Lokichoggio (3) – Studenten

‘Sopia’ – waar zou dat nou zijn? Een ‘f’ wordt vaak als ‘p’ uitgesproken, maar ze bedoelen vast niet de hoofdstad van Bulgarije. Klopt, het blijkt ‘Ethiopië’ te zijn. Het valt ook niet mee! Ja, de studenten hebben zo hun accent. We hebben in de klas wel eens gelachen om een student die beslist geen ‘h’ eruit krijgt aan het begin van een woord. Of een die, ook als ik het voorzeg, geen ‘sj’ kan zeggen – net als in delen van India bestaat het ‘sjibbolet’ ook hier echt. Evenals de moeite met (s)t, (n)d en s aan het eind van een woord: wordt heel vaak ingeslikt. Soms slingert er een misplaatste s achter een woord aan.

Kameraad

Ik hoef hier niet te proberen om het Engels van de studenten op te krikken. Door ervaring geleerd heeft men aan het begin van de driemaandse cursus al twee weken Engels geplaatst en daar doen we het mee. Er is één student die er werkelijk helemaal niets van terechtbrengt; ik snap niet waarom hij geselecteerd is. Bij het beurtelings voorlezen uit de Engelse bijbel moet ik hem overslaan. De overigen zijn in het voorlezen uit de Engelse bijbel matig tot zwak. Als een student in de les wat zegt, wat gelukkig niet zelden voorkomt, moet vaak na een poging of drie een kameraad bijspringen om mij zijn bedoeling duidelijk te maken.

‘Stubborn’

Zouden de studenten mij wel verstaan? Over het algemeen wel, zeggen ze na een paar dagen, zij het niet altijd. Soms merkP1050612 ik van wel, soms blijf ik het me afvragen, ook al komt er na m’n vraag ‘Clear?’ geen reactie. Een student vraagt me na de les wat ‘stubborn’ betekent, en vervolgens blijkt hij het omgekeerde te hebben begrepen van wat dat ene stuk uit de Dordtse Leerregels in de handout bedoelde, namelijk koppig tegenover het goede, tegenover God. Ik heb na een week een schriftelijke ‘class test’ gehouden en die viel mee. Geleidelijk gaat het beter, het wederzijds verstaan en ook het Engels van de studenten.

Taalgroepen

Ik ben blij dat ik een uitvoerige handout heb voorbereid, bijna een klein handboekje. De studenten zijn al gewend om taalgroepsgewijs elkaar te helpen. De grootste groep heeft Nuer als eigen taal; ze komen veelal uit Zuid-Soedan. Maar er is er ook een uit Kisii, in het westen van Kenia, en een uit Tanzania in het zuiden, en sommigen gebruiken de bijbel in het Arabisch. De campus of compound ligt in het Turkana-gebied, maar dat levert geen student, alleen huishoudelijk personeel, kerkgangers en – in verband daarmee – een evangelist, die ook als tolk dienstdoet.

Sneu

Intussen zijn dit wel rijpe studenten. Die ene uit ‘Sopia’ is de leider of ‘monitor’ van de groep. Inderdaad een leidersfiguur, die overal op let en vrijmoedig aangeeft wat er moet gebeuren. Ongeveer de helft is predikant, van een gemeente van tussen de 40 en 400 leden – soms worden alleen ‘communicerende’ leden geteld. Anderen zijn zondagsschoolleider of ‘assistant pastor’. De intellectueel meest begaafde student klaagt in een privégesprek dat zijn kerk als een bedrijf wordt geleid, er geen enkele ruimte voor hem is en er niet eens een beurs voor hem is om elektronica te studeren, zodat hij moet boeren, wat weinig oplevert. Ik weet gelukkig al dat ik direct duidelijk moet maken dat ik geen geld kan leveren en hij begrijpt het signaal. Sneu.

Er zijn van de 20 studenten nog 18 over. Een had juist bij mijn aankomst gehoord dat zijn moeder was overleden. Een ander ging terug naar zijn universiteit in Juba, de hoofdstad van Zuid-Soedan, die heropende na de recente wapenstilstand.

Preken

De zending kwam naar deze streek in de vorm van Amerikanen, begin twintigste eeuw. In de jaren zestig werden de Arabieren, moslims, in het noorden van Soedan dominant en moesten de zendelingen vertrekken. De studenten verzorgen om de beurt het minipreekje in de ochtend-‘devotion’ (afgewisseld door mij). Je kunt merken dat ze ervaring hebben in het preken. De noodzaak van verdere scholing blijkt doordat de preekjes oppervlakkig en herhaalderig zijn; soms herhalen ze alleen de inhoud van de tekst. Ook preken ze vooral uit de woorden van Jezus en uit de brieven, van waaruit ze strak aangeven wat mensen moeten doen; daarin klinkt puriteinse invloed door.

Gezichtsveld

Ik wilde ze ter afwisseling in kleine groepen aan het werk zetten, ook om ze gelegenheid te geven hun eigen taal te gebruiken. Ik zag in ‘doctrine’ zo gauw geen geschikt onderwerp. Ik liet ze een preekschets maken over Ruth 1, wat wel past in mijn andere vak, ‘pastoral theology’. Dat lukte best, alleen waren de preken allemaal exemplarisch. Ruth was trouw en liefdevol; strekking: moeten wij ook doen. Ik heb dit punt aangegrepen om ze heilshistorisch te leren preken en daar ook wat meer tijd aan te wijden. Dat wordt opgepakt én gewaardeerd.

Veel dwalingen hoef ik hier niet te bestrijden. Het charismatische christendom en het welvaartsevangelie zijn in Afrika relevant, maar Arius en Pelagius (die ik overigens voor de duidelijkheid wel noem), liggen buiten het gezichtsveld van deze kerkmannen. Hetzelfde geldt van rooms-katholieke dogma’s, de Schriftkritiek en Schleiermacher. Het geeft een vertrouwd gevoel: christenen, gereformeerd en presbyteriaans, onder elkaar.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *