Kerst is voor ons voorgoed voorbij

Ik heb nooit goed begrepen waarom er met Kerst altijd zo’n ontzettende hoop drukte gemaakt werd. Overal moest Kerst gevierd worden, in de kerk, thuis, op school, op de vereniging, op nog een club… En altijd met dezelfde ingrediënten: een boom (een spar die den heette), lichtjes, sterren en sterretjes, sleeën, een Kerstman, ballen en stallen (wij deden niet overal aan mee, een stalletje was rooms), en vooral veel eten; heel veel eten, niet alleen een diner maar ook kerstkransen, chocola, voor de kinderen een zakje snoep met een sinaasappel… Sinterklaas was nog maar net voorbij en je wist niet hoe je het allemaal weg kreeg.

De christelijke inhoud, bijna onvindbaar bedekt door een dikke deken van knusheid en behaaglijkheid met alle genoemde ingrediënten, kwam altijd op hetzelfde Bijbelgedeelte neer, dat ene hoofdstuk met de stal (of iets anders, ik heb de jaren door in preken zeker vijf verschillende opvattingen gehoord over de soort plek waar het gebeurd zou zijn), de herders en de engelen. Voor de kinderen werden de wijzen uit dat andere evangelie er meteen maar bij genomen.

Avondmaal

Mijn ergernis en radeloosheid als predikant over dit alles en over de regressie naar de kinderlijkheid die zich dan van de gemeente meester leek te maken, zal ik de lezer besparen. Daar kwam ik tenslotte met de Bijbel zelf altijd weer bovenuit; de klachten ‘dat het geen kerstpreek was’ (in het geval dat ik buiten Lukas 2 was gegaan) nam ik op de koop toe.

Maar ik vond het niet Bijbels. Want in de Bijbel is niet Kerst, maar Goede Vrijdag en Pasen (als één geheel) het ‘hoogfeest’. En voor de kerk heeft de Heer zelf het avondmaal ingesteld om dat te vieren. Kerst is een voorbereiding. In de kerkgeschiedenis zijn er wel theologische momenten die de schijnwerper op Kerst richtten, maar dat is geen reden tot een definitieve verschuiving en het verklaart in ieder geval niet het winterkerstfeest.

Bananenblad

Ik ben er wat meer van gaan begrijpen sinds ik Kerst meevierde in Noordoost-India. Of eigenlijk Kerst-en-Nieuwjaar (Kerst en Oud-en-Nieuw, zeggen wij, ook zoiets raars). In dat nogal on-Indiase gebied is de bevolking de eeuwen door in stamverband blijven leven. Het hindoeïsme drong er nauwelijks door, het kolonialisme evenmin. De zending, vanaf begin twintigste eeuw, was de eerste invloed van buitenaf.kerst n.o.india

De stammen gingen rechtstreeks van de tijd van de geslotenheid het christendom binnen, zoals het ooit in West- en Noord-Europa geweest moet zijn. De herinnering leeft nog dat er voor die tijd ook al een winterfeest werd gevierd, veertien dagen lang. Dat feest werd gekerstend, en wel grondig. Het is de koude tijd, en de bevolking zingt zich warm en eet zich warm. Op de ene feestdag heb ik een varken zien slachten, op de andere was er een geit en op de derde een koe. Vakslachters en slagers kwamen er niet aan te pas, de mannen deden alles zelf, op het plein voor de kerk. Een eindje verderop zaten we in groepjes op de grond te eten, van een bananenblad.

‘Jingle bells’

In een kerstlied herkende ik de namen, niet alleen uit de geboortegeschiedenis van de Heer maar ook uit die van zijn lijden. Een lied met een diepgang waar wij nog nauwelijks aan kunnen tippen.

Je viert een winterfeest om jezelf te verwarmen met elkaar. Zo simpel is het. Het evangelie, in preek en lied, is een inhoud die zich daar goed voor leent. Er heerste een simpele blijdschap en opgewektheid.

Dat herken ik ook in onze kerstviering: het is vooral een winterfeest. We dromen van een witte Kerst. De arrenslee hoort erbij, al weten we niet meer wat dat is. ‘Jingle bells’ geldt als een kerstlied, zonder dat iemand zich afvraagt wat het met de geboorte van Jezus te maken heeft. Het is koud, en mensen hebben behoefte aan warmte. Het is donker, en we hebben behoefte aan licht. Dat hebben we ooit ingevuld met Christus als het licht. Het is een dal in het jaar, daarom hebben we behoefte aan een feest.

Zwavelstokjes

Maar het is niet meer echt. Onze huizen zijn tegenwoordig behaaglijk verwarmd, niemand lijdt meer kou. We doen wel vertederd over het kindje Jezus in de kou, maar we weten niet in welk jaargetijde hij geboren is – waarschijnlijk tussen april en november – en het was daar lang zo koud niet. Kerstverhalen gaan ook traditioneel over zielige kindertjes buiten in de kou.

We hebben volop elektrisch licht. Je moet de lampen al uit doen om de kaarsjes te kunnen waarderen. Kerst is het feest van het licht!, zei de leider van het kinderkerstfeest, en daarom waren die ochtend de gordijnen dicht gedaan. Het donker heeft voor ons niets dreigends meer.

We hebben ook geen honger meer ’s winters. Tot in de eerste helft van de twintigste eeuw kwam het voor, maar niemand van ons dateert nog van de tijd van vóór de overvloed. Vooruit, deze dagen zijn dan wel slecht voor de lijn, maar na Nieuwjaar beginnen we weer met goede voornemens. Er is geen arm en hongerig meisje met de zwavelstokjes meer dat haar neus tegen een rijke ruit drukt maar buiten doodvriest… aaach.

De echtheid die ik proefde bij de broeders en zusters van de Hmar-stam is voor ons niet meer bereikbaar. Het gat moeten wij vullen met gemaakte kou, gemaakt donker en gemaakte honger. Met sentimentaliteit. Met rudimenten zoals de sneeuw die we als echte kolonialen zelfs in Indonesische kerstvoorstellingen hebben geïmporteerd.

Willen we ooit weer dat echte winterkerstfeest vieren, dan zullen op z’n minst de Russen de gaskraan moeten dichtdraaien.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *