Sticht God vrede? En de oorlog dan?

“Hoe kan God dat toelaten?”, vragen mensen als er oorlog woedt en er talloze slachtoffers vallen, soldaten maar ook burgers. Er wordt gezegd: God is niet almachtig, blijkbaar. Hij lijdt en huilt met ons mee. Of: hij is er niet.

God is toch liefde? Inderdaad. Hij is een God van vrede. Hij wil vrede en geeft vrede. “Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen” – de profetie uit Jesaja 2 en Micha 4 staat te lezen op het gebouw van de Verenigde Naties in New York, als een uitdrukking van het verlangen van alle volken naar vrede. Het is een belofte van God.

www.un.org
www.un.org

Laten we lezen hoe Psalm 46 hem daarom prijst: “…Verbijsterend is wat hij op aarde verricht: wereldwijd bant hij oorlogen uit, bogen breekt hij, lansen verbrijzelt hij, wagens verbrandt hij in het vuur. ‘Staak de strijd, en erken dat ik God ben…’”

Maar hoe kan God dan oorlog toelaten, en zelfs laten uitbarsten tot gruwelijke proporties? Daar zijn wij veel meer door verbijsterd; des te meer! Hoe kan hij, die wij toch belijden als de Almachtige, dat een plaats geven in zijn regering?

 “Slacht elkaar maar af!”

 Hard wordt het geprofeteerd in het visioen van Openbaring 6, als het Lam het tweede zegel verbreekt: de ruiter krijgt de bevoegdheid om de vrede uit de wereld weg te nemen, zodat men elkaar zou afslachten. De beide volgende zegels spreken dan van de plagen die gewoonlijk met oorlog meekomen: economische ontwrichting, honger, besmettelijke ziekte door gebrek aan hygiëne, een wildplaag in ontvolkte gebieden. Alles met dodelijke gevolgen. De natuur vergezelt de mens in z’n destructief handelen.

We krijgen niet alleen te horen dat er oorlogen zullen zijn, de hele geschiedenis door. God heeft er blijkbaar zelf de hand in!

De woorden doen denken aan Romeinen 1: Toorn van God openbaart zich over alle kwaad van mensen… Dat kwaad wordt eerst beschreven: ze hebben God genegeerd. Dan staat er, tot drie keer toe: Daarom heeft God hen overgeleverd aan… en dan volgen weer allerlei kwalijke daden. God straft een godloze mensheid met haar eigen samenlevingontbindend gedrag.

Dat horen we ook in Openbaring 6. Eerst is er nog vrede. Ook dat kennen we uit eigen ervaring. Er wordt weinig over geschreven: goed nieuws is geen nieuws. Laat je ogen eens door het panorama dwalen: een paar miljard mensen die ’s morgens opstaan; de zon gaat op, ze gaan aan het werk; ze gaan heerlijk schaatsen en zijn vervolgens blij als het na een paar maanden weer warmer wordt… Zo regeerde God: hij was nog voortdurend bezig een zekere mate van vrede in de wereld te handhaven.

Maar nu trekt hij zijn hand terug. En dan gaan de mensen elkaar te lijf. Dat zit in ze, zo zijn ze, net als in Romeinen 1. Ze doen het zelf! Ze doen het elkaar aan, wederzijds. Het rechtvaardig oordeel van God zegt: Zonder mij geen vrede. Dat oordeel is effectief.

 Niet zwart-wit

 Deze wereldoorlog verschilt van de centrale oorlogen in het Oude Testament, die ook gruwelijk waren en die veel Bijbellezers de eeuwen door zoveel aanstoot hebben gegeven. Daar was nog sprake van een heilige oorlog. Oorlog van God zelf, al dan niet door middel van zijn volk, tegen goddeloze volken. Tegen volken die zijn volk geweld aandeden en vernederden. Oorlog van Gods koning tegen de koningen die zich tegen hem verzetten. Kortom, God voerde oorlog tegen de machten die zich keerden tegen hem en zijn project op aarde.

Hier in Openbaring 6 is het anders. Hier doet het er in wezen niet meer toe wie de agressor is. De wereldbewoners, allemaal met elkaar, zitten vol agressie tegen elkaar.

Als wij het nieuws over gewapende conflicten volgen, kiezen we graag partij. Het is prettig om zwart-wit te kunnen denken en praten. Maar dat is vaak niet op z’n plaats. Tijdens de Koude Oorlog lukte het nog wel aardig. Maar niet in het conflict tussen Israël en de Palestijnen (al doen velen het wel). Of dat in het oosten van Congo.

“…Zodat men elkaar zou afslachten”. Maar de mensheid verlangt toch naar vrede? Dat lijkt vanzelfsprekend, maar… Vul dat eens in; probeer je eens in de daders te verplaatsen: waarom doen ze dat dan niet, daar? De daders van beide kanten. Je schudt woordeloos je hoofd. We zien Openbaring 6 voor onze ogen werkelijkheid worden.

 Allemaal daders

 Wij voelen vaak erg mee met de slachtoffers. Slachtoffers zijn onschuldig. We zijn plaatsvervangend verontwaardigd. Zit daar, naast oprecht medelijden, ook niet iets in van zelfrechtvaardiging? We zeggen daarmee: wij staan aan de goede kant!

Maar in de Bijbel worden wij als daders aangesproken. Zo niet als daders van oorlogsagressie of oorlogsmisdaden, dan toch in ieder geval als mededaders van onrecht tegen Gods wet. Elke zondagmorgen, als in de eredienst schuldbelijdenis en verootmoediging een plaats hebben, buigen we onder die beschuldiging ons hoofd. Beide partijen, ‘daders’ en ‘slachtoffers’, en wij, hebben Christus nodig. Heer, vergeef!

We moeten met onze neiging om God ter verantwoording te roepen voorzichtig zijn. De hand op de mond! God is wel almachtig; hij regeert; hij heeft inderdaad de hand in die oorlogen. Maar wij mensen zijn verantwoordelijk. Daar botsen wij met onze logica tegenop. Maar in de praktijk van het leven is het van het begin af aan, vanaf het paradijs, niet moeilijk om ermee te leven. Integendeel, het was goed zo; het was heerlijk. Het wordt pas moeilijk als je afstand neemt van God en tegen hem in verzet komt.

 God roept nog!

 Als we ons dat realiseren, krijgen we er vervolgens oog voor hoeveel geduld God nog steeds met ons, de mensenwereld, heeft. Een vierde deel van de aarde wordt getroffen door dood en verderf, lezen we in Openbaring 6, aan het eind van deze zegels. Driekwart wordt nog gespaard. Niet omdat ze onschuldig zijn, of vredelievend, of beschaafder, of vanouds gestempeld door het christendom. Maar vanwege Gods geduld. Wij tellen slachtoffers – terecht. Maar laten we ook de overlevenden tellen! Daar zijn wij bij. Wij kunnen elkaar nog helpen, elkaars wonden verbinden, vredesonderhandelingen voeren en aan ontwikkelingssamenwerking doen en economische samenwerking zoeken. Wij kunnen nog elkaars belang zoeken. Wij kunnen nog steeds Gods stem horen.

Laten we daarnaar luisteren. Terug naar Psalm 46: “Kom en zie wat de HEER heeft gedaan, verbijsterend is wat hij op aarde verricht: wereldwijd bant hij oorlogen uit (…) ‘Staak de strijd, en erken dat ik God ben, verheven boven de volken, verheven boven de aarde.’” Dat zegt hij vandaag in Christus.

Maakt hij dat waar, of niet? Laten we nu niet de aandacht afleiden naar anderen. Naar de kruistochten in de Middeleeuwen, de slavernij, en de wereldoorlogen die door vanouds christelijke naties zijn gevoerd. Het was er allemaal. Maar laten we naar onszelf kijken: is dat niet wat hij ons, christenen, leert? Is hij niet bezig, door de Geest van Christus, ons tot in onze wortel te veranderen, zodat alle oorlogszucht die in ons zou kunnen opkomen wordt afgebroken, tot en met het oorlogvoeren zelf?

‘Staak de strijd, en erken dat ik God ben!’ – zo klinkt het evangelie van Christus, midden in de gewapende conflicten van deze wereld, aan het adres van de driekwart overlevende wereldbewoners. Zouden ze luisteren?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *