De mens is van nature slecht – dat is een halve waarheid

De mens is van nature slecht. Dat is waar. Maar het is een halve waarheid. En dus, zoals het spreekwoord zegt, een hele leugen. Met veel bedenkelijke kanten.

Om te beginnen is het, als je niet meer zegt, een zinloze uitspraak. Wat wil je ermee bereiken, bij degenen tegen wie je het hebt? Wat voor reactie zou je van ze willen hebben? Je kunt mensen wel oproepen dat ze zichzelf moeten verbeteren, maar in de uitspraak zelf ligt opgesloten dat dat niet zal gebeuren. Eigen schuld dikke bult. In het donker zijn alle katjes grijs. Je uitspraak brengt je tot triviale gemeenplaatsen.

Wat erger is: veel christenen, en vooral ex-christenen, getuigen dat deze leer ze beschadigd heeft: ze zijn opgegroeid met gevoelens van waardeloosheid, machteloosheid en depressiviteit.

Maar is het niet een belangrijk onderdeel van de christelijke belijdenis? Een scharnier zelfs? Augustinus heeft ons deze diepe waarheid leren zien. We vinden die al in de Bijbel. Maar de oude kerk had het nog nooit zo duidelijk uitgesproken, voordat de grote kerkvader het vanuit zijn eigen levensgeschiedenis onder ogen had leren zien en aan de kerk had geleerd.

Dat zeggen er meer

Maar het is geen exclusief christelijke uitspraak. Onze cultuur geeft vaak wel aanleiding om dat te denken. De westerse mens heeft het over het algemeen nogal goed met zichzelf getroffen. Wij zijn uniek in de wereld, geboren in de klassieke Oudheid, met onze ontwikkeling, ons humanisme, onze wetenschap…! Daar tegenover klinkt de belijdenis van de menselijke slechtheid als de zweepslag van de profeet. Maar hetzelfde adagium klinkt ook als vlak realisme. Historici leven bij deze waarheid en dragen er emmers vol materiaal voor aan, zonder daarvoor christen te hoeven zijn.

De halve waarheid leidt tot typen van levenshouding die niemand serieus zal willen. In de eerste plaats wanhoop. Zekere taalvirtuozen hebben daarvoor de wat luchtiger term ‘doemdenken’ ingevoerd. Het is intussen reëel en serieus genoeg. Niemand kijkt naar mij om en zelf breng ik er ook niets van terecht. We zien overal crisis, of we zien die aankomen, maar een crisis in de menselijke natuur ontneemt ons alle hoop dat we er ooit een behoorlijk te lijf zullen gaan.

Hoogmoed en cynisme

Vervolgens kunnen mensen dan tot cynisme vervallen. Waar postmodernisme is, is cynisme in de buurt. Het is nooit wat geworden met de mensheid en het zal ook nooit wat worden. Wat heeft het dan nog voor zin om je ergens druk over te maken of je ergens voor in te zetten? Het is een goedkope levenshouding van mensen die zich kunnen veroorloven om hoofdschuddend aan de kant te blijven staan, omdat ze zelf niet existentieel bedreigd of geraakt worden.

Een derde stap op deze weg is hoogmoed, die net onder de oppervlakte kan schuilgaan. Wie zegt: alle mensen zijn slecht, suggereert dat hij zelf een uitzondering is. Hij doorziet immers de mensen, en hij ziet het spoor dat ze allemaal bijster zijn. Dit lijkt mij de grote verleiding voor historici en journalisten, voor beschouwende bloggers en voor de welbespraakte cafébezoeker die met de vuist op tafel slaat. Wij leven in een bezeten wereld. Ik en mijn medearistocraten van de geest zijn overgebleven om het u aan te zeggen. Deze pseudoprofetische stem lijkt bedrieglijk veel op die van de echte profeet. Het verschil is dat de laatste namens iemand anders spreekt; die ander is degene die recht van spreken heeft.

De andere helft

De hele waarheid, zoals Augustinus en de kerk in zijn spoor die belijdt, is: de mens is van nature verdorven; alleen God is goed, en al het goede komt van hem.

Ik laat het, wat het tweede gedeelte betreft, voor nu bij deze algemene formulering. Theologisch gezien zouden we dat moeten splitsen. De ene kant is: God geeft ons alles wat nodig is om gered te worden. Dat is wat Augustinus benadrukt. De andere kant is: God regeert deze wereld zo dat zijn koninkrijk blijft komen. Het eerste is ‘bijzondere genade’, het tweede wordt wel ‘algemene genade’ genoemd: aan mensen die niet uitverkoren zijn. Over de verbinding van deze twee hoop ik een andere keer te schrijven.

Augustinus’ betoog is een grote lofzang op Gods liefde. Wat was hij slecht, dat hij die zo lang en op allerlei manieren van zich afduwde. En wat is Gods liefde geweldig, dat die hem toch te sterk is geweest. Dat is de lofzang in die zo zorgvuldig geformuleerde en veelvuldig verguisde Dordtse Leerregels. Geen zwarte kijk op het leven. Maar een panorama van de uitbarstende lente van Gods liefde. Een hartverwarmend wederliefdeslied.

Geen Zwarte Zwadderneel

Ja, er worden in dit verhaal harde noten gekraakt over de mens. Over allemaal, inclusief de spreker zelf. Het theologisch en confessioneel betoog dingt af op optimistisch humanisme en prikt veel schone schijn door. Dat is gelovig reëel.

Maar dat betekent niet dat christenen de Nurksen zijn in de samenleving, altijd mopperend en afkrakend over menselijke verdiensten. De Zwarte Zwadderneel op het plein van de grote stad met zijn dreigende ondergangsboodschap vanwege de menselijke winderigheid. Christenen zijn geen mensen die elke lofrede op menselijke prestaties net op het moment van de climax in de rede vallen en ombuigen naar mineur.  

Augustinus riep zijn beste tijdgenoten op om over te komen van het heidense naar het christelijke kamp. Grote christelijke geesten hebben niet-christelijke vrienden gehad, en hoffelijke relaties onderhouden met uitgelezen heidenen, met wie ze diplomatiek discuteerden zonder de verschillen te verbloemen. Kortom, gelovigen en ongelovigen leefden niet maar langs elkaar heen, maar samen. Een kleine vrede, noemde Augustinus het zelf. Maar het was een gave van God. Met zo’n samenleving schiep hij ruimte voor vele mensen op weg naar zijn grote vrede, zijn koninkrijk.

 10-5-2012

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *