Een stap verder in een koers. Vrouw en ambt, cultuur en hermeneutiek. Een statement

Als de kerken beraadslagen over vrouw en ambt, gaat het over meer dan hoe je de Bijbel moet opvatten in de cultuur van vandaag. Het gaat over de verhouding van man en vrouw. Die vraag raakt ons diep in onze existentie. Wie zijn wij, ten opzichte van elkaar? En wie willen we zijn, wie denken we te moeten zijn, als vrouw, en als man? Overtuigingen zijn in geding, wavrouw en ambt 2armee sterke gevoelens verbonden zijn. Dat maakt het gesprek moeilijk en delicaat. En inderdaad, daarmee staan we midden in de cultuur, midden in de wereld.

We herinneren ons allemaal de discussie over het stemrecht voor vrouwen. Maar ik zie ook een andere lijn door de decennia heen.

Pastoraal

Jaren geleden hoorde ik in persoonlijke kring een dominee vertellen over iemand in zijn gemeente die al tien jaar gescheiden was. Die had nu weer een nieuwe relatie gekregen en wilde trouwen. De dominee zei: Ik durfde in dit geval niet te zeggen dat dat niet mag.

Dat was in de tijd dat echtscheiding nog veel uitzonderlijker was dan nu. Het besef leefde nog sterk dat de Bijbel het niet wil. En het woord van Paulus dat altijd werd aangehaald tegen een tweede huwelijk na echtscheiding (1 Korinthe 7: 11) werd nog algemeen als richtinggevend beschouwd.

Ik begreep die dominee. Zijn opstelling leek mij pastoraal. Hij had een mening over dit ene geval, waar hij bij betrokken was. En ik vind persoonlijk ook dat ambtsdragers en kerkenraden, die geroepen zijn om pastoraal advies te geven, ook al geven ze wel aan de hand van de Bijbel richting aan, niet altijd hoeven te zeggen of iets toegestaan of verboden is.

Verlegenheid

Maar in het debat van vandaag, op de generale synode van Ede in 2014, hoorde ik weer diezelfde klank over vrouw en ambt: ‘ik durf niet te zeggen dat het niet mag’. ‘Ik kan het niet meer uitleggen aan mijn gemeente.’

Ik hoor daar een zekere verlegenheid in. In een kerkelijk klimaat waarin velen de discussie al lang als een gepasseerd station beschouwen en ongeduldig en geïrriteerd zijn over degenen die voor hun besef mijlenver achterlopen, en daar tegenover anderen een stevig tegenstandpunt innemen, aarzelen ze. Ze hebben altijd gevonden dat de Schrift de vrouw niet in het ambt wil, maar ze raken aan het aarzelen. Ze voelen de verschuivingen in het klimaat, ze voelen zich sterk verbonden met zusters en broeders die er nu anders in staan dan altijd gebruikelijk was, en het deputatenrapport komt ze, ook pastoraal, tegemoet door te zeggen dat de vrouw in het ambt ‘niet kerkscheidend’ hoeft te zijn. ‘Ik heb het altijd uitgelegd en zou dat wel willen blijven doen als het moet, maar het gaat niet meer.’

Later, maar ook al weer lang geleden, deed ik op een ambtsdragersconferentie mee aan een discussie over ongehuwd samenwonen. De nuanceringen van vandaag bestonden toen daar niet. Ik proefde de moeite van mannen die niet de eigentijdse training en ervaring hadden op het gebied van gespreksvoering, en die eigenlijk bij de jonge stellen de boodschap moesten overbrengen dat de kerk er tegen was, maar er tegenop zagen om de kat de bel aan te binden. Aan het eind hadden we elkaar op dat punt bemoedigd om er tegenaan te gaan, toen een van de aanwezigen met een zware stem – letterlijk en figuurlijk – het resultaat onderuit haalde met een emotionele uitbarsting dat het ook zijn eigen dochter betrof en dat hij een verbod niet zag zitten.

Kanselafkondiging

Intussen moesten we allerlei misstanden op seksueel gebied onder ogen zien. Incest. Seksueel misbruik door ambtsdragers. De synode van Zuidhorn (2002) schreef een periode van verootmoediging uit.

Maar de vloedgolf van de echtscheiding ging over ons heen. We ondernamen actie, er kwamen deputaten. Wie zal beweren dat er niets bereikt werd? Maar de trend zette door. Geleidelijk aan verschoof het accent naar de acceptatie van gescheiden mensen in de gemeente.

Er klonk nog een pleidooi om, wanneer een scheiding in de gemeente openbaar werd, ook als er geen tuchtmaatregel volgde, wel een kanselafkondiging te doen waarin de wil van de Heer over het huwelijk werd verklankt. Maar dat voorstel haalde het niet. Ik vond dat, en vind dat nog, veelzeggend.

Weerbarstig

Intussen burgerde ook het tweede huwelijk na echtscheiding in. En dat niet alleen, we raakten ook vertrouwd met de kerkelijke bevestiging van zo’n huwelijk. Des te meer vond ik het fijngevoelig dat die ene (lager opgeleide) broeder in zijn geval niet aanvroeg. Zo’n houding getuigt van begrip en eerbied voor het al genoemde woord van Paulus, het doet niemand onrecht en het bruidspaar wordt er niet minder gelukkig van. Pastorale begeleiding kan in een soberder vorm net zo goed tot z’n recht komen.

Verder vroegen de homo’s aandacht. Weer voel ik mee met de dominee die zei dat, wanneer een homostel toegang tot de kerk vroeg, hij niet als voorwaarde kon stellen dat ze eerst met onmiddellijke ingang uit elkaar moesten gaan. En hier is de oproep op z’n plaats om mensen die worstelen met hun homoseksuele gevoelens niet te isoleren, net zo min als mensen die lijden onder het failliet van hun huwelijk. De kerk moet barmhartig zijn. Soms wordt het principe aangevochten (namelijk dat ‘homostellen niet mogen samenwonen’), veel vaker vinden mensen de praktijk weerbarstig en willen ze vooral pastoraal zijn.

Moeilijke teksten

Heeft dit allemaal met het thema vrouw en ambt te maken? Ik meen van wel.

Maar laat ik eerst iets zeggen over hermeneutiek en cultuur. Ik deel de mening dat niemand de Bijbel zonder hermeneutiek leest, een leesbril. En ik ga mee met de redenering dat de ontwikkeling van de cultuur mee kan spreken, ook in positieve zin. Een vergelijking met de visie op slavernij is hachelijk, maar mogelijk. De vrouw is uit de schaduw en de beknotting bevrijd tot veel meer mogelijkheden om zich te ontplooien.

We moeten teksten in de apostolische brieven niet geïsoleerd en niet biblicistisch hanteren. Het feit dat Christus alleen mannelijke apostelen uitstuurde, evenmin. Wel raak is de opmerking dat het rapport bepaalde teksten als ‘moeilijk’ labelt. Dat verraadt een impliciet vooropgesteld uitgangspunt, dat zich op bijvoorbeeld Galaten 3: 28 beroept, maar dan tegen andere teksten aanbotst.

vrouw en ambt 5Lijn

Ik zie een lijn die loopt vanuit Genesis 1 en 2 – binnen de gelijkwaardigheid van man en vrouw een zeker primaat van de man –, niet alleen tot en met de nieuwtestamentische brieven (nog steeds in een ver verleden), maar tot en met het boek Openbaring, met name de bruiloft van het Lam in hoofdstuk 19 – daar schreef ik kort geleden over. Dat gaat tijden en culturen te boven, het blijft tot de jongste dag.

Wat daar tussen ligt, voegt zich in dat patroon. Zo is Debora kennelijk een uitzondering; zij zet Barak op milde maar besliste manier als man tegenover de vrouw op zijn nummer. En op de Paasmorgen heeft Jezus de vrouwen – die overigens van zichzelf niet geloviger waren – wel als getuigen ingezet om de mannen te beschamen, maar Hij heeft met diezelfde opdracht, van meet af aan, zijn leerlingen wel voluit in hun positie als apostelen gelaten.

Arrogantie

Het is niet waar dat alleen emigrantenkerken zich op dit thema eensgezind tegenover de Nederlandse kerken opstellen. Op de zitting met de buitenlandse afgevaardigden, waar het onderwerp zijdelings in beeld kwam, bleek dat duidelijk, en de irritatie in GKv-kring over hun traditionele standpunt helt over naar arrogantie. West-Europa, de westerse cultuur, gaat hier een eigen weg. Op eigentijdse projecties van de wereldkaart (om niet te zeggen de globe zelf) blijkt duidelijker dan vroeger wat een klein deel van de wereld dat is.

Vanuit de visie die ik hier neerzet – hermeneutisch, zo u wilt – op de Bijbelse man-vrouwverhouding, is mijns inziens een kritischer kijk op onze cultuur, een sterkere beleving van de vreemdelingschap, op z’n plaats.

Wedijver

Onze cultuur heeft nog steeds moeite met de verhouding tussen man en vrouw. In de Bijbel is de gelijkwaardigheid van man en vrouw veel subtieler en delicater. Gelijk(-waardig-)heid, ingevuld als: de vrouw moet dezelfde posities en mogelijkheden kunnen krijgen als de man, is een platte visie, die concurrentiedenken verraadt en tot allerlei fricties leidt in de rollen van vrouwen en mannen ten opzichte van elkaar.

Christus heeft met die concurrentiebenadering afgerekend toen Hij leerde: ‘Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar’ (Marcus 9: 35). Hij roept ons allemaal op om voorop te gaan: voorop in het dienen. Laat er dáár maar een edele wedijver in zijn.

Subtiel

Hij zelf is daarin voorop gegaan. Hij heeft laten zien wat het betekent, hoofd te zijn van zijn lichaam, de gemeente: Hij heeft het voorbeeld gegeven van dienen, van zelfovergave tot in de diepste vernedering. Wie Hem zo leert kennen, krijgt begrip voor de doorgaande lijn in het apostolisch onderwijs dat de man hoofd is van de vrouw. Inderdaad, het is een groot mysterie, zoals Paulus zegt. Het wordt nog vaak misverstaan, als mensen het invullen als: de man zal heersen, hij bekleedt het regeerambt, bij blijvend meningsverschil geeft hij de doorslag (het laatste is een citaat van lieve bruiden). Het is veel subtieler. De man, het hoofd, gaat voorop, en doet dat in de stijl van het dienen. De vrouw helpt, of dient, en bereikt daarin eervolle hoogten. Zoiets; ik probeer het voor de welwillende verstaander benaderend onder woorden te brengen.

Als de vrouw geen predikant of ouderling wordt, is dat geen kwestie van: de man houdt krampachtig vast aan zijn voorrangspositie, hij staat op zijn strepen. Deputaten hebben de oplossingsrichting waarin onder leiding van mannen de vrouw meer functies kan krijgen, niet onderzocht, zeggen ze, omdat dat buiten hun opdracht viel. Een gemiste kans, die nog hersteld kan worden door de huidige synode.

Die kant op

Mannen moeten hun verantwoordelijkheid nemen. In mijn verhaal probeer ik te laten proeven dat onze cultuur op dat punt tekort schiet. Geen wegwijzende kanselafkondiging; en: “Ik durf niet te zeggen dat…”

Wij zijn een nogal feminiene cultuur. Daar heeft de kerk deel aan. We zijn er sterk in om met alle gevoelens die er leven rekening te houden. Dat is het principe waardoor we ons laten leiden. We zijn er minder sterk in om te zeggen: die kant moeten we op, kvrouw en ambt 4om op, we gaan! Dat is geen tegenstelling, we hebben beide tegelijk nodig. Van de kerk mag beide verwacht worden. Maar wij zijn geneigd om het woord ‘pastoraal’ bij uitstek in te vullen met het eerste en niet met het tweede. Er is veel begrip, maar minder sturing. Er is veel aarzeling en weerstand om knopen door te hakken. Dat wijst op een cultuur waarin het masculiene element zwak is.

Voorstanders van de vrouw in het ambt zeggen: het gaat om Christus, en wij moeten de voortgang van het evangelie niet hinderen door drempels die in onze cultuur onbegrijpelijk zijn. Maar dan zeg ik: laten wij Christus inderdaad erkennen, in zijn positie als ons Hoofd — wij als zijn bruid, zijn lichaam — en die verhouding blijven honoreren en weerspiegelen in onze praktijk.

In de samenleving beseffen we wel dat polderen, hoe positief ook, niet alles is. En hier en daar zijn er signalen binnen de cultuur zelf van opkomend inzicht dat het gelijkheidsdenken is doorgeschoten. Als wij als kerken nu de vrouw een plaats geven in het (leidinggevend) ambt, konden we wel eens – zoals zo vaak wanneer we ons aan de tijd aanpassen – gauw ontdekken dat we weer achterlopen.

Gemiddelde

Het zal goed zijn om duidelijke verschillen tussen mannen en vrouwen te accepteren in bestemming en rol. ‘De taken verdeeld’ (ooit de titel van een gereformeerd boekje erover). Als we daarmee beginnen, hoeven we niet krampachtig te zijn en kunnen we verschillen in situaties en in individuen onder ogen zien. Maar dan zijn we wel bevrijd van het haastige ‘ja maar de vrouw kan net zo goed…’, en omgekeerd: ‘ja maar de man kan net zo goed…’ Dat mag soms zo zijn, vaak zelfs, en dan kan dat mooi zijn, maar ons uitgangspunt helpt ons om onder ogen te zien dat dat nooit het gemiddelde wordt.

Er is in onze cultuur veel verwarring wat betreft seksuele en genderrollen. Die verwarring wordt juist vaak als positief gezien en aangemoedigd. Ook op dit gebied hebben we het kompas van het evangelie hard nodig.

Scheiding

Binnenkort gaan er op de synode besluiten vallen. Vandaar dit lange stuk: ik wil van mijn kant stelling nemen.

Zeg ik daarmee dat de vrouw in het leidinggevend ambt ‘kerkscheidend’ is? Daar wil ik niet op vooruitlopen. De sfeer van vandaag is niet meer die van: hier scheiden onze wegen.

Men zegt: in de ene kerk zal, gezien haar culturele omgeving, de vrouw in het ambt niet passend zijn, in de andere juist wel. Sympathiek is daarin de impliciete erkenning dat de kerken in de huidige omstandigheden niet meer zo door een generale synode gestuurd kunnen worden als in het verleden. Daarbij ziet men ook onder ogen dat het in de loop van jaren deputatenarbeid niet mogelijk is gebleken elkaar in één standpunt te vinden. Het minderheidsrapport van deputaat D.A.C. Slump onderstreept dat nog eens.

Intussen heeft deze bescheidenheid een verre strekking. Het niet duidelijk wijzen van een koers is op zichzelf een stap in een koers. Men neemt stelling inzake het gewicht van het onderwerp: het weegt niet zo zwaar als zeer velen altijd hebben gemeend en velen nog steeds menen. Tegelijkertijd opent men de poort naar tweeërlei koers en daarmee naar een zekere geestelijke verwijdering. Hoezeer men ook kennelijk en oprecht het tegendeel, namelijk eenheid, beoogt.

Opletten

Over de gemeente waar ik lid van ben hoef ik me dan geen zorgen te maken, maar ben ik uit logeren of op vakantie, dan wordt het zaak om op te letten. Ik zie mezelf wel vermijden om kerkdiensten bij te wonen waarin een vrouw voorgaat. Of gemeenten waar vrouwen in de ouderlingenbank zitten. Tenslotte ben ik niet de enige in mijn gezin die op dit standpunt staat. En wij hebben ook onze verantwoordelijkheid om onze kinderen voor te gaan.

Ik geloof dat er, ook helemaal afgezien van dit specifieke issue, altijd een zekere ‘scheiding der geesten’ aan de gang is en zal zijn. Ik voel me hartelijk verbonden met de kerken waar ik bij hoor en met de mensen erin, ook met de mensen met wie ik veel van mening verschil. Maar je ziet op de langere termijn, door de kerkgeschiedenis heen, ook zonder kerkscheuring, wegen uit elkaar gaan en modaliteiten zich consolideren.

Sparen

Als we niet op een kruispunt staan, dan bewegen we ons wel in een veld met een koers die wat meer zus of wat meer zo uitvalt. En ik meen dat het voorstel dat nu aan de orde is een stap verder is in de hier getekende, bedenkelijke koers. De effecten van zo’n stap worden pas op langere termijn duidelijk. En trouwens, keuzes zijn niet altijd onherroepelijk, en koerscorrecties zijn mogelijk.

Dat ik op dit moment een statement wil maken, houdt verband met mijn verlangen om een confrontatie op het punt van homoseksualiteit te vermijden. Ik acht namelijk de kans reëel dat dat het volgende issue zal zijn. En dat is al, in allerlei kerkelijke kring, genoeg aanleiding voor breuken en polarisatie. Dat wil ik mijn broeders en zusters die met dit probleem worstelen graag besparen. Vrouwen die allerlei mogelijkheden krijgen maar alleen niet in het leidinggevend ambt worden erkend, hoeven nu eenmaal lang zo zwaar niet te lijden als degenen die aldoor in eenzaamheid moeten strijden tegen wat ze als iets van hun wezenlijke zelf ervaren.

Hiermee heb ik mijn belangrijkste gezichtspunten op dit onderwerp nog eens op een rijtje gezet. Ik wil hiermee ook graag mijn schrijven erover afsluiten.

Meer artikelen over dit issue op mijn blog zijn te vinden via de tag ‘man en vrouw’

Binnenkort verschijnt mijn boek ‘Verbondenheid is kostbaar’ in de brochurereeks ‘Woord en Wereld’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *