Kerk en overheid

BIDDEN VOOR PAARS

Op dit moment, in deze zaak, zijn we het allemaal met elkaar eens. We zijn verontrust. Aanleiding zijn bepaalde plannen van het kabinet, voor verder gaande wetgeving inzake abortus en euthanasie. Christenen uit verschillende kerken komen bij elkaar. Kerkgebouwen stromen vol.
Wat moeten we doen? Bidden. Dat in de eerste plaats. We houden gebedssamenkomsten.
Iets anders wat we nodig hebben, is bezinning. We vragen ons af: hóe moeten we dan bidden? Ootmoedig, vanuit een solidariteit in de schuld. Dat we zelf ook onze naaste niet zo liefgehad hebben als we moesten. Hebben we misschien ook te lang gezwegen en de ontwikkelingen maar over ons heen laten komen?
Aan de andere kant willen we ook protesteren. Tegen een overheidsbeleid dat konsekwent ingaat tegen christelijke principes. Er worden handtekeningenaktie gehouden. Wat kunnen we doen om de ontwikkeling een halt toe te roepen, of in ieder geval af te remmen? Hoe kunnen we daar invloed op uitoefenen?

Eenzijdig?

Bezinning, dat betekent ook dat we bereid zijn onszelf een kritische spiegel voor te houden, en te laten houden.
Bidden – helpt dat? Kun je daar wat mee tot stand brengen? In een toneelstuk van Bertold Brecht staat er een stad in brand. De mensen bidden allemaal, klagend: “Here, wat erg, moeten we nou zo ondergaan? Red ons!” Maar één bijdehand meisje zet de mensen aan het werk om water te putten en de emmers door te geven om de stad te blussen.
Een gospelzanger, Keith Green, zong ons als christenen van onze tijd toe: “Jij sluit je ogen en denkt dat je daarmee je plicht hebt gedaan!”
Een ander punt van kritiek is, dat we gevaar lopen een ‘one-issue’-partij te worden. We genieten volop van alle verworvenheden van onze Westerse, geordende en welvarende maatschappij – mee dank zij het beleid van onze overheid. We zitten rustig voor de t.v., consumeren en gaan uit in onze auto. Maar als ‘abortus en euthanasie’ aan de orde zijn, dan komen we in het geweer.
Dat is iets wat past bij deze tijd en deze samenleving. Ieder komt op voor één bepaald belang, dat hem of haar bijzonder ter harte gaat. Voor de één is dat een gunstig ondernemersklimaat, een vrije markt. Voor de ander het milieu. Voor weer een ander ontwikkelingshulp. Of veiligheid en bestrijding van criminaliteit. De issues worden in de loop van de tijd geleidelijk smaller; ieder komt op voor z’n eigen belang of dat van z’n eigen groep. Maar moeten wij soms als christenen in déze zin ‘bij de tijd’ zijn?
Tegen de achtergrond van de kritiek wil ik bijdragen aan de bezinning op de vraag: wat betekent vandaag een gebedssamenkomst, gericht op de overheid en haar beleid, in het bijzonder op de punten die nu aan de orde zijn? Wat is in zo’n gebedssamenkomst als deze de goede christelijke houding?

Zèlfs voor de overheid

We kennen allemaal de bijbelse oproep tot het gebed voor de overheid, in 1 Timoteüs 2: “Ik vermaan u dan allereerst”, zegt Paulus tegen Timoteüs, “smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen, voor koningen en alle hooggeplaatsten…”
Dat gebed voor de overheid komt voort uit een positieve grondhouding: de gehoorzaamheid aan de overheid, die dezelfde apostel ons leert in het even bekende gedeelte uit Romeinen 13. Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden die boven hem staan. De overheid staat immers in dienst van God, u ten goede.
De apostel Petrus leert de gemeente diezelfde houding (1 Petrus 2: 13-17). Onderwerp u aan alle menselijk instellingen, want dat wil de Here: de keizer, en de door hem gezonden stadhouders. Woorden van Paulus komen daarbij bijna letterlijk terug.
En dan gaat het niet alleen om de overheid op zichzelf. Het gaat om een positieve grondhouding ten opzichte van de hele samenleving. God wil dat we goed doen. “Eert allen… eert de keizer”. Zo was het ook al in 1 Timoteüs 2: niet bidden voor de overheid op zichzelf, maar voor alle mensen; we zouden kunnen zeggen: tot zelfs de overheid, zelfs de hoogstgeplaatsten toe.

Die u vervolgen

Dat was in die tijd een niet-christelijke overheid. Een overheid die de christenen nauwelijks zag staan, en àls ze er al aandacht aan schonk, in ieder geval bar weinig met ze op had. “Wat moet ik met die christenen” – schreef stadhouder Plinius in z’n bekende brief aan keizer Trajanus -, “die zo apart staan in de samenleving?” Nog een nieuwe splintergroepering, zo pittig en zo fundamentalistisch, dat kon het rijk niet gebruiken; dat was maar een bedreiging voor de eenheid.
Een god-loze overheid – dat hebben de christenen in die eerste tijd aan den lijve ervaren. In het Romeinse rijk viel het vaak nog wel mee, maar daar waren politici, net zo goed als elders en in andere tijden, belust op macht en op hun carrière, strebers over de rug van de gewone man. Ze legden zware belastingen op, vaak voor eigen voordeel, voor een leven in overdadige weelde. Vriendjespolitiek en corruptie waren geen uitzondering. En in hun persoonlijk leven waren ze vaak zedeloos. Wat was het keizerlijke hof in Rome niet decadent!
We zijn met deze bijbelse oproep niet in de sfeer van de voorbede voor een Oranjehuis, dat ons als gereformeerde volk bevrijdde van de Spaanse overheersing, en dat we aan onze kant hadden tegenover de regenten. Het is geen gebed van mensen die bijzonder in ‘royalty’ geïnteresseerd zijn. En hier wordt niet alleen maar voorbede gevraagd voor een regering zolang christenen nog deel uitmaken van een regeringscoalitie.

Vreemdelingen

Petrus schrijft zijn brief aan ‘vreemdelingen’. Mensen die door hun bekering en hun nieuwe levensstijl in de samenleving waar ze toe behoren, apart zijn komen te staan. En daar hadden ze onder te lijden. Er werd kwaad van ze gesproken. Ze werden als spelbrekers beschouwd.
De overheid van Romeinen 13 – zo hebben de maatschappijkritici in onze eeuw voortdurend benadrukt -, die kan zich maar al te makkelijk ontwikkelen tot die in Openbaring 13: het beest aan de macht. En dan, zo werd eraan toegevoegd, wordt een heel andere houding op z’n plaats: die van protest en verzet; en dat hoeft niet geweldloos te blijven. Dat heeft men gepropageerd, en dat heeft men ook in de praktijk toegepast, in aansluiting aan bevrijdingsbewegingen in verschillende delen van de wereld.
We zouden de gebedsregel van Paulus zo kunnen weergeven: bidt voor alle mensen, tot zelfs de politici toe: zelfs degenen die het verst van je af staan, het die je het moeilijkst kunt bereiken en waar je weinig sympathie voor kunt opbrengen. Het komt in de buurt van de oproep van Jezus zelf: Bidt voor degenen die u vervolgen.

Positief!

En toch hebben de apostelen geen ressentiment gepredikt. Christenen moesten zich niet terugtrekken in een hoekje om vandaaruit alleen maar negatief te keer te gaan tegen de verloedering. Ze moesten ook geen guerrilla beginnen om de bestaande strukturen te ondermijnen om zo de wereld te verbeteren.
Nee: doe het goede! Stel je positief en constructief op. Zoek het goede voor de samenleving waar je bij hoort; van je direkte, vijandige omgeving af tot die verre decadente keizer in Rome toe. Laten ze, ook als ze kwaad van je spreken, als ze goed kijken toch moeten erkennen dat het goed was wat je deed. Dat is tot eer van God!
Zo’n gebed voor de overheid, in die sfeer, vinden we in de eerste brief van Clemens, een brief vanuit de gemeente van Rome aan die in Korinte, geschreven ongeveer in het jaar 96, in dezelfde tijd als het boek Openbaring. In deze brief wordt zo gebeden voor de overheid:
“Geef eenstemmigheid en vrede aan ons en alle mensen op aarde, aan de overheden en aan hen die over ons op aarde regeren. U hebt hun koninklijke macht gegeven door uw majesteitelijke en onuitsprekelijke kracht, opdat we de aan hen door U gegeven heerlijkheid en eer erkennen en ons aan hen onderwerpen, waarbij we ons in niets tegen uw wil zouden verzetten. Heer, geef hun gezondheid, vrede, eendracht en rust, opdat ze de door U gegeven macht onberispelijk uitvoeren. Heer, Gij, de hemelse koning der eeuwen, geef de mensenkinderen luister, eer en macht over wat op aarde bestaat; Gij, Heer, leid hun plannen naar wat schoon en welgevallig is voor U, opdat ze in vrede en nederigheid de door U gegeven macht vroom uitoefenen en zo uw genade deelachtig worden”.
De conclusie lijkt duidelijk: Gelukkig de regeerders en politici voor wie hun onderdanen zo bidden; zo positief!

…èn kritisch

Wat voor houding spreekt uit zo’n gebed? Soms die waarbij het christendom zich heeft verbonden met de bestaande machten – wat wel ‘de zondeval van het christendom’ is genoemd?
Nee! Bij alle positiviteit is dit gebed wel degelijk kritisch. “…Macht onberispelijk uitvoeren… Plannen naar wat schoon en welgevallig is voor U… In vrede en nederigheid de macht vroom uitoefenen”. Hoeveel goddeloosheid, liefde voor zichzelf en eigen macht, slecht beleid wordt hier weg-gebeden!
En toch is de toon positief. Het geheim van dit gebed voor de overheid is: een rotsvast geloof dat Christus Heer is, zelfs boven die goddeloze politici tot de keizer toe; dat Hij, met zijn goede beleid, uiteindelijk de sterkste is; dat Hij alle goddeloosheid, die de hele samenleving van hoog tot laag doortrekt en corrumpeert, overwint. De liefde van de Heer is de grondtoon van deze voorbede.
Het gebed uit 1 Clemens loopt uit op: “…En (opdat ze) zo uw genade deelachtig worden”. Dat sluit trouw aan bij 1 Timoteüs 2: die voorbede is aangenaam voor God “die wil dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen”. Tot zelfs die politici, waarvan dat je het meest onwaarschijnlijk lijkt, toe! Daarin is dit gebed kritisch, het vraagt bekering, en tegelijkertijd positief gericht.
Deze gebedshouding van de christenen in de eerste eeuwen was ingebed in een levenshouding. Het gebed ging gepaard met veel barmhartigheidswerk. Niet alleen in eigen kring, maar ook naar buiten toe. Niet dat christenen aansloten bij algemeen barmhartigheidswerk vanuit humanistische of socialistische motieven; zo was de samenleving toen niet. Wat christenen deden, dat was herkenbaar nieuw, anders, vanuit een nieuwe mentaliteit; weer: de liefde van Christus.

Verhoring

Dat gebed voor de overheid, tot de keizer toe, leek wel erg hoog gegrepen. De christenen beschikten nog niet over de mogelijkheid van christelijke politieke partijvorming in een demokratisch bestel zoals in ons land. Was dit geloof wel realistisch? Kun je met zo’n gebed iets bereiken?
En toch is het, na een paar eeuwen van volharding, verhoord! Niet het gebed bracht iets tot stand; maar Hij die de gebeden hoort, leidde het hart van de koning als waterbeken (zoals Spreuken 21: 1 het uitdrukt). De keizer bekeerde zich en werd christen. Niet alleen persoonlijk maar ook politiek. Hij zag in dat deze Heer aan de winnende hand was. Het christendom werd de officiële godsdienst in het Romeinse rijk.

Bid en werk

Dit gebed voor de overheid, waartoe de bijbel ons oproept, is nog steeds op z’n plaats. Waarom zouden wij niet net zo voor onze niet-christelijke overheid bidden, net zo gelovig, net zo tegen de waarschijnlijkheid in, net zo liefdevol en geduldig volhardend?
Daar hoeft geen sympathie, gevoel van verwantschap of instemming met het beleid aan ten grondslag te liggen. Aan de andere kant hoeven we ook niet te schelden op ‘paars’ (de ontwikkelingen die ons zorgen baren, zijn trouwens al vóór ‘paars’ begonnen).
Bidden en werken. Tevoren al hebben we onze stem laten horen, niet alleen protesterend maar ook constructief-kritisch meedenkend, in christelijke politieke partijen, tot nu toe; verantwoordelijkheid niet schuwend wanneer daar in raden en staten gelegenheid voor was. ‘Klein’ heten die partijen nog steeds, en dat is begrijpelijk; en Nederland wilde hun beleid op de punten waar het nu om gaat, niet. Maar de getuigen hebben op de straat van de grote stad evengoed hun plaats (Openbaring 11).
Daarnaast zijn christenen aktief in de zorg. De eeuwen door, tot in onze tijd toe, zijn ziekenhuizen en allerlei andere instellingen van barmhartigheid door christenen en vanuit kerken opgericht. In het verband waar het vandaag om gaat, zijn speciaal de VBOK, Kuria en de NPV te noemen. Ook het onderwijs in maatschappelijke zorg is ter hand genomen.
Ik zeg dit niet uit voldaanheid over onze bijdrage, maar alleen als illustratie van het ‘bid en werk’.
Daarnaast worden in verschillende regio’s handtekeningenakties georganiseerd. Daarmee plaatsen we de gewone mensen in onze eigen omgeving voor hun keuze. Soms gaan ze aan de deur een discussie aan of komen ze met een verhaal over eigen ervaringen. We bieden die handtekeningen als een hartekreet aan de overheid aan.
Het politieke handwerk – de daadwerkelijke en professionele barmhartigheid – de hartekreet: het lijkt me een respectabel gezelschap.
In dat gezelschap heeft het gebed voor de overheid een ereplaats.
We willen geen ‘one-issue’-groepering zijn. Ook op andere terreinen is het genoemde gezelschap aktief. Het gaat in dit geval wel om leven of dood voor vele landgenoten, onderdanen van die overheid. Het betreft ook een zaak waarin we, meer dan in andere, als christenen alleen staan.
In die zaak komen we op voor de heerschappij van Christus. Zijn liefde zal overwinnen. Dat geloof geven we niet op.

De Reformatie, omstreeks 2001.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *