De kerk is mijn moeder

Waarom raakt de verschijning van een boek als ‘Vrijgemaakt’ mij zo? Omdat de kerk mijn moeder is. “Men kan God niet als Vader hebben, wanneer men de kerk niet als moeder heeft” (Cyprianus) – daarin herken ik mezelf.

Het begon thuis. Mijn moeder las mij voor uit de kinderbijbel. Toen ik erg ziek was, zorgde ze voor me, kwam ze bij mijn bed zitten praten en bad ze met me of de Here me beter wilde maken. En ook een keer of Hij wilde maken dat ik minder pijn had – wat direct gebeurde. ’s Avonds las mijn vader voor uit de ‘grote’ bijbel. Hij greep ook wel eens naar een verklaring. Zo heb ik eerbied geleerd voor het Woord van God. Bij het opgroeien fascineerden mij de geheimzinnige gedeelten, zoals Job en de profeten, vooral de visioenen. De sfeer thuis was warm, ook de geloofssfeer. God was onze Vader.

Bouwcommissie

Mijn ouders namen me mee naar de kerk. ’s Morgens vader, ’s middags moeder; de ander bleef dan thuis bij de kleintjes. Ook van de tijd dat ik zelf nog niet daar de preek luisterde, toen ik als jongetje van een jaar of vijf voor ’t eerst ’s middags mee was en m’n vinger in de gaatjes van de stoelzitting probeerde te steken, is de indruk me bijgebleven dat vader en moeder zelf aandachtig zaten te luisteren. De kerk was belangrijk voor ze. Mijn vader was penningmeester van de bouwcommissie.

Talloze keren heb ik de doop van een baby meegemaakt. Die van mijn jongste broertje, elf jaar jonger dan ik, herinner ik me nog goed. De betekenis ervan is me met de paplepel ingegoten.

Kerk en school horen bij elkaar. Dit gebouw in Sint Annaland ziet eruit als een tussenvorm.
Kerk en school horen bij elkaar. Dit gebouw in Sint Annaland ziet eruit als een tussenvorm.

Eerst gingen we naar een christelijk-nationale school, later, toen we verhuisd waren, naar een gereformeerde. Ook dat was dus niet vanzelfsprekend of uit traditie. Mijn vader legde me uit waarom. Hij was jaren tweede secretaris van de schoolvereniging met de lange naam ‘Vereniging tot stichting en instandhouding van scholen naar de leer van de gereformeerde kerken…’ Zo’n school kon alleen bestaan door de inzet van de ouders. Je had onderwijzers nodig die zelf ook de Here eerbiedigden. (Het woord ‘godsvrucht’ kenden we alleen uit de Bijbel, maar de zaak doortrok onze leefwereld.)

Zendingsvelden

Alleen achteraf terugkijkend kan ik bepaalde invloeden benoemen die mij via het kerkelijke milieu hebben gevormd. Gereformeerd zijn was gestempeld door Kuyper en de Afscheiding. Die laatste wordt door historici minder genoemd maar is even belangrijk. Minder voor de hand liggend moeten ook ‘Janse van Biggekerke’ en de ‘Wijsbegeerte der Wetsidee’ een rol hebben gespeeld.

In ieder geval heb ik meegekregen dat het leven voorafgaat aan het denken. En dat wat God zei en wilde, zich uitstrekte over alle schoolvakken. Over alles.

Ik liep met het MESOZ-busje, voor de hulp op de zendingsvelden. Kerklid ben je met de daad, je zet je in, leerde ik zowel principieel als al doende. Mijn vader was actief in de plaatselijke kiesvereniging. Wat achteraf en van buitenaf een ‘zuil’ heet, was gemotiveerd vanuit de inhoud van het geloof. Op het Nationaal Appèl van het GPV in het Circustheater in Scheveningen was ik samen met mijn vriend bij een van de ingangen boven opgesteld: ik verkocht speldjes van de ‘burcht’, mijn vriend programma’s.

Piëtisme

Mijn vader praatte veel met mij. Niet alles wat christelijk heet, is ook even christelijk, leerde ik al vroeg. Er waren veel mensen die wel naar de kerk gingen maar bij wie het geloof verder weinig of niets voorstelde. In de Hervormde Kerk waren ook mensen lid die nooit naar de kerk gingen, van wie zelfs de kinderen niet gedoopt waren. En er waren allerlei richtingen. De meester in de zesde klas zette ze een keer voor ons op een rij. (Dat schreef je dan over van het bord.) Piëtisme was er een van – “…dat heeft niks met Piet Houtman te maken”. Om ons heen was er wat ik later ‘relativisme’ zou leren noemen. We ironiseerden dat: ‘Ik geef mijn mening graag voor een andere, als het kan graag een betere’.

We gingen naar catechisatie en naar de jeugdvereniging. Die laatste vond ik weinig niveau hebben, maar mijn ouders leerden mij dat je rekening moest houden met verschillende gaven terwijl je toch één lichaam was, dat je dat nederig moest aanvaarden. Dat deed ik met een tegenzin die langzaam wegtrok.

Gortdroog

Op de middelbare school was er dezelfde sfeer van saamhorigheid tussen leerlingen, leraren en – op de achtergrond – het bestuur (de voorzitter herinner ik me nog goed). Je ging hier naar school – voor de meesten ver van huis – omdat je allemaal bij die ene kerk hoorde en omdat het onderwijs in dezelfde lijn lag. Van mijn gortdroge leraar kerkgeschiedenis en Nederlandse Geloofsbelijdenis (we kwamen niet verder dan de eerste helft) heb ik – achteraf gezien – toch veel geleerd. Mijn leraar Latijn nam af en toe de tijd (hij had veel uren) om ons te vormen in de gereformeerde levensbeschouwing (later werd hij hoofdredacteur van De Reformatie). Leraren van andere gereformeerde middelbare scholen (‘lycea’) gaven een bundel uit om ons te begeleiden in het brandende issue van de evolutie.

Naar de hemel

Vroeger bij mijn vader thuis, vertelde hij, hadden ze ook altijd veel gepraat over geloof, kerk en wat er gaande was. In die tijd speelde de Vrijmaking. Wij zelf waren intens betrokken bij de kerkstrijd van de jaren zestig. Een van de vragen waar het het meest om ging was: gaan de gelovigen direct na hun sterven naar de hemel, of komen ze in een soort slaap of een tunnel waar ze pas op de jongste dag weer uit komen? ‘Als je dood gaat, ga je naar de hemel’ – dat geloofden in mijn kindertijd alle christenen en dat werd nu opnieuw benadrukt. Je gaat naar je Heer, die van je houdt, dat is fijn, daar was je blij mee! Sommigen die daar ook van overtuigd waren, vonden toch dat dominees vrij moesten zijn om die andere opvatting te verkondigen. Dat kon niet, vonden ‘wij’. Dominees hadden beloofd dat niet te doen maar zich aan de leer van de kerk te houden. Dat moesten ze dan ook doen, want de gemeenteleden moesten niet in onzekerheid of in de war gebracht worden. Niets zal ons scheiden van de liefde van Christus!

Oecumene

Mijn vader had een vast standpunt dat hij met nadruk onder woorden bracht, maar hij was niet steil. Onder zijn vrienden in de gemeente voerde hij niet het hoogste woord en hij uitte zich eerder bewogen dan hard. Vroeger was hij in Engeland in opleiding geweest en hij had waardering voor het Leger des Heils, dat het geloof in praktijk bracht en de lagere sociale klassen opzocht. Wij geloofden wel dat je vrijgemaakt moest zijn omdat de Here dat van ons vroeg, maar niet omdat dat ‘de enige ware kerk’ zou zijn. In andere landen was de kerkelijke situatie heel anders. Het was goed om echte oecumene te zoeken; dan dachten we aan de Christelijke Gereformeerden. In de praktijk hadden we daar geen contact mee, dat wil zeggen geen kerkelijk contact; we gingen wel met mensen van allerlei richtingen om en dat was geen probleem. Ik had een vriend die ‘buiten verband’ was. We hebben over de verschillende kerken met hun dominees en hun manieren van doen veel gepraat en daarbij ook veel gelachen.

Verstaat gij?

Je koos de kerk niet, je werd erin geboren. Wij hadden niet voor afscheiding gekozen, maar Luther, De Cock en Schilder waren uit de kerk gezet. Verschillen met andere kerken waren er ter wille van de inhoud. Op dat punt leerden we onderscheiden. In die tijd verscheen het geruchtmakende boek van H.M. Kuitert: ‘Verstaat gij wat gij leest?’, waarin hij het geloof in de historiciteit van de Bijbel begon te ondermijnen. Ironisch sprak hij van de ‘vier zaligmakende dieren’: de sprekende slang in het paradijs, de duif van Noach, de ezel van Bileam (hij wees er tussen haakjes fijntjes op dat het een ezelin was) en de vis van Jona. De kerk had de verantwoordelijkheid om tegen zulke invloeden positie te kiezen. Mensen zijn van nature vatbaar voor misleiding en hebben goede leiding nodig.

Hier stop ik, aan het eind van mijn middelbareschooltijd. Er is veel veranderd. Ik heb veel bijgeleerd, mijn horizon is verbreed. Verhoudingen zijn verschoven. Ik weet niet of we altijd bij een aparte vrijgemaakte kerk zullen horen. Maar wat ik in die eerste zeventien jaar van mijn leven heb meegekregen neemt niemand mij af.

De kerk is mijn moeder. In de kerk ben ik geboren en opgegroeid. Ze is op de achtergrond als vanzelfsprekend altijd aanwezig. Ze is belangrijk, niet op zichzelf en om zichzelf, maar vanwege  Vader. Ze is van Hem, ze hoort bij Hem. En ik met haar.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *