Gelovigen en ongelovigen

Wie gelooft, wordt gered; wie niet gelooft, niet. Dat horen we in de Bijbel. Uitgedrukt in populair christelijk spraakgebruik: gelovigen gaan naar de hemel, ongelovigen naar de hel.

Dat zijn, in al hun simpelheid, enorme uitspraken. Het eerste – wie zou dat niet willen? Wie zou daar niet bij willen horen? Ja, ze zijn er, steeds meer: mensen die zichzelf als niet-gelovig beschouwen en daar geen enkele moeite mee hebben; maar daarvan zien we nu even af. Aan wie zou je als christen dat niet gunnen, die redding? Wie zou je dat willen ontzeggen? En het tweede, dat is bijna onvoorstelbaar, dat zou je je ergste vijand nog niet toewensen.

De Bijbel spreekt van twee soorten mensen. De brieven in het Nieuwe Testament spreken de gemeente aan als degenen die geloven, de heiligen: jullie, of wij, zijn gered, worden gered. Ze spreken ook van ‘degenen die buiten zijn’ en de ondergang tegemoet gaan.

Dwars

Vooral in een christelijke wereld levert deze leer problemen op. Eigenlijk zijn die problemen er altijd, maar ze vallen niet zo op in een kleine kerkgemeenschap, waar iedereen iedereen kent en een sterk wij-gevoel heerst,  versterkt door een grote gemeenschappelijke vijand. Hier kan een effectieve sociale controle werken, met mogelijk de tucht als instrument. Maar in de eeuwen sinds Constantijn worden de problemen structureel. In de praktijk is de onderscheiding namelijk lang niet altijd duidelijk. De werkelijkheid is veel gecompliceerder.

Het is niet alleen dat er, zoals Augustinus zegt, ‘vele schapen buiten zijn en vele wolven binnen’. Dat doet aan de uiteindelijke onderscheiding niets af.

Een ingewikkelder probleem is dat er gelovigen, of christenen, in soorten zijn. Sommigen herken je zonder moeite als christen. Maar anderen vertonen een manier van leven die niet bepaald christelijk is. Anderen kun je dat niet direct verwijten, maar lijken toch meer meelopers dan echte gelovigen. Weer anderen zeggen vol overtuiging dat ze christen zijn en hun manier van leven past daar best bij, maar op bepaalde punten van de leer maken ze een voorbehoud, of ze gaan er tegenin. Ze hebben kritiek op de leiding van de kerk, of op de kerk als geheel, en stellen zich op aangelegen punten dwars op. Het kan zo ver komen dat je je afvraagt of iemand nog wel een gelovige is, maar hij of zij blijft dat wel claimen. En omgekeerd zijn er mensen die zeggen dat ze niet geloven, maar aan wie je als christen wat hun woorden en daden betreft een voorbeeld zou kunnen nemen.

Surrogaat

Wat moet je daarmee? Je kunt natuurlijk zeggen dat je het eindoordeel aan God moet overlaten. Dat is waar, maar daar kun je het toch niet bij laten. Je leeft met die mensen samen – of ze nu lid van de kerk zijn, en meer of minder trouw kerkganger, of niet – en je ontkomt er niet aan om je houding tegenover ze te bepalen. Je praat met ze, je wilt iets verstandigs zeggen over hoe je ze ziet, iets waar ze wat aan hebben. Je praat over ze.

 In de leer heeft dit geleid tot het onderscheiden van verschillende typen geloof. Naast het zaligmakend geloof is er dan bijvoorbeeld het tijdgeloof: iemand ziet er een tijd lang uit als gelovige, maar later valt die van het geloof af. Dan is er het verstandelijk geloof: je erkent wel dat wat de kerk gelooft waar is, maar je hebt het je niet innerlijk eigen gemaakt. De gelijkenis van de zaaier biedt hier hulpdiensten.

Wel beschouwd is dit een waarschuwende benadering: pas op, er zijn veel vormen van surrogaatgeloof, zorg dat je het echte hebt! Het is een theologische benadering; die van leiders in de kerk.

Onbehoorlijk

De tegengestelde benadering maakt in de praktijk meer opgang. Dan mag er van alles ontbreken. Goed, die-of-die zien we dan wel zelden of nooit in de kerk, maar daarom kan het nog wel een echte gelovige zijn. In de praktijk merk je niet veel van een christelijke levensstijl, maar ja, we zijn allemaal zondaars, wie zonder zonde is werpe de eerste steen. Je kunt iemand tenslotte niet in het hart kijken. En hij kan zich op z’n sterfbed nog wel bekeerd hebben. Je mag een mens niet veroordelen. En de verdachte zelf kan zich uiten in de trant van: Waag het niet mijn geloof in twijfel te trekken, of er op af te dingen! Op begrafenissen preken dominees, nu geen waarschuwers maar troosters, mensen ‘de hemel in’.

Momenteel in Nederland mag iedereen, met wat voor religieuze opvatting ook, en hoe vaag en vluchtig z’n religieuze gevoelens ook zijn, aanspraak maken op de titel gelovige. Het is onbehoorlijk om het iemand te ontzeggen. Mensen mogen zichzelf wel atheïst noemen. En sociologen hanteren de categorie ‘geen godsdienst’. Maar je kunt niet van ongelovigen spreken.

Misverstand

De gewoonte om alle mensen in te delen in gelovigen en ongelovigen wordt gevoed door een misverstane leer over de uitverkiezing, waarbij die te ver wordt doorgetrokken. Alle mensen zijn of uitverkoren, en dan worden ze zalig, of verworpen, en dan gaan ze naar de hel. De fout die hier gemaakt wordt is dat men er van uit gaat dat dat besluit van God al z’n uitwerking heeft in de praktijk. In werkelijkheid zijn er nog heel wat uitverkorenen die nu nog niet gelovig zijn.

De blikrichting van de Bijbel is anders. Die leert ons niet te focussen op mensen, of ze al of niet gelovig zijn, en zo ja, in welke mate. Als je maar geloof hebt als een mosterdzaadje…!

Niemand wordt gered door z’n gelovigheid, z’n gelovige zijn. De catechismus is duidelijk: ‘Niet, dat ik vanwege de waardigheid van m’n geloof God aangenaam ben’. En de geloofsbelijdenis: ‘Het is het instrument, waarmee wij Christus, onze gerechtigheid, omhelzen’.

Vertellen

De Bijbel leert ons te kijken met de ogen van het geloof, naar Degene op wie ons geloof zich richt: de Heer. Over Hem hoeven we niet te speculeren. Over Hem kunnen we een heleboel met zekerheid zeggen.

En dat moet iedereen horen. Wij hebben het evangelie te vertellen. Dat kan op allerlei manieren, in allerlei toonaarden, al naar gelang van de persoon en de omstandigheden, bemoedigend, waarschuwend, onderwijzend… Hoe dan ook, van daaruit is er altijd veel te zeggen!

Hoe de mensen om ons heen daar op reageren, direct of mogelijk later, is niet onze zaak. Dat is hun eigen verantwoordelijkheid. Dat zal op zijn tijd wel blijken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *