Een huis voor de Nachtwacht

De Nachtwacht is een keizer op zijn troon. Je ziet hem zodra je de drempel van zijn troonzaal betreedt, bijna ongenaakbaar en toch alles beheersend. Heel de zeventiende-eeuwse weelde links en rechts, schitterende schatten op zichzelf, zijn slechts lakeien die in de houding staan in hun zaaltjes die nissen zijn. Onderdanig, in diep besef van hun afhankelijkheid en ondergeschiktheid, begeleiden ze je op weg naar Zijne Doorluchtigheid. Hij wordt al groter, totdat hij hoog boven je uittorent en jij nietig aan zijn voeten je vergapend aanbidt. Daarna is niets meer hetzelfde. Wat voorafging was een voorbereiding die je vergeet. Wat erna komt is op z’n best curiositeit, totdat het afglijdt naar de rommel van je eigen tijd. De Nachtwacht is onvergankelijk, eeuwig.

Commandant

Dat zijn namen steeds prozaïscher zijn geworden doet daar niets aan af. Het geheimzinnige ‘nachtwacht’ uit de romantische eeuw mag dan verdwenen zijn. ‘De schuttersoptocht van kapitein Frans Banning Cocq en luitenant Willem van Ruytenburch’, de naam die me in mijn kinderjaren als nieuw-zakelijk in de oren klonk, levert niet eens treffers op. Ook ‘De compagnie (…) maakt zich gereed om uit te marcheren’ is achtergebleven in de eeuw van de grote oorlogen. Ter gelegenheid van de opening van het gerestaureerde Rijks…museum moest de naam blijkbaar worden herzien en nu zijn het, heel postmodern, ‘De schutters van wijk II’. Ze zijn inmiddels allemaal geïdentificeerd – mensen als u en ik.

Doet er niet toe, het blijft de Nachtwacht en is het symbool van onze Gouden Eeuw – al weten we niet meer wanneer dat was en herkennen we zijn metgezel de Statenvertaling niet – en van onze nationale trots.

Diner in de Nachtwachtzaal van het Rijksmuseum. Foto ANP/Robin Utrecht
Diner in de Nachtwachtzaal van het Rijksmuseum. Foto ANP/Robin Utrecht

Vuur

De Nachtwacht gaat mee naar de nieuwe wereld. Dat mag dan meer klinken als een christelijk-moderne speculatie dan als een vrucht van nuchtere postmoderne Bijbeluitleg. Het was Abraham Kuyper die in het slot van het boek Openbaring de volken hun ‘eer en heerlijkheid’ het Nieuwe Jeruzalem binnen zag dragen, het resultaat van de eeuwenlange wereld-cultuurgeschiedenis.

Nu vertalen we in Openbaring 21 vers 26: “De volken zullen in haar hun lof en eer komen betuigen.” Niets over schatten van deze aarde die meekomen de eeuwigheid in. Alles gaat onder in de grote wereldbrand: “De elementen gaan in vlammen op…” (2 Petrus 3: 10).

Daar zijn in de loop van de tijd de nodige dogmatische beschouwingen aan gewijd. Er is toch niet alleen maar discontinuïteit tussen nu en straks, maar ook continuïteit? Verbranding betekent nog niet dat de materie vernietigd wordt, zo probeerden de theologen, kinderen van de eeuw der natuurwetenschap, dit principe vast te houden.

Meisje

Maar het zwaartepunt van de bestudering verplaatste zich van de geloofsredenering naar de tekstwetenschap. Een tijd lang werd de  tekst gelezen als: “de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden” (NV51), en “de aarde wordt blootgelegd en alles wat daarop gedaan is komt aan het licht” (NBV). Maar een hedendaags exegeet kiest voor de lezing: “…zullen niet (meer) gevonden worden”. Daarmee komt hij zakelijk bij de lezing van de Statenvertaling: “En de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.” Kous af. Banning Cocq en zijn mannen, hoe ze daar ook over gedacht hebben, af door zijdeur. ‘Lof en eer’, een psalmvers, dat is het enige wat overblijft.

Alleen: dat maakt geen verschil! ‘Lof en eer’, dat is ook: Heer, die Nachtwacht, die schuttersoptocht, wat was dat een machtig werk! Wat bent U groot, dat U een mens zulke geniale gaven hebt gegeven! Wat zien we daar een kerels naar voren komen, en wat schittert dat meisje!

Trots

“De koningen op aarde betuigen daar hun lof” (vers 24), of “brengen hun heerlijkheid in haar”. Misschien de heren schutterscommandanten en landjonkers zelf, de magistraten van Amsterdam, maar in dit geval van een schilderij denk ik aan de kunstkenners. Heer en God, wat een originele en gedurfde compositie vergeleken bij al die statische schuttersstukken, wat een levendige voorstelling van mannen die opmarcheren, wat een geniale uitbeelding van het schieten in z’n opeenvolgende handelingen, wat een meesterlijke toepassing van het clair-obscuur… De deskundigen houden niet gauw hun mond.

Meer op de achtergrond (voor mij) zijn er de kunstenaars. Leerlingen van Rembrandt, die het voorrecht hadden in zijn atelier opgeleid te worden. En latere schilders, die het doek moeten hebben bestudeerd. Ook de bezoekers uit andere werelddelen, van wie er in ieder geval sommigen sindsdien nooit meer hetzelfde waren. En natuurlijk de Nederlanders, voor wie dit het hoogste symbool van hun nationale trots was. Al die mensen brengen hun bewondering nu binnen in de nieuwe stad. Met elkaar dragen ze het doek tot aan de voeten van Hem die op de troon zit.

Penseelstreken

Niet allemaal persoonlijk brengen ze hun lof in de nieuwe stad. Maar het zijn meer, en meer vooraanstaande mensen dan je denkt. En zo is de Nachtwacht daar. Niet binnen de concepten van onze natuurkunde. Maar toch reëel, werkelijk aanwezig, compleet met penseelstreken. Op ons netvlies, voor onze nieuwe ogen, echt vóór ons.

De Nachtwacht in het Rijksmuseum, vernieuwd heropend in 2013, in Amsterdam, kan best verbranden, en dan moeten we vooral niet achteromkijken.

Maar we zijn op weg naar een nieuwe Nachtwacht, in een nieuw Koninkrijksmuseum, in een nieuwe stad waar alles samenkomt, de grote stad van een nieuw koninkrijk. Daar hangt het doek voor eeuwig op zijn plaats.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *