapport legt er de nadruk op dat het diakenambt dan wel een andere positie kan krijgen ten opzichte van de kerkenraad, maar dat het geen lager ambt is; het “doet niet af aan de gelijkwaardigheid van de ambten” (38).
  3. In het Oude Testament is Sion, met haar kinderen, de geliefde vrouw van HEER. In het Nieuwe Testament is de gemeente de bruid van Christus, tot in het boek Openbaring toe. Het rapport vermeldt dit terloops en tekent aan dat het hier mannen en vrouwen samen betreft. Naar mijn mening heeft dit bijbelse thema veel meer over de man-vrouwverhouding te zeggen en vandaar ook over vrouw en ambt. Als we 1 Cor. 11 en Ef. 5 naast elkaar leggen komt dat duidelijk naar voren. Daar wil ik binnenkort apart over schrijven.

Een zusterdeputaatschap, ‘M/V in de kerk’, heeft gewerkt aan een onderzoek in gemeenten. Een brochure is in 30 gemeenten besproken. Een welkome eigentijdse aanvulling! Het toont aan, zeggen deputaten – en ik vind het overtuigend – hoe belangrijk het is dat er beleid wordt gemaakt dat de praktijk ondersteunt. Ik noteer verder dat “men weliswaar de traditionele exegese van de zwijgteksten bekritiseert maar niet licht een nieuwe breed geaccepteerde exegese weet te hanteren” (44).

Culturele opvattingen worden mee beïnvloed door de Bijbel – of  het negeren daarvan

Een aparte paragraaf bespreekt het “verschil tussen mannen en vrouwe volgens de wetenschap”. Ook dit is weer een welkome eigentijdse aanvulling. Deputaten concluderen dat “de verschillen tussen mannen en vrouwen niet zo relevant [zijn] als de vraag of iemand de gaven en talenten en roeping heeft” (48). Ik teken hierbij aan dat gekeken is naar hedendaagse wetenschappelijke inzichten. Het rapport zelf vermeldt ook: “Er zijn verschillen tussen mannen en vrouwen, maar deze verschillen hangen sterk samen met de culturele opvattingen“ (47). Niet uit te sluiten valt dat in de wetenschappelijke inzichten over de verhouding tussen mannen en vrouwen ook een culturele component meespeelt – in dit geval een factor die de verschillen relativeert. Bovendien worden culturele opvattingen mee beïnvloed door de Bijbel – of de afwezigheid of het negeren daarvan. Onze opvattingen over het thema van dit rapport worden niet alleen beïnvloed door bijbelse gegevens over vrouwen al dan niet in ambten en functies, maar ook door de manier waarop we mannen en vrouwen in de Bijbel zien functioneren, ook ten opzichte van elkaar; en… hoe we dat lezen. Dat laatste duiden we aan als hermeneutiek. Maar het sluit ook in: lezen als mannen en vrouwen, inclusief onze seksuele en genderidentiteit, in de samenleving. De ‘morele onderbuik’, of, in dit geval liever, de ‘religieuze onderbuik’, spreekt ook mee. Dat maakt dit thema extra gevoelig.

7. Oecumene

Deputaten hebben zich grondig georiënteerd op zowel praktijk als opvatting in ‘verwante kerken’ zowel in binnen- als in buitenland. Het blijkt dat – ruwweg samengevat – in de meeste verwante kerken geen vrouwen mogen dienen in de ambten. Zusterkerken in Canada en Australië, voortgekomen uit emigranten van de GKv, hebben zelfs gewaarschuwd dat de invoering van vrouwelijke ambtsdragers de relatie onder druk zet. Interessant zijn de waarnemingen in het rapport over de verschillende achtergronden van de praktijk en opvattingen in de buitenlandse kerken.

“Voor de taken die vrouwen uitvoeren, heeft in alle gevallen de kerkenraad de uiteindelijke verantwoordelijkheid”

Speciale opmerking verdient de regeling in de CGK. In deze kerken kan voor vrouwen gebruik gemaakt worden van een ‘Formulier voor de inleiding tot een bijzondere dienst’. Met betrekking tot een aantal buitenlandse kerken noteert het rapport samenvattend: “Voor de onderwijzende of leidinggevende taken die vrouwen uitvoeren in deze kerken, heeft in alle gevallen de kerkenraad de uiteindelijke verantwoordelijkheid. In de meeste gevallen wordt dit in praktijk gebracht door een mandaat of curriculum voor een commissie of groep, soms met supervisie van een contactpersoon uit de kerkenraad” (…).

Deputaten vinden hierin geen motief om hun pleidooi voor de vrouw in het ambt te heroverwegen of te modificeren. Ze gaan met deze gegevens nogal laconiek om. Binnen de wereldwijde kerk kunnen er plaatselijk verschillen zijn, zeggen ze. Dat betekent echter dat de GKv, door op dit punt de koers te verleggen, in ietwat ander oecumenisch vaarwater terecht kunnen komen, namelijk dat van kerken die ook de vrouw in het ambt hebben.

8. Conclusies in het rapport

Natuurlijk zijn we nieuwsgierig naar het laatste, concluderende onderdeel. Ik laat veel wat al aan de orde geweest is rusten.

Deputaten stellen dat de praktijk in het verleden steeds cultuurvolgend is geweest. Dat is een boude uitspraak. Je kunt zeggen: in de tijd en culturele wereld van de Bijbel waren ambtsdragers als regel mannen, in de latere kerkgeschiedenis ook. Maar wie zegt dat dat dan cultuurbepaald (of -volgend) was? Het is speculatief om een andere cultuur te veronderstellen waarin het anders had kunnen zijn; daar is blijkbaar geen materiaal voor. Wat dat betreft kun je met evenveel recht zeggen dat deze structuur blijkbaar universeel is, bedoeld voor alle tijden en plaatsen.

Deputaten stellen dat de praktijk in het verleden steeds cultuurvolgend is geweest. Dat is een boude uitspraak

We kunnen deputaten nageven dat ze niet uit zijn op openstelling van de ambten voor vrouwen omdat de cultuur dat eist, zoals ze zelf met nadruk zeggen (62). Wel hebben we de Bijbel in onze situatie toe te passen en dan kun je niet blind zijn voor die situatie. Ik heb wel aangegeven dat de manier waarop onze cultuur een rol speelt in het betoog voor discussie vatbaar is. Bovendien zijn deputaten er niet aan toegekomen om bij het patroon dat onze cultuur vertoont en ook in de kerk doorwerkt, kritische vragen en kanttekeningen te plaatsen.

Deputaten hebben hun best gedaan om de Schriftgegevens te laten spreken zonder verwringingen en zonder ze tussen ‘hermeneutische’ haken te plaatsen. Hier en daar noteerden we wel dat de plaatsing van gegevens ‘in die cultuur’ soms tot een zekere afstandelijkheid leidde, al bedoelden deputaten dat meer als voorzichtigheid.

Nuanceringen in de Schrift worden wel opgemerkt, maar niet meegenomen, of gerelativeerd

Wel leggen deputaten eigen accenten. Ze willen “vooral (…) bekijken hoe in onze tijd het woord verder gebracht kan worden” (61). Verder leggen ze sterk de nadruk op de gezamenlijkheid van man en vrouw voor God, in de kerk, in de geestelijke begaafdheid en in de vervulling van taken in de opbouw van de gemeente. We zagen dat ze meermalen nuanceringen in de onderlinge verhouding van man en vrouw wel opmerkten in de Schrift, maar die niet meenamen in hun betoog of probeerden te relativeren.

Deputaten stellen ook dat er uit de Schrift geen duidelijke conclusie is te trekken. Dat kan worden toegestemd als het betekent: niet duidelijk één kant op wijzend, niet zwart-wit. Het beeld vertoont veel nuances. Maar dat maakt het nog niet onmogelijk om conclusies te trekken. Je kunt ook concluderen dat de Schrift wijst in de richting van een genuanceerde praktijk en dat we er goed aan doen die koers te volgen.

9. Aanbeveling van het rapport

Het rapport zet een aantal mogelijke alternatieven op een rij (63vv). Van de meest behoudende optie: alles bij het oude laten, geen opening voor de vrouw in het ambt, tot de meest radicale: alle ambten openstellen voor vrouwen. Daartussenin staan maar liefst zes mogelijke tussenvormen. Een daarvan is: het diakenambt openstellen voor vrouwen. Andere opties komen neer op het scheppen van een speciale structuur. Een mogelijkheid is dat vrouwen wel bepaalde posities krijgen die, of ze nu ‘ambt’ genoemd worden of niet, wel een uitgesproken, officieel reliëf krijgen, waarbij ook een bevestiging in het midden van de gemeente behoort; dit aspect benadrukt het rapport regelmatig. Een andere mogelijkheid is dat vrouwen wel ambtsdrager kunnen worden maar dat er een kleine kernkerkenraad blijft waarin enkel mannen zitting hebben. Van verschillende van deze opties zeggen deputaten dat het een mogelijke tussenstap kan zijn en misschien wel een goede. Toch voeren ze tegen die tussenoplossingen bezwaren aan. Die komen erop neer dat het vlees noch vis is, dat het gekunsteld is, dat het verschil uiteindelijk alleen nog op papier zal blijken te bestaan en daarom niet houdbaar zal zijn.

Een knoop wordt doorgehakt. Een deel van de argumentatie daarvoor is pragmatisch

Langs die weg komen deputaten bij de meest radicale oplossing uit. Ze beseffen dat die een grote ommezwaai betekent en dat die nogal wat deining zal veroorzaken. Ik voeg eraan toe: deputaten hebben in een eerder rapport aangegeven dat, welke koers ook wordt ingezet, die altijd in een deel van de kerk pijn zal veroorzaken. Bij de nu voorgestelde keus komt die pijn in sterke mate in één deel van de kerk terecht.

De koers is wel duidelijk. Een knoop wordt doorgehakt. Een deel van de argumentatie daarvoor is pragmatisch: deze oplossing is in ieder geval houdbaar op de lange termijn.

Aan deze aanbeveling voegen deputaten wel direct toe dat ze die in de vrijheid van de plaatselijke kerken gelaten wil zien. Dat lijkt wijs: geen dwang. En open; in het concluderende gedeelte valt het woord ‘ruimte’ diverse keren. Het kan waarschijnlijk ook niet anders. Niet alleen lopen de gevoelens in de kerken over dit onderwerp sterk uiteen en zijn ze tegelijkertijd vaak diep (en terecht: het gaat om een diep ingrijpend thema). De verschillen tussen plaatselijke kerken zijn ook toegenomen. Maar bovendien is er is een cultuur gegroeid, en soms ook al praktijk geworden, dat de kerken zich niet altijd meer door een generale synode laten gezeggen. Tegelijkertijd roept deze suggestie nieuwe bezwaren op. Eigenlijk wordt het hele probleem op het bordje van de plaatselijke kerken geschoven. Die moeten zelf dealen met de overgangssituatie die onvermijdelijk ontstaat; met de verschillen van opvatting in hun midden, de pijn (bij een deel van de gemeente); de deining, de wrijving.

Het ligt in de bedoeling deze notities te laten volgen door een stuk met eigen conclusies en een eigen bijdrage over de man-vrouwverhouding volgens de Bijbel.

Recent schreef ik op dit blog, met het oog op dit onderwerp, ‘Het Schriftgezag is geen bezweringsformule. Eerder schreef ik rondom het thema ‘M/V en ambt’: ‘Een stap verder in een koers. Vrouw en ambt, cultuur en hermeneutiek. Een statement‘ en enkele andere stukken te vinden via de tag ‘man en vrouw’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *