Liedboek: huis of parkeergarage?

Het ‘Liedboek voor de kerken’ uit 1973 was een monument van de oecumene. Veel later zou de éne Protestantse Kerk worden gevormd, maar dit liedboek hadden ze al vast! Allemaal onder één kerkelijk dak, allemaal zingen uit één bundel, dat was het ideaal. Weliswaar zou geen gemeente alle liederen zonder onderscheid zingen of zelfs maar acceptabel vinden, maar dat gaf niet. We wonen met elkaar in één huis.

De opvolger na veertig jaar, het nieuwe Liedboek dat binnenkort wordt gepresenteerd, is een gebouw dat wil passen in een veranderde omgeving. Er zijn kerken bij gekomen, die aan het project zijn gaan meedoen, zoals de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKv). Nieuwe stromingen in het protestantisme roeren zich: de evangelicalen en de charismatischen; zij eisen hun eigen plaats op. Het gevolg is een getouwtrek om de ruimte. De nieuwe stromingen willen meer voor zichzelf. En anders, dreigen ze, gaan we misschien wel onze eigen gang.

Directie

Het was altijd al wel duidelijk dat het oecumenisch ideaal wel erg hooggestemd was. De typering ‘hotelkerk’ werd gebruikt. In het éne gebouw groeten de gasten elkaar beleefd als ze elkaar op de gang tegenkomen, maar verder hebben ze niets met elkaar. Ze gaan hun eigen gang.

Waarom zou je in zo’n samenleving nog met één Liedboek willen komen? Het Liedboek voor de kerken wordt toch nooit het liedboek van de kerk. Je zou het bijna vergeten, maar er zijn ook nog kerken die niet aan het project meedoen. Overtuigde ‘protestanten’ zullen die mogelijk als marginaal willen wegzetten, maar dat is toch niet helemaal reëel.

Het Liedboek is niet van één huis. Het is meer een parkeergarage. Iedereen, iedere stroming parkeert er zijn eigen liederen. De directie ziet zich voor de taak gesteld te zorgen dat er genoeg plek is voor alle auto’s.

Consumptiemaatschappij

Die benadering viel me in het pleidooi van Hans Maat nog het meest op. En daarin schijnen de deelnemers, bij alle verschillen en tegenstellingen, elkaar te vinden. Het is het marktmodel, waarin van de koopman verwacht wordt dat hij zijn best doet om al zijn klanten tevreden te stellen. De oecumenische beweging en de evangelicale stroming staan samen in de binnenstad van de consumptiemaatschappij. Een motief om naar een gemeenschappelijke bundel te streven kan dan nog liggen in de kosten van druk en uitgave. Eén grote parkeergarage bouwen is goedkoper dan verschillende van kleinere omvang.

Wat hebben we eigenlijk met elkaar? We zijn kerk. We willen één gebouw. De geschiedenis van de grote oecumenische beweging van de twintigste eeuw galmt nog na. De belijdenis “Jezus is Heer!” verbindt ons! Maar we gaan niet uitwerken wat we daarmee bedoelen, want dan blijkt meteen de verdeeldheid. En zelfs die ene belijdenis kan niet iedereen meemaken.

Wordt de nieuwe bundel de lippendienst, in dit geval de papierdienst, die we bewijzen aan een nog wel vaag gevoeld, maar loos eenheidsideaal? De parkeergarage waarin we allemaal onze eigen lievelingsliederen stallen?

Voortouw

Losbladige systemen drukten tot voor kort de tijdgeest uit. Nu is dat de beamer. We hebben elkaar steeds minder nodig.

Voelt iemand zich nog wel geroepen om een voortouw te nemen? Is er eigenlijk nog wel iemand geroepen? (Op dit moment voel ik tersluikse blikken richting paus gaan.)

Intussen zijn er her en der psalmenprojecten aan de gang. Is die oudtestamentische bron misschien toch niet verouderd? Is het water daaruit misschien toch frisser dan alles wat we sindsdien in onze flesjes hebben gestopt? Zouden we elkaar daar ooit weer kunnen vinden?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *