‘Het pauperparadijs’: ónze geschiedenis

We hebben vandaag in Nederland allemaal een zekere welstand. Ook armen wonen in bewoonbare huizen. Er wordt zorg besteed aan het recht van de armen. Vroeger – waren dat barbaarse tijden? Het waren wel onze voorouders, die uit de ellende hebben moeten opstijgen. ‘Als je voor een dubbeltje geboren bent, bereik je nooit een kwartje, nooit een stuiver meer’, zong Louis Davids.

Het pauperparadijs van Suzanna Jansen is niet voor niets een bestseller. Het boek heeft vele kwaliteiten. Niet alleen is het goed geschreven, in de moderne trant van populaire geschiedschrijving, met veel ‘human interest’. Niet alleen beschrijft het de geschiedenis van de kolonie Veenhuizen, en laat het twee eeuwen ontwikkeling zien van de visie op de aanpak van armoede in Nederland. Het is een spannende familiegeschiedenis – dat, zoals de ondertitel zegt, in de eerste plaats. Hoe zal het die mensen vergaan? Zullen ze het rooien? Het bevat een reeks liefdesverhalen, hoe terughoudend verteld ook, binnen de grenzen die de bronnen toelaten (als lezer vul je dat wel aan), van elke generatie opnieuw. Het is een speurdersverhaal, een detective: geleidelijk aan moet het verleden z’n geheimen aan de onderzoekster prijsgeven; verscheidene raadsels worden pas verderop in het boek opgelost.

Maar het heeft ook iets van wat met een lelijk woord bekentenisliteratuur heet. De schrijfster vertelt haar eigen achtergrond, haar geschiedenis, zoals die zich uitstrekt in haar voorgeslacht, en wat er daarbij in haar omgaat. Dit zijn haar eigen wortels; dit is zij zelf.

Er zijn nogal wat lezers die, sympathiserend, vooral verontwaardiging voelen: over het stigma dat de samenleving op de armoede drukte en dat ook in de armen zelf als schaamte leefde. Dat is zeker een rode draad in het boek. Aan het eind constateert Suzanna Jansen hoe ver zij van de paupers die haar voorouders waren af staat.

Maar het boek is geen aanklacht. Het is evenwichtig. Het spreekt ook van machteloosheid. Mensen kunnen zich niet aan de armoede onttrekken. Kinderen komen al vroeg op straat terecht, of groeien op in een milieu aan de onderkant van de samenleving, en zien geen kans zich er anders doorheen te slaan dan door op de vlucht te slaan en te gaan zwerven en zich met drank te verdoven. Maar het boek ziet ook de verantwoordelijkheid van de hoofdpersonen onder ogen, hun keuzes, hun persoonlijke zwakheden en het element van schuld bij sommigen. Het weegt een en ander voorzichtig en eerlijk tegen elkaar af.

Veroordeling tot drie jaar strafkolonie omdat je op straat aangetroffen bent zonder geld op zak (‘landloperij’) is vernederend. Maar de armen zijn niet altijd slachtoffer – zie de bladzijden over de dienstbode, met verwijzing naar een toneelstuk van Heijermans.

Het meest treft dit boek me vanwege het besef: dit zou mijn eigen verhaal kunnen zijn! Ook al weet ik dat het dat niet is, zoveel weet ik wel van mijn eigen voorgeslacht, maar toch…

Deze familiekroniek is goed gedocumenteerd. Het is geen roman. De geschiedenis is niet geromantiseerd. En het gaat niet, zoals zo vaak, over rijke mensen, of althans mensen uit de hogere klasse. Er zijn geen helden. Ook geen antihelden. Er is geen opgelegde strekking of atmosfeer. Het is niet knus, of zielig, of verontwaardigd. Niet postmodern, nihilistisch of lollig. Het gaat over gewone Nederlanders, zoals er eindeloos vele geweest zijn. Een stuk van onze eigen identiteit wordt onthuld. Dit zijn wij. Of tenminste: dit zijn wij ook.

Wat zegt deze geschiedenis mij? Dit: ik, een mens als de hoofdpersonen uit dit boek, ben uit de goot gehaald. Gered. Het had net zo goed anders kunnen aflopen. Wat ik ben, lichamelijk, geestelijk en sociaal ineen, is niet mijn verdienste. Het is genade.

Verder heeft het me bijvoorbeeld getroffen dat geleidelijk, vanaf omstreeks 1900, de behandeling van mensen aan de onderkant van de samenleving begripvoller en humaner werd. Ook op de betekenis van pastoraat en godsdienstige kindertehuizen valt een mooi licht.

Ik erken dat mijn interpretatie subjectief is. Maar het is wel een conclusie die recht doet aan de geschiedenis. De geschiedenis zelf is niet eenduidig; er zijn allerlei conclusies aan te verbinden.

De werkelijkheid overtreft de verbeelding. In dat opzicht overtreft dit non-fictieboek, waarin structuur en stijl vakkundig ondergeschikt zijn gemaakt aan de inhoud, de literatuur. In dit geval vooral hierin, dat het niet eenduidig is en een rijke schakering aan conclusies toelaat. Het is een bron van inzicht, maar ook van stof tot nadenken, over onszelf.

8-7-2010

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *