Lente! Godzijdank!

Lente! De dagen worden nu snel langer. De zon straalt volop, het wordt warmer. Canadezen en anderen melden zich ziek en gaan op terrasjes zitten genieten. Het woord rokjesdag valt. En het woord Godzijdank!

Aan de hemel, zegt Psalm 19, heeft God “een tent opgeslagen voor de zon: / een jonge bruidegom het bruidsbed verlaat…” Toen ik, na maanden alleen in Nederland, mijn gezin vanuit India weer bij me had, zeiden mensen in de kerk waar ik regelmatig preekte: “U ziet er weer veel gelukkiger uit!” Klopt, zo voelde ik me ook. Zo begint de zon aan zijn dagelijkse baan (in veel talen is de zon mannelijk).

God laat zich aan iedereen zien! Algemene openbaring! O nee? De theologie is hier heel terughoudend. Daarover straks iets. Ik begin met de Bijbel.

Taal

In deze Psalm liggen ze in één lijn: de hemel, de zon, en het woord van God, de ‘wet’. En Paulus past in Romeinen 10 deze Psalm 19 onbekommerd toe op de prediking die Israël heeft ontvangen: “Hun roep klinkt over heel de aarde, hun woorden tot de uiteinden van de wereld”. Dat is de taal van de hemel, de taal van de dagen en de nachten die onderling met elkaar praten: wat heeft God het allemaal groots gemaakt! Het is de taal die in het bijzonder Israël heeft bereikt. Israël, dat dat stralende woord kreeg, de wet.

Maar is die taal niet moeilijk te verstaan? En de natuur is toch niet altijd mooi? Hoe kunnen we – mensen in het algemeen – vanuit de schreeuw over het menselijk lijden nu God in de wereld opmerken? Laten we naar Elihu gaan luisteren, de vierde, jongere vriend van Job, die corrigerend ingrijpt in het gesprek en blijkt te preluderen op het spreken van God zelf.

God spreekt op verschillende manieren tegen mensen, zegt hij. ’s Nachts bijvoorbeeld in dromen – dan houdt hij hem af van kwalijke praktijken die hij overwoog. En als een mens ziek wordt en begint te piekeren over wat hij verkeerd heeft gedaan, maar God maakt hem genadig weer beter. (Wat klinkt mijn samenvatting armoedig vergeleken bij die geweldige poëzie; lees die zelf in Job 33!) Zo openbaart God zich, terwijl van een ‘bijzondere’ openbaring, in de lijn van Abraham en Israël, (nog) geen sprake is.

En het lijden dan?

Ja, God openbaart zich niet alleen lieflijk, maar ook ontzagwekkend, zo dat je er klein en nietig bij bent. Daar gaat Elihu het ook over hebben: God spreekt vanuit een opstekende storm met onweer. Iets wat God dan vervolgens inderdaad ook gaat doen met woorden aan Jobs adres.

Gewend als wij zijn aan de christelijke traditie waarin God liefde is, zijn wij geneigd het lijden van mens en dier als tegeninstantie te beschouwen. God zou daarin onherkenbaar zijn. In de Bijbel is dat allerminst zo. Het voert op dit moment te ver daar dieper op in te gaan. Alleen dit: Gods liefde openbaart zich in het kruis van Golgota, en als er iets lijden is, is het dat!

In het hindoeïsme is er nog iets bewaard gebleven van het besef dat lijden en de hand van God niet met elkaar in tegenspraak zijn. Daar is de god Shiva ook verwoestend. Men ervaart het in de moesson, die komt met regenstormen, onmisbaar voor het gewas, maar tegelijkertijd de oorzaak van overstromingen en aardverschuivingen die mensenlevens kosten.

Theologie

In de christelijke theologie is er een lijn die uiterst terughoudend is als het gaat over ‘algemene openbaring’. Met die terughoudendheid keerde men zich tegen iedere gedachte aan natuurlijke godskennis en natuurlijke theologie, alsof de mens nog wel iets goeds kon hebben in zichzelf aan besef van God en zich daarmee zelf omhoog kon werken. Dat is in de geschiedenis zeker geen denkbeeldig gevaar gebleken. Zoiets gaat altijd concurreren met de belijdenis dat alles wat goed is in ons, mensen, enkel en alleen maar te danken is aan God, die ons uit onze verdorvenheid verlost.

Maar dit probleem is te voorkomen als we helder blijven onderscheiden tussen wat God doet en hoe de mens daarop reageert. God spreekt wel, zegt Elihu, hij antwoordt wel op het roepen van een mens uit zijn lijden, “alleen merkt de mens het niet op”. “De mensen (…) klagen, (…) schreeuwen om hulp (…). Maar niet één van hen zegt: ‘Waar is God, mijn maker…?’” (Job 35). Dat preludeert op Romeinen 1, het klassieke hoofdstuk als het over de ‘algemene openbaring’ gaat. God openbaart zich wel, maar de mens maakt daar allerminst een positief gebruik van.

En toen kwam de dialectische theologie, met name Karl Barth. Die sloot in zekere zin aan bij dat moderne levensgevoel: God verbergt zich. Maar in de tekst waarnaar hij dan verwijst (Jesaja …) betekent het dat God niet te begrijpen is in zijn werk, juist in zijn verlossingswerk. En als God zich verbergt, betekent dat in de Bijbel dat hij zich juist wel openbaart, namelijk in zijn toorn, waarover hij tevoren duidelijk gesproken heeft.

Praatje

Vandaag, op deze zonnige lentedag, dus: Godzijdank! Zonder reserves, maar juist als een geschikte aanleiding voor een praatje, tussen mensen die zich al of niet als gelovig beschouwen.

5-3-2013

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *