Gevoel in het kerklied

Inhoud
1. Gevoel in drie liederen
2. Het lied van de Koning

Twee artikelen, gepubliceerd in De Reformatie, 29 juli en 12 augustus 2000

1.  GEVOEL IN DRIE LIEDEREN

Het moet geweest zijn in de bloeitijd van de CVMH: de Christelijke Vereniging voor Maatschappelijke Hervorming. Daar hebt u ongetwijfeld nog nooit van gehoord, maar u kunt u er gemakkelijk van alles bij voorstellen. De Vereniging deed veel goed werk in de uitgestrekte arme wijken in de grote steden. Maatschappelijk werk, zouden wij vandaag zeggen. Maar de professionalisering van het maatschappelijk werk stond toen nog in de kinderschoenen.

In onze stad werkte de Vereniging vooral in de Eilandenbuurt (aan de ene kant de Schoklandstraat, de Amelandstraat enzovoort, aan de andere kant de Siciliëstraat, de Sumatrastraat, en zo eindeloos door). Dat werd beschouwd als de ‘asociale’ wijk. Als kinderen mochten wij daar niet komen, want daar was het gevaarlijk. Natuurlijk hebben we dat stiekem toch wel eens gedaan. Dat was spannend: een brede weg, met stalletjes en straatverkopers, een krioelende massa mensen en daartussendoor chaotisch verkeer; geschreeuw en stofwolken. En aan weerszijden smalle straatjes met oudbakken huizen, waar vuile kinderen in kapotte kleren speelden en vieze luchtjes hingen. Wij merkten geen gevaar, maar we voelden ons toch niet echt op ons gemak.

Toch, leerden wij thuis, moest je ergens ook medelijden hebben met die mensen. Mijn ouders waren overtuigd lid van de CVMH – in die tijd betekende het lidmaatschap van een organisatie nog veelal meer dan tegenwoordig – en mijn vader ging regelmatig naar de toogdagen die de Vereniging organiseerde. Soms mocht ik mee; ik zal toen een jaar of tien, elf geweest zijn. We gingen dan naar een veel groter kerkgebouw dan het onze, en dat zat afgeladen vo

Strijdbaar

Na de opening met psalmzang, Schriftlezing en gebed, begon de voorzitter met zijn blijdschap uit te spreken dat wij in zo groten getale bij elkaar waren. Hij was ook blij dat de bekende spreker deze vergadering wilde opluisteren met zijn toespraak.

De toon was gezet en ik voelde de verwachting van mijn vader en al die andere mensen, terwijl de spreker de hoge, smalle trap naar de kansel besteeg.

De spreker had zijn betoog zorgvuldig opgebouwd. Geleidelijk aan raakte hij meer in vuur. Bewogen schetste hij de nood van de moderne, goddeloze samenleving. Vervolgens benadrukte hij dat wij weliswaar een minderheid waren, maar dat wij, onder Gods zegen en met onze gezamenlijke inspanning, heel wat zouden kunnen bereiken!

Als de slotzin was verklonken, ging er een zucht door het gehoor en een licht geroezemoes – een teken van hoe ademloos en gespannen men geluisterd had. Intussen zat er vóór de preekstoel een christelijke brassband opgesteld, en na de machtige inzet daarvan zongen we:

“Voorwaarts, Christen-strijders,
volgt uws Konings spoor!
Met zijn heil’ge kruisvaan
gaat ons Jezus voor.”

Ik keek op naar mijn vader. Hij zong uit volle borst. Of had hij, soms ook, een brok in zijn keel van ontroering? Daarna zong ik mee. Het was een lied dat wij in onze kerk niet zongen. Het paste niet bij onze sfeer; mijn vader legde wel eens uit hoe dat zat, en ik nam dat – zoals je dat op die leeftijd doet -, zonder het precies te begrijpen, aan. Toch was het zonder twijfel een goed lied; hier was het volkomen op z’n plaats en wij stonden er helemaal achter. Het drukte precies uit hoe wij ons voelden: samen sterk, en strijdbaar! Wij spraken toen niet van ‘opwekking’, maar zo’n soort gevoel was het wel.

Geborgen

Een ander lied, dat ik ook al vanaf m’n kinderjaren kende, is me vooral bijgebleven door de omstandigheden waarin we het in later jaren zongen. Het was thuis bij Jannieke, die een tijd lang mijn vriendin was met wie ik veel omging – wij noemden het geen verkering; dat deed toen nog niet iedereen; maar zoiets was het wel.

Haar moeder was ziek. Er stond een bed in de kamer, waar ze op ging liggen als ze pijn had of zich niet goed voelde. Ze kon het huishouden moeilijk aan. Janniekes vader en ook zij zelf moesten veel bijspringen. Maar haar moeder kon wel heel goed over het geloof praten, over de Here Jezus en hoe veel Hij voor haar betekende. Op Hem kon je vertrouwen, Hij zorgde altijd voor je. Die manier van praten was in die tijd in onze kring niet zo gebruikelijk. En je voelde hoe echt ze het meende en hoe diep het bij haar zat; juist door haar ziekte.

’s Avonds zongen we vaak bij het harmonium, waar Janniekes vader op speelde, niet zo goed, langzaam, maar wel met gevoel. Een van de liederen die we vaak zongen, was:

“Veilig in Jezus’ armen,
veilig aan Jezus’ hart;
daar, in zijn teer erbarmen,
daar rust mijn ziel van smart.”

Ik had er wat moeite mee om dat lied helemaal van harte mee te zingen; ik vond het nogal sentimenteel. Maar het was toch wel een goed lied, en het paste in die sfeer. Het vervolg was wat weg-dromend:

“Daar klinkt het lied der eng’len,
zingend van liefd’ en vree,
ruisend uit ’s hemels zalen,
over de glazen zee.”

Maar als we dan aan het eind van die laatste regel wat vertraagden, en met die ene noot naar beneden afdaalden om weer bij het refrein terecht te komen, was ik soms, zonder dat ik dat wou, tot tranen toe geroerd.

Vernieuwing

Toen we later op kamp gingen met school of met de jeugdvereniging, begon er voor mijn gevoel iets nieuws. We waren vaker onder elkaar, zonder ouderen erbij. We praatten met elkaar over de ouderen, de leraren op school, en de kerk met z’n ambtsdragers, en we hadden hopen kritiek. De jeugdbonden (er waren er nog twee, maar wij duidden ze al gezamenlijk zo aan) bepleitten afzonderlijke jongens- en meisjesverenigingen en dat vonden wij een hopeloos verouderd standpunt. Het huisbezoek vonden wij ouderwets en stijf, met gemaakte, voorspelbare loopjes in de tale Kanaäns. Verandering vonden wij nodig!, een frisse wind!, om de verstarde gevestigde orde in beweging te krijgen en van de grond af aan te vernieuwen.

Tot laat in de avond, bij een schemerige verlichting, zongen we liederen als: “We shall overcome!”, en: “O when the saints / go marching in, / I want to be in their number!” Maar het meest indrukwekkende lied – juist omdat het zo nauw bij de bijbel aansloot – vond ik:

“When Moses was in Egypt land –
‘Let My people go!’…”

Een van ons schreeuwde telkens de regels voor. Iemand speelde er gitaar bij, met akkoorden die steeds feller werden, uiteindelijk bijna gehamerd; je zou er in gedachten, in m’n herinnering, bijna drums bij horen. Dat moesten we hebben, dat temperament van zwarten in hun kerkdiensten! Het was misschien wel niet helemaal zuiver-op-de-graat-rechtzinnig, maar was dat het belangrijkste? Hier konden wij, als jonge gelovigen, ons gevoel in kwijt: een nieuwe strijdbaarheid, heel anders dan die antieke waar ik het in het begin over had: van onszelf als jongere generatie tegenover de ouderen die vastgeroest raakten; zelfbewust. Een gevoel van: de toekomst is aan ons en wij zullen voor vernieuwing zorgen

Debat

Wij wilden dat er naar ons geluisterd werd! Uiteindelijk kregen we het voor elkaar dat er een keer een ‘commissie van wijze mannen’ kwam met wie we daarover konden discussiëren. Waar die commissie van uit ging, wie die vertegenwoordigde, weet ik niet meer precies; dat soort structuurvragen interesseerde ons niet. In ieder geval: een officiële kerkelijke commissie. We drongen op met ons pleidooi voor nieuwe liederen in de kerk. Liederen met gevoel, waar je je veel meer in kwijt kon. Deze liederen zingen we thuis, op kamp, en in allerlei samenkomsten – waarom dan niet in de kerk?

Wat voor liederen dan?, vroeg de commissie. Noem eens voorbeelden. Wat voor gevoel?

Deze vragen lokten bij de aanwezigen in de zaal nogal wat reacties uit. De drie liederen die ik opgenoemd heb, werden allemaal naar voren gebracht, samen met een heel aantal andere. Er volgde een discussie, waarin zich verschillende groepen aftekenden.

“Voorwaars, Christen-strijders” stuitte op felle kritiek. Sommigen vonden het militant klinken, activistisch, stoerdoenerig, hard en gevoelloos. Het paste in de tijd van de verzuiling; het verscherpte de tegenstellingen. Dat was een mentaliteit waar wij nu juist bovenuit groeiden. Iemand spotte zelfs: Het ontbreekt nog maar aan een Leger-des-Heils-uniform!

Liefde, dat hadden we nodig. Elkaar zoeken. Tegenstellingen overbruggen. In de kille en harde samenleving van vandaag hebben mensen behoefte aan geborgenheid, een arm om je schouder. De verdedigers van “Veilig in Jezus’ armen” kwamen nu volop aan het woord.

Verdeeldheid

Maar zij kregen op hun beurt de wind van voren. ‘Sentimenteel’ en ‘soft’ waren een paar van de nog wat meer ingetogen kwalifikaties. Het lied werd infantiel genoemd. Het getuigde van regressie naar het baby- en zuigelingstadium, iets voor mensen die het leven niet aan konden en aan durfden. Jullie willen je weer als een kindje laten wiegen! En de strofe over het lied der eng’len aan de glazen zee was een wegdromen uit de realiteit naar een nirwana; dit was opium voor het volk. Door dit soort troost leerden mensen berusten in de status quo; ze sloten de ogen voor de ellende die nog elke dag door de bestaande structuren in stand werd gehouden.

Wij kwamen op voor “Let My people go”! De christenheid van vandaag moest juist uitgedaagd worden om de barricaden op te gaan en actie te voeren!

Veel aanwezigen keerden zich hier verontwaardigd tegen. Ook enkele commissieleden vonden we tegenover ons. Die vonden deze mentaliteit gevaarlijk, subversief, revolutionair.

De verdeeldheid was groot en de gemoederen raakten verhit. “Ik ben voor strijdbaarheid!” “En ik voor vertrouwen!” “En ik voor protest!”

Geen resultaat

De avond leverde niets op. De commissie heeft aan het eind niet veel meer gezegd; tenminste, voorzover ik me nog herinner, opgewonden als ik was door het hele debat. Ze merkten nog wel iets op in de trant van dat de bestaande kerkliederen ‘geïnspireerd’ waren. Het zei ons weinig. De conclusie was duidelijk: onze voorstellen werden door de commissie niet gehonoreerd.

Het was, in zekere zin, koren op onze molen. Zie je wel, hoe star ze zijn! Wij hadden groot gelijk, dat we onder elkaar spraken van de ‘commissie van ouwe ballen’. Ik weet niet of dit wel geschikt is om in De Reformatie te zetten, maar zo dachten wij erover.

Achteraf denk ik, dat de commissieleden die avond zelf ook beduusd waren van het verloop van de discussie en dat ze niet goed wisten wat ze ermee aan moesten.

Volgende keer vertel ik nog wat verder.

 

2.  HET LIED VAN DE KONING

Een van de merkwaardigste mensen die ik ooit heb ontmoet, is broeder de Koning.

Wij kenden hem al in de tijd waar ik vorige keer over vertelde. Daarvoor kenden mijn ouders hem ook al. Maar hij was voor ons, voor een heleboel mensen in onze omgeving, altijd een figuur op een afstand. Ik ben ooit eens een keer in zijn huis geweest; maar toen waren er zoveel mensen dat ik hem eigenlijk niet persoonlijk heb ontmoet.

Het was onmogelijk zijn leeftijd te schatten. Ik heb hem nooit anders gekend dan met die grijze haardos. Toch kan hij destijds niet oud geweest zijn.

Hij woonde alleen, maar hij kwam veel bij een echtpaar waar hij bevriend mee was en waar wij ook veel kwamen. Dat waren mensen die wij heel graag mochten; je zou haast zeggen – zoals dat op die leeftijd kan zijn -: we dweepten met ze. Ze hadden zelf kinderen van onze leeftijd, iets jonger. Hij was ouderling, maar dan wel een hele goeie, vonden wij. Ze waren levendig, gezellig, belangstellend; wij konden als jongeren heel goed met ze praten. Er kwamen altijd, vooral op de avonden van vrijdag tot zondag, veel jongeren bij ze over de vloer. Je zou het wel een soort soos kunnen noemen. Ze hadden een groot huis. In een van de kamers – het kan de garage geweest zijn, maar dan wel gezellig ingericht – stond een pingpongtafel, en zo was er verder ook van alles te doen. Daar zagen wij broeder de Koning regelmatig, al hadden we ook toen weinig echt contact met hem; daarvoor was het meestal te vol, we hadden het gezellig met elkaar, en er was veel afleiding.

Tobbers

Over het algemeen spraken de mensen met veel respect over hem; maar er waren toch naar mijn indruk weinig mensen, behalve die vrienden van hem, die hem echt graag mochten en nauw contact met hem hadden. Hij zag eruit als iemand die veel meegemaakt had. Zijn gezicht was verweerd en met rimpels. Hij maakte vaak een vermoeide indruk, als iemand die veel zorgen had, zij het beslist niet afgeleefd. Hij lachte weinig, maar als hij praatte, vooral over het werk dat hij deed, konden zijn ogen vuur schieten.

Hij had geen baan. Ik haalde in die tijd m’n diploma, solliciteerde links en rechts naar leuke banen en het duurde niet lang of ik had er een gevonden; en ik zag broeder de Koning onbewust als iemand die het niet gemaakt had. Hij kwam veel in de Eilandenbuurt. Men zei dat hij daar veel goed werk deed. Dat zal vast zo geweest zijn, maar dat stond buiten onze belevingswereld.

Het was de wijk waar de mensen met mininuminkomens woonden en de uitkeringstrekkers. De mensen die altijd zorgen hadden. WAO’ers die wat buiten het sociale leven waren komen te staan. Voortdurende tobbers. Ze konden vaak niet goed voor hun kinderen zorgen: procentsgewijs nogal wat gehandicapten. Maar ook ADHD-kinderen… de praatjes gingen dat ze die kinderen gewoon niet behoorlijk aanpakten.

De kneusjes. De asociale types. Die aanduidingen mochten wij thuis niet gebruiken. Maar in onze beleving waren ze dat wel.

Er werd daar ook in drugs gedeald. Het was er, vooral ’s avonds, niet veilig. Dat werd tenminste altijd verteld.

Broeder de Koning zal daar heus wel veel goed werk gedaan hebben en de mensen zagen hem er vast graag, maar hoe was het toch zover met hem gekomen, dat hij niets anders had dan dat? Ik had het idee dat er in het verleden iets mis gegaan moet zijn met hem, dat hij verkeerde keuzes had gemaakt en daar nu de gevolgen van droeg.

Strijd

Ik vertel over hem omdat ik het vorige keer over liederen had die mij veel deden. Er waren ook liederen van broeder de Koning, die de ronde deden. Het scheen dat een verre voorvader van hem ooit eens zo had gedicht en gecomponeerd, maar het waren toch zijn liederen.

Iedereen kende ze blijkbaar, maar lang niet iedereen zong ze graag. Het was niet het soort liederen die je direct in de stemming brengen en enthousiast maken. Ze gingen juist vaak over ellende en nood, vanwaaruit de ik-figuur dan riep om hulp. Het ging over beesten, die je bloeddorstig aanvielen met opengesperde kaken. Over mensen die over je roddelden. Er sprak veel kleinheid uit, eenzaamheid, en angst. In wezen waren ze vol heftige emoties, heviger vaak dan veel andere, meer geliefde liederen – maar dan net weer niet die emoties die wij in liederen zochten.

Het ging over vijanden. Vaak klonken die liederen ook wel strijdbaar en dapper; er sprak zelfs iets koninklijks uit. Dat sprak op zich natuurlijk wel aan. Je kon er avonturenverhalen bij denken, detectives, en actiefilms, met veel bloed. De goede held overwon de kwade machten. Toch was die held een vreemd type. Hij stond tegenover een overmacht, die hem bedreigde; en dan had hij het aldoor over een ander, die hem, de kleine, zwakke strijder, hielp.

Heftig

De heftigste kreet uit een van die liederen was: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” Dat vergat je nooit weer. Op een gegeven moment kwam ik met een schok tot de ontdekking, dat dàt in wezen de grote vraag is van zo veel mensen in onze tijd. Alleen: niemand schreeuwde die kreet zo rechtstreeks aan het adres van God zelf uit. Er sprak, ergens diep, een zekerheid over God uit, die ons mensen van vandaag nu juist weer vreemd is.

Er was nog iets vreemds. Die vijanden leken heel dichtbij te zijn. Het was niet ‘wij’ tegenover ‘zij’ – Duitsers of Russen of moslims, aliens, de onderwereld. Het waren mensen uit je directe omgeving; ik had het onbehaaglijke gevoel dat het m’n eigen collega’s waren, mensen met wie ik dagelijks omging, met een leefwereld en interesses die ook de mijne waren.

Uiteindelijk liep de strijd wel uit op een overwinning. Er was ook veel blijdschap en opgetogenheid in. Heel persoonlijk: “Ik wil de Heer prijzen!” ‘Praise’, met allerlei muziekinstrumenten. Dat was dan zeker de emotie waar wij naar zochten?

Misschien wel, maar die ik-figuur ging dan met zijn opluchting en vrolijkheid naar het heiligdom. Daar had hij ook in het gevaar aldoor naar verlangd. Dat sprak lang niet iedereen aan. En vooral: het vreemde was dan dat hij daar, in plaats van zich als de koninklijke held op het erepodium plaats te nemen, dat soort mensen opzocht die in de Eilandenbuurt woonden. Met hen wilde hij zijn blijdschap delen. Voor hen organiseerde hij een groot feest, en dan vertelde hij ze wat hij beleefd had. Wij hadden het gevoel dat wij daar op een afstand naar stonden te kijken.

Verbonden

Het grote probleem van deze liederen was, geloof ik achteraf, dat de emotie erin te echt was. Nu ik dat onder woorden breng, verbaast het me, maar zoiets was het. Het was emotie zonder een zweem van sentiment; zonder een zweem van effectbejag. Geadresseerd aan hoorders zonder de bedoeling, een voorbijgaande ontroering bij ze op te wekken. Niet geschikt om je er drie weken mee te identificeren, zoals met Orissia, het kleine slachtoffertje van een overstroming in India, heldinnetje op de t.v.; of om er driekwart jaar mee te dwepen.

Om deze liederen te genieten moest je er helemaal in zijn, helemaal bij hem zijn, die vreemde dichter, met je hele leven aan hem verbonden zijn, zijn strijd delen.

Waren de liederen van broeder de Koning literair? Voorzover ik weet verschenen er geen artikelen waarin expliciet op het literaire gehalte ervan werd afgedongen. Maar ze werden ook niet als literatuur besproken en geprezen. Als het om de muzikale kwaliteit ging, was het al net zo. In het wereldje van kunstenaars en kunstkenners was broeder de Koning, net als voor ons, een buitenstaander, een zonderling.

Tropenjaren

Dat is allemaal zo gebleven, de jaren door. Persoonlijk heb ik intussen heel wat meegemaakt.

Onze kinderen zijn door de puberteit heen gegaan. Nico, de oudste, is een keer op zaterdagavond laat op weg naar huis met z’n brommer geslipt en naar het ziekenhuis gebracht. De eerste week was hij er echt slecht aan toe. Betty kreeg verkering met een jongen van buiten de kerk. Van de leraren van Roel kregen we regelmatig bezorgde signalen: Hij kan het best, maar… Wij wisten zelf vaak ook niet waar hij ’s avonds uithing en wat hij deed. We hebben, met alle vier, ook met Alberdien, gesprekken gehad tot diep in de nacht, verhitte discussies, waarin het nu eens de een, dan de ander teveel werd en er een emotionele uitbarsting volgde – ikzelf niet uitgezonderd. Het waren tropenjaren.

Een vriendin van ons raakte haar man kwijt. Hij huurde een eigen flatje en vroeg echtscheiding aan. Het duurde niet lang of hij had een nieuwe vriendin. Vanaf dat moment deed hij nog meer z’n best om de kinderen aan zijn kant te krijgen. Hoe langer hoe meer mensen raakten bij het conflict betrokken en kozen emotioneel partij. Ik zat in die tijd in de kerkeraad. Het heeft ons avonden en avonden praten gekost, en dan nog de nodige vergadertijd. Het was slopend.

Een klein half jaar heb ik heel veel overgewerkt. Een gemeente in Oekranistan, waar onze gemeente contact mee had gekregen, was zwaar gedupeerd door het verlies van haar kerkgebouw, de voortdurende tegenwerking van de overheid en de gierende inflatie. Dus gingen we met een groep gemeenteleden overwerken om geld bij elkaar te krijgen om de verre broeders en zusters te helpen. Het was een mooie tijd voor het saamhorigheidsgevoel, maar het legde wel een extra druk op ons gezin en dat konden we in die tijd slecht gebruiken.

In ons kerkgebouw werden we regelmatig lastiggevallen door jongelui van de straat. Als wij ’s avonds een vergadering hadden, liepen ze eromheen, gooiden steentjes tegen de ruiten – er is er ook wel eens een doorheen gegaan – en riepen: “Vrome! Vrome!”, en meer van dat soort ongein. Ze zijn zelfs wel eens binnen geweest, sommigen met stenen in de hand, andere met de hand in de zak, grijpend naar wapens die ze nog net niet tevoorschijn haalden. We hebben de politie wel eens gevraagd om extra op te letten, maar die was op zulke momenten net nooit in de buurt.

Begrijpen

Ik kan me gevoelsmatig altijd maar moeilijk inleven in situaties zoals van die broeders en zusters in Oekranistan. Aan het voorlichtingsmateriaal ligt het niet; dat is modern en professioneel vormgegeven en indringend genoeg. Maar wij leven in een vrij land, politiek stabiel, zonder natuurrampen en met een economie die, naar het lijkt, niet kapot kan. Ik heb een goede baan en we wonen in een leuk huis.

Toch ben ik in de loop van de jaren, door wat we meegemaakt hebben en wat er op ons af kwam, de liederen van de Koning wel beter gaan begrijpen. Ik begrijp nu beter wat er in de Bijbel staat: “Ze hebben mij vervolgd, ze zullen ook u vervolgen”. En over het “je kruis op je nemen en achter hem aan dragen”. En het “delen in zijn lijden, om ook te delen in zijn verheerlijking”. En: “…Dat wij door veel verdrukkingen het koninkrijk Gods moeten binnengaan”. Enzovoort, nog veel meer. Die strijd, die zorg, die beklemming soms; dat met je eigen kracht er niet tegenop kunnen, die machteloosheid, dat je klein en nietig voelen. En dan vertrouwen op God die je ondanks alles toch de overwinning geeft. Midden in die ellende blij zijn dat je Hem hebt. Ik ben ook gaan begrijpen dat ik dat diepste feestgevoel van de overwinning pas in de toekomst zal beleven.

Ik kan me nu meer in die liederen verplaatsen, en herkennen. Ze spreken me gevoelsmatig veel meer aan. Kortom, ik ben ervan gaan houden. Sterker nog: ik heb mezelf erin teruggevonden.

Toen ik een kind was, dacht ik als een kind, voelde ik als een kind, zong ik als een kind. Nu ik een man geworden ben, heb ik afgelegd wat kinderlijk is. Waar staat zoiets ook al weer? Is dat niet in dat hoofdstuk over de liefde? Bij ons in de gemeente zijn ze tegenwoordig veel bezig met teksten die over kinderen gaan, maar deze is er nooit bij. Ik ben tenslotte de liefde van de Koning meer gaan zien en waarderen.

De jongeren van nu kennen die liederen die wij zongen toen we jong waren, niet meer. Het zegt ze ook allemaal niets. Pa begint weer over vroeger! Zij hebben nu eigen liederen, waar ze hun emoties in herkennen en helemaal in kwijt kunnen. Waarom kunnen die niet in de kerk…?

Zouden zij nu tegen ons als ouderen aankijken zoals wij vroeger tegen die ‘commissie van wijze mannen’ (ik zal niet nog eens herhalen hoe wij ze noemden)? Vast wel. Verbeeld je maar niks, ouwe.

Ik heb mijn sentiment van vroeger niet totaal verloochend. Er was veel oprechts in. Maar ik herken wel wat er staat in diezelfde brief met dat hoofdstuk over de liefde. Als je zo allemaal door elkaar roept, de één: “Ik wil strijdbaarheid!”; de ander: “Ik wil vertrouwen!”; de ander: “Ik wil protest!”; ieder wat hem of haar gevoelsmatig het meest aanspreekt… dan ben je nog niet volwassen; dan moet je nog als een klein kind met melk gevoed worden.

Door de jaren heen zijn mijn gevoelens gevormd door de Koning. Hij was er – zeg ik nu achteraf – om mij met mijn gevoelens, van strijd, van behoefte aan geborgenheid, enzovoort, op te vangen, om te vormen, te zuiveren. Het heeft wel veel tijd gekost. En ik zeg niet dat ik er al ben. Maar ik ben wel gegroeid.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *