Gebed voor onze Koning

Psalm 20.

Liturgie/ orde van dienst onderaan.

De Here Jezus is in de wereld gekomen, als mens, als een baby’tje. En Hij zou het moeten volbrengen. Alles wat God wilde. Alleen. Wat mensen niet opbrachten. Waar wij faalden; allemaal. Hij zou ons allemaal uit het moeras moeten halen. De grote vijand verslaan. Het koninkrijk van God werkelijkheid maken.

Maar Hij wilde niet alleen zijn. Hij wilde een moeder hebben, en een vader, een aardse vader, die voor Hem zorgden, en Hem opvoedden, en Hem vertelden over God, en Hem leerden bidden. Hij wilde discipelen hebben, leerlingen, die bij Hem bleven, bij alles wat Hij door moest maken.

Zou dat wel goed komen? Met ouders die Hem vaak niet begrepen? Gewone mensen die ook fouten maakten in de opvoeding? Discipelen die wel in Hem geloofden, ook andere mensen die vaak diep onder de indruk waren en enthousiast, maar er soms ook helemaal naast zaten? En die Hem uiteindelijk niet konden volgen, laat staan helpen – ze lieten Hem allemaal in de steek…?

Misschien zult u zeggen: Ja! Het ís goed gekomen. Het is volbracht! Na deze Psalm komt Psalm 21: De koning heeft de overwinning behaald! De Here Jezus is opgestaan uit het graf; hij regeert, vanuit de hemel! Op die wijs van Psalm 21 hebben we dat prachtige gezang voor hemelvaart (De dag van onze Vorst brak aan)!

Maar wacht…! Ook daarna nog; nu… Zou het nu wel goed komen? Hebt u, in die mensen waar we het net over hadden, ook uzelf herkend?

Zou het wel lukken om al die mensen die drinken en oorlog voeren en in allerlei machten en krachten geloven, tot God te bekeren? Om afdwalende schapen weer te vinden en terecht te brengen? Om gelovigen te doen volhouden als ze in strafkampen worden afgebeuld, of hun huizen worden platgebrand en de vrouwen verkracht? Om al die mensen die over elkaar kletsen en ruzie maken tot één kerk te maken? Om mensen die zich druk maken over hun gezondheid en hun werk en de economische crisis en hun huis en hun boodschappen – om in hun hart God (Gods Geest) te laten wonen?

Het gaat niet goed…! Wat komt er terecht van het koninkrijk van God?

We lezen het evangelie en we schudden ons hoofd over de discipelen; hun onbegrip en hun kleingeloof. En over de Farizeeën, en schriftgeleerden, hun bekrompenheid en hun verzet. Maar wat doen wij zelf? Hoe leven wij met onze Heer mee, met waar hij mee bezig is?

Broeders en zusters, de Here Jezus wil ons erbij betrekken, Hij wil dat wij met Hem mee denken, en met Hem mee bidden. Waakzaam zijn in dat gebed.

Dat leert Hij ons in deze Psalm. Hij is de zoon van David. David heeft deze Psalm aan Israël geleerd. Zij moesten betrokken zijn in zijn beleid, waar Hij mee bezig was; actief betrokken in de politiek; zijn politiek. Ze moesten voor hem bidden. Nu hebben wij de grote zoon van David, en Hij trekt ons bij diezelfde les.

Onze Koning leert ons voor Hem te bidden.

  1. Om hulp in zijn nood.
  2. Om verhoring van zijn gebed.
  3. Om vervulling van zijn plan.

1.

Succes! – wensen wij elkaar toe. Het ga je goed! Veel sterkte! Gods zegen! Daar bemoedig je elkaar mee. Het klinkt opgewekt. Positief. Je zegt echt niet: Nou, ik hoop dat het je lukt, maar het ziet er somber uit; ik weet het nog zo net niet, het kon ook nog wel eens helemaal verkeerd gaan!

Dat is in deze Psalm ook zo. Veel geluk, koning, succes, voorspoed! We geloven vast dat God u zal helpen en dat het allemaal zal lukken! We zien het feest al aankomen, het feest van de overwinning! Lang leve de koning!

Zo was dat voor David. Al van jongs af aan, toen hij Goliat verslagen had. En daarna, toen hij opklom in het leger van Saul. “Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden!” De vrouwen en meisjes juichten hem toe. Het gaat nu weer de goede kant met ons op! Het zat er al in: de mensen zagen een mogelijke koning in hem.

Toch… begint de Psalm met “dagen van nood”. En verderop ook merk je: er moet strijd geleverd worden. “Anderen vertrouwen op paarden en wagens…”, op militair oorlogsmaterieel. Tanks en raketten. Dat is aan de orde als er oorlog in aantocht is.

Je kunt niet met zekerheid zeggen dat deze Psalm bedoeld was voor vlak voor een grote militaire operatie. Maar er hangt wel dreiging in de lucht.

David heeft oorlog moeten voeren. Het was zwaar werk. Hij heeft er hard aan moeten trekken. En soms sloeg de angst hem om het hart. En… kijk, broeders en zusters, dat is nou typisch David: die is daar open en eerlijk over. Hij stopt dat niet weg en houdt zich niet groot. Dat hoor je het hele Psalmboek door. Het succes stijgt hem niet naar het hoofd.

Zoals je vaak ziet bij politiek leiders. Macht corrumpeert. Ook integere mensen krijgen teveel zelfvertrouwen. En dan komen ze verder van de gewone mensen af te staan. En ze raken de gevoeligheid kwijt voor signalen van wat er mis gaat. Ze gaan ontkennen, ze stoppen dingen in de doofpot.

Dat is bij David niet zo. Die blijft midden tussen de gewone mensen staan. Hij blijft een gewone jongen, een gewone man, die het meer dan eens zwaar heeft, en die er te kwaad mee kan hebben. Hij weet zichzelf kwetsbaar. De vijand is sterk. En die heeft een heel grote mond; en die heeft invloed; wij zouden zeggen: die weet de media te bespelen. Hij heeft de wind mee. En dan kan David zich zwak voelen. In de oorlog, en toen hij bedreigd en achtervolgd werd door koning Saul, tot het moment van Absaloms staatsgreep toe, toen hij moest vluchten (want hij wou als ’t even kon niet vechten tegen z’n zoon).

Dat komt allemaal terug in de Psalmen. David begrijpt de gewone mensen, hij staat midden tussen ze in, hij is een van hen; hij maakt liederen voor ze die ze zelf ook kunnen zingen als het ze tegenzit en ze er niet goed tegenop kunnen.

Mensen wíllen vaak ook een leider die zelfvertrouwen uitstraalt. Die in de crisis overeind blijft. Mensen willen een charismatische persoonlijkheid. Iemand die inspireert, en die ook in tijden van crisis nog bemoedigende woorden weet te spreken. Waar je je aan kunt optrekken, waar je tegen op kunt kijken.

Maar de Here Jezus is er open over geweest tegen z’n discipelen: Hij moest lijden – de nederlaag. Hij zou door de mensen verworpen worden. Ze accepteerden het niet (echt menselijk; ze konden het niet volgen) maar ze moesten het tenslotte wel onder ogen zien. Daar hing Hij. Ze hebben Hem begraven.

“Tijden van nood”! Nog steeds kijken machtige politici en knappe wetenschappers neer op Christus en zijn boodschap. Nog steeds wordt het evangelie tegengewerkt en christenen in een hoek gedrukt en vervolgd. Nog steeds worden jongeren – en ouderen – in de kerk aan het twijfelen gebracht: moet je je nou echt wel aan al die geboden van de Heer houden? Als iedereen voor zichzelf gaat, om zelf te hebben en zelf te genieten? Doe je jezelf dan niet tekort? Ze komen alleen te staan. De druk van de omgeving is sterk.

Broeders en zusters, daarin is de Here Jezus, onze koning, bij ons. Hij kent de strijd. Hij kent onze tranen en ons lijden. En zélfs als wij verdoofd zijn en het gevaar niet zien en het niet zo erg vinden, dan vindt Híj ons heel kostbaar, Hij vecht voor ons, om ons te behouden, om ons er bij te houden!

Zou dat wel goed komen? Zou het Hem lukken? “…In dagen van nood”. Broeders en zusters, zo leert de Heer ons met Hem mee kijken, en denken, en voelen. De nood is aan de man!, zelfs aan de koning!

Hij leert ons voor Hem te zingen. “Succes, koning!” Het is niet zomaar een wens; ook niet een ‘vrome wens’. “Moge God u beschermen!” Dat is, voor ons: het wonder van de Drie-eenheid; hier gaat het om die twee: Vader en Zoon. Christus is niet alleen, maar de Vader en Hij samen. Zijn strijd hier op aarde, voor zijn kerk, voert Hij samen met zijn Vader in de hemel…

…“De God van Jakob”! Van die geestelijk stuntelige man, die zo vaak te weinig rekening met zijn God hield (anders dan z’n grootvader Abraham); die helemaal alleen en arm moest wegvluchten uit het beloofde land. En toch heeft God hem geholpen, en hoe!

“…Uit zijn heiligdom”, “uit Sion”. Je weet waar je Hem vinden kunt. Hij heeft een plek op aarde, waar Hij gezegd heeft te willen wonen. Daarom zijn we hier, broeders en zusters Je kunt deze Psalm – net als andere – overal zingen. Maar je weet waar het vandaan moet komen, die hulp van God.

Bidden wij niet vaak bezorgd – zo gauw we echte nood zien; iemand van wie we houden wordt zwaar op de proef gesteld; een kind dreigt de verkeerde kant op te gaan… Je weet niet hoe het lopen zal… Maar Jezus, de Christus, onze Heer – Hij leert ons, te zingen voor de strijd van de koning: God zal helpen. Helpen in de nood. Hij die op de troon zit in de hemel, én zijn Koning die bij zijn onderdanen is, zijn leger, in de strijd, op het slagveld, met zijn hart, in hun nood – Hij is er zelf doorheen gegaan, door de diepte, Hij weet hoe ze eraan toe zijn, hun zorg is zijn zorg, hun lijden is zijn lijden, Hij kent de ‘dagen van nood’ – God op zijn troon, en de Koning van Golgota, ze zijn één! Het komt vast en zeker goed!

2.

Het tweede punt.  We leren zeggen (het begin van de Psalm: “Moge de HEER u antwoorden…” Dat wens je de koning toe. Antwoorden waarop? Op zijn gebed natuurlijk.

De koning bidt! Dat heeft hij nodig! Hij is niet zo’n krachtpatser die het allemaal zelf wel kan, zo’n knap politicus, met z’n eigen charisma. Of: omdat hij de modernste en duurste wapens heeft, de beste raketten, waar de vijand nooit tegenop kan. Nee, hij vraagt om Gods hulp! Die heeft hij nodig!

David laat dat merken. Hij gaat zijn volk (als het ware) voor in gebed. Hij gaat naar de tempel en brengt offers. Dat zie je; je gaat toch zelf ook naar de tempel? En je leeft mee – dat wil de koning graag. Je wenst hem toe (vers 4): “Moge hij al uw gaven gedenken, / uw  brandoffers welwillend aanvaarden”. Koning, we hopen, we wensen u toe, dat de HEER uw gebed verhoort!

Offeren, dat deden heidenen ook. Nu ook: er is veel religie in de wereld. Maar dat is toch anders. Daarbij staat, soms op een subtiele manier, de grote leider zelf in het middelpunt. Kijk eens wat een vrome man dat is! Wat heeft hij er veel voor over! Of: wat een indrukwekkend ritueel, wat een mooie dienst! Vandaag wordt bidden een soort mediteren. Of: een heftig gebed, en dan met zoveel mogelijk gelovigen bij elkaar, om zo veel mogelijk geestelijke kracht te mobiliseren!

Nee. De koning buigt zich voor God neer en vraagt nederig: Wilt u mij helpen? En jij – wij met elkaar – bidden mee.

In vertrouwen. Je vertrouwt erop dat de HEER de koning de overwinning geeft. Vers 7: “[De HEER] antwoordt hem uit zijn heilige hemel / met de overwinning door zijn machtige hand”.

Je ziet het al voor je – zoals de mensen tijdens de Duitse bezetting stiekem naar de radio luisterden, opgewonden: Nu zijn de Engelsen en de Amerikanen al zo ver; nu al zo ver…! In je hart ben je al blij (vers 6): “Laat ons juichen om uw overwinning, / het vaandel heffen, in de naam van onze God”.

Maar je blijft tegelijkertijd ook heel ootmoedig. Vertrouwen op God, dat maakt het gebed niet overbodig: “Ik hoef niet te bidden, hij maakt het toch wel voor elkaar”. Integendeel: als je op God vertrouwt bid je tot hem. Er is veel… je zou haast zeggen: optimisme in deze Psalm, maar het eindigt toch als een nederig smeekgebed: “HEER, schenk de koning de overwinning, / antwoord ons wanneer wij u aanroepen”.

De koning moet er doorheen: het gevaar van de strijd; de vijand zien aankomen; de spanning; misschien gewond raken; de pijn.

De jongens (en meisjes) staan klaar voor vertrek naar een oorlogsgebied, of een rampgebied. Het vliegtuig staat al te wachten. Stropen ze de mouwen op vol zelfvertrouwen: wij gaan de klus klaren? Er kunnen slachtoffers vallen!

Onze Doning, de Here Jezus, moest er doorheen. In dat park Getsemane stond Hij ervoor. Hij was bang. Doodsbang. Was dat nou onze Heer? Wat was er op dat moment nog voor groots aan Hem? Kunt u die Heer bewonderen, tegen Hem op kijken? Hij heeft geworsteld in het gebed. Hij draaide (hopelijk vindt u het niet oneerbiedig klinken) – Hij draaide in kringetjes rond. En Hij zei tegen zijn discipelen: “Ik voel me dodelijk bedroefd; blijf hier met mij waken”. “Blijf wakker en bid!” Hij wou dat ze met Hem mee baden.

Hij wist zich afhankelijk van God, zijn Vader in de hemel. Is dat niet wat wonderlijk, broeders en zusters? Onze Here Jezus, de Zoon van God – Hij was (op aarde) afhankelijk van zijn Vader. Hij bad. Om hulp. Om steun.

Nu, in de hemel, is Hij bij ons. In onze strijd. Als wij verzocht worden. Hij bid voor ons. Hij pleit voor ons. Vader, die man kan er niet tegenop, die houdt het niet lang meer vol zo! Steun hem! Vader, het gaat de verkeerde kant op met dat meisje. Hou haar vast! Vader, ziet u hoe ver het met die mensen gekomen is? Breng ze terug! Hier, mijn bloed – dat heb Ik toch voor ze gegeven!

Broeders en zusters, jongens en meisjes, bid mee! Met Hem!

Kijk, als je alleen als mens voor mensen bidt, dan blijft het vaak teveel in het menselijke vlak. Heer, help die arme mensen, wij hebben zo’n medelijden met ze! Heer, hou onze kinderen vast, want wij houden zoveel van ze! Sta je daar nou zo sterk mee? Het is begrijpelijk dat we dan soms onzeker worden in ons gebed.

Als je bidt voor de Koning, sta je sterk! Here God, breng die schapen van U terug, laat uw kerk één zijn, buig de harten van die ruziemakers weer naar elkaar toe: het gaat om de kudde van uw Zoon, waar Hij voor vecht (gevochten heeft)! Here God, geef ons het eten dat we nodig hebben, zorg voor ons lichaam, maak de zieken weer beter, want ze dienen in het leger van uw Zoon, onze Koning, en de strijd is zwaar, we hebben alle krachten nodig!

Niet iedereen bidt (zo). “Anderen vertrouwen op paarden en wagens”. Is dat de vijand, de heidense volken? Nogal logisch dat die vertrouwen op hun legers en hun wapens en hun grote leiders. Daar gaat de koning het tegen opnemen! Nee, helaas heb je dat ook in eigen kring. “Anderen” –vaag aangeduid; hun goede naam wordt nog een beetje gespaard – maar de psalmen van David zijn vol over mensen van z’n eigen volk, die heel anders in het leven staan, en waar hij het te kwaad mee heeft: de dienaren van Saul; de mensen die de kant van Absalom gekozen hebben. En later is heel Israël nog vaak die kant op gegaan: tegen de vijand een bondgenootschap sluiten met een andere goddeloze macht. Dat liep op niets uit!

Anderen vertrouwen op hun militaire superioriteit, hun raketten en bommen en hun vergeldingsacties. Anderen vertrouwen op het grote aantal stemmen dat ze winnen, en op hun gelikte mediapresentaties, en de fondsen waar ze over kunnen beschikken.

“…Wij vertrouwen op de naam van de HEER, onze God”. Ja, en dat klinkt dan ook wel uitdagend, broeders en zusters, en dat mag dan ook best. Want daar kún je op vertrouwen. “Anderen buigen en vallen ter aarde, / wij richten ons op en houden stand”. Het klinkt uitdagend, maar het is geen zélf-vertrouwen: “Wij maken het!” Het is ook geen ‘positief denken’: als je het maar hard en vaak genoeg tegen jezelf zegt, dan lukt het wel. Nee, wij leggen het, biddend, in de hand van God. En zo dienen wij in het leger van de Heer, Christus, die dat ook deed. Zou dat leger geen stand houden? Zouden we op deze manier er niet doorheen komen? Daarmee komen we bij het derde punt.

3.

“Moge hij u geven wat uw hart verlangt, / en al uw plannen doen slagen”. “Moge de HEER al uw wensen vervullen”.

De koning maakt plannen. Bidden, het in de hand van God leggen, betekent niet dat je het dan verder maar op z’n beloop moet laten. Bid en werk. Bid en maak plannen.

Dat doet onze Heer, Christus. Hij kijkt vooruit. Hij heeft een doel. Hij heeft een plan. Hij heeft ‘wensen’.

Wij hebben het vaak over ‘het plan van God’. En dat wij dat niet kennen. Maar Christus, de zoon van God, heeft (ook) een plan. En dan komt het toch dichterbij. Hij kwam op aarde. Met een doel voor ogen: zijn koninkrijk. Daar praat Hij ook met ons over: in zijn evangelie.

Hij heeft ‘wensen’. Hij houdt van ons. Hij wil ons graag bij zich hebben. Hij wil ons graag gelukkig maken. Dat leeft in zijn hart!

En Hij ziet ook de weg voor zich die Hij daarvoor moet gaan; en wil gaan. Dat heeft Hij gezien van het begin af aan. De beker die Hij zou moeten drinken. De weg door de diepte. De overgave, om zijn volk te verlossen. Hij heeft ingezien: Zo moet het, zo moet ik het doen, en niet anders! Dat heeft Hij op zich genomen. Daar is Hij aan gaan staan.

Nu is Hij, op zijn troon in de hemel, bezig met de verdere voorbereidingen. Hij is bezig de gemeente te verzamelen, de mensen die bestemd zijn om dat koninkrijk binnen te gaan. Hoe hij dat denkt te doen, staat in de Bijbel. Het boek Handelingen, en al die andere boeken.

Niet tot in alle details, inderdaad. Dat kan niet. Dat zouden wij niet aan kunnen. Een soldaat weet niet alles wat zich afspeelt in het hoofd van de opperbevelhebber, en in zijn stafkamer. Maar die soldaat kent hem wel. De chef communiceert zijn plannen en bedoelingen wel met z’n manschappen.

Het plan van Christus, de Koning! Voor ons? Ja! Maar… laten we dat niet te snel zeggen, en eenzijdig; niet het naar ons toe trekken. Hoe dan ook, het is zíjn plan!

Als David zijn volk zo leert bidden, dan gaat hij ervan uit dat zijn plannen zuiver zijn, en zijn wensen. Dat legt hij zichzelf dan ook op: zuiver plannen maken; zonder een spoor van egoïsme. De man naar Gods hart – zijn wensen zullen zijn naar Gods hart. Als David verkeerde verlangens koesterde, riep God hem streng tot de orde. In de plannen van Christus, onze koning, kunnen wij vertrouwen hebben!

Wij bidden vaak: “Laat onze plannen slagen”. Dat mag wel. Maar dan gaat het toch vaak heel anders dan wij graag gewild hadden.

Laat zíjn plan slagen, het plan van de koning! We hebben vertrouwen in Hem. We weten, ook al kunnen we het niet altijd narekenen, dat het goed is waar Hij mee bezig is. Dat dat goed is ook voor ons. En voor al die andere mensen, die wij in ons hart dragen.

Want wij kennen Hem. Hoe beter we Hem kennen, hoe meer we in de Bijbel lezen over zijn plannen, des te meer zullen we met vertrouwen dit bidden, Hem dit toewensen. Here God in de hemel, laat de Heer van Golgota overwinnen! Laat het met zijn koninkrijk goed komen!

Amen. —

Liturgie

Bij deze preek hoort een PowerPointpresentatie.
Die is bij mij op te vragen,
met de bijbehorende preek-met-doorklikcodes.
De preek is ook zonder deze presentatie te gebruiken.

Votum en groet.
Aanvangslied: Psalm 45: 1 en 2.
’s Morgens: Lezing van de wet.
Antwoordlied: GK Gezang 20.
Gebed.
Schriftlezing – tevens de tekst: Psalm 20.
Zingen: Psalm 72: 1, 3 en 9.
Preek.
Antwoordlied: Psalm 20, in beurtzang:
vs. 1 allen, 2 vrouwen, 3 allen, 4 mannen, 5 allen.
’s Middags: Geloofsbelijdenis.
Zingen: Gezang 123: 3 en 4 (berijming van de geloofsbelijdenis).
          De voorganger kan het eerste gedeelte van de geloofsbelijdenis uitspreken, de  gemeente deze twee verzen zingen en de voorganger de rest uitspreken.
Gebed.
Collecte.
Slotzang: Gezang 101: 4 en 5.
Zegen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *