Erfzonde

Inhoud
1.  Erfzonde: een moeilijk leerstuk
2.  Erfzonde in de structuren van ons bestaan
3.  Erfzonde zien samen met anderen
4.  God en onze erfzonde
Aantekeningen bij de leer van de erfzonde

1.  ERFZONDE: EEN MOEILIJK LEERSTUK

Kun je de erfzonde belijden?
Het gaat er niet om of je de leer van de erfzonde in een belijdenis kunt omschrijven, of dat je kunt verklaren dat je instemt met de leer van de erfzonde zoals die in de belijdenis is verwoord. De vraag is: kun je tegen God zeggen: “Here, ik ben een zondig mens, ik ben in zonde ontvangen en geboren, ik heb de zonde van Adam, van m’n voorouders, in me, het is mijn fout, vergeef me!”?

Dat is moeilijker dan je zonden belijden. Het gaat dieper. Je weet dat je fouten hebt gemaakt, zelf. Je weet ook dat je verkeerde dingen doet die telkens weer terugkomen. In ieder geval in je gedachten. En daar vraag je vergeving voor; dat wil je graag. Maar dat je een zondige aard hebt, die je geërfd hebt van je voorouders, te beginnen bij Adam en Eva – erken je dat als jouw zonde, jouw schuld? Vraag jij daar vergeving voor? Moet dat? Kun je daar eigenlijk wel wat aan doen?

Vragen

In de kritiek op de christelijke leer heeft de leer van de erfzonde altijd weer centraal gestaan. Samen met de leer van de uitverkiezing. Beide hangen met elkaar samen. Hoe meer we belijden hoe radicaal we bedorven zijn, des te meer zullen we erkennen dat we enkel en alleen door God verlost kunnen worden, zonder dat er iets van ons bij is, alleen dank zij zijn genadige keus voor ons.
De kritiek zegt: de leer van de erfzonde houdt in dat wij zondig zijn terwijl we er niets aan kunnen doen. We krijgen bij onze geboorte een last mee waar we niet voor gekozen hebben. En die zeulen we ons leven lang met ons mee. Dat is niet rechtvaardig!
Waarom? Waarom laat God dat toe? Waarom heeft hij toegelaten dat Adam en Eva zondigden, zo erg dat de hele mensheid daardoor bedorven is? Waarom heeft hij aan die ene zonde zulke verschrikkelijke consequenties verbonden?
En bovendien, (zo vervolgt de kritiek), die erfzonde wordt ons kwalijk genomen, er wordt ons gezegd dat we anders moeten worden, maar tegelijk wordt ons gezegd dat we onszelf niet kunnen veranderen. We zijn zondige mensen en dat zullen we, tenminste in dit leven, altijd blijven. Dat is een paradoxale boodschap. ‘Hulpeloos maar schuldig’, was de titel van een boek hierover dat een tijd geleden erg de aandacht trok. Daar word je moedeloos van. Daar word je depressief van. De gereformeerde levensovertuiging ademt een sombere sfeer. Dat er in – behoudende – gereformeerde kring zo veel mensen depressief worden, dat komt door de leer van de erfzonde.
De kritiek komt niet alleen van buitenaf. Er zijn ook vragen van binnenuit. De vragen rond de leer van de erfzonde komen telkens weer op bij meelevende en nadenkende catechisanten – en trouwens al bij kinderen, voor de catechisatieleeftijd. En theologen, die de leer wel belijden, erkennen dat het een moeilijk onderwerp is.

Corruptie

Maar er is niet alleen kritiek, er is ook instemming. Er zijn velen die de christelijke leer als geheel niet onderschrijven, die niet in Christus geloven, maar toch erkennen dat de mens van aard bedorven is. Vooral in de twintigste eeuw heeft die visie sterk opgang gemaakt. Vanuit de Verlichting heerste er in het Westen een tijdlang een optimistische mensvisie, maar twee  wereldoorlogen hebben op een verschrikkelijke manier duidelijk gemaakt dat het er met de mens moreel veel slechter voorstaat. En het gaat maar door: openlijk in dictaturen, corrupte regimes en terroristische bewegingen; maar ook in democratieën, gebaseerd op edele principes en keurige regels, gaat er achter de façade heel wat minder fraais schuil: geldingsdrang, graaicultuur, machtspolitiek. Er zijn lijken in de kast en beerputten die wachten om opengetrokken te worden. Geschiedenis lijkt een grote les te zijn in de onverbeterlijkheid van de mens (al wordt die les niet altijd getrokken en vaak weer snel vergeten).
Vaak schuilt er in zulke analyses en reportages een suggestie van voornaamheid: de onderzoeker en schrijver zelf staat er boven, die heeft het allemaal door, die is zelf een beter mens. Niet altijd is dat het geval. Romans kunnen zwartgallig zijn: niemand komt boven deze innerlijke ellende uit. Vervolgens kan literatuur dan ook cynisch worden, of onverschillig: zo is iedereen, nou en?
Populaire wetenschap begunstigt dit denken. Het evolutionistisch mensbeeld zegt: de mens is afkomstig uit het dierenrijk. Vanuit deze lage afkomst is hij omhooggeklommen. Van huis uit, van nature, is hij helemaal geen hoogstaand ethisch wezen. Hij wordt beheerst door een instinctieve drang tot zelfbehoud, behoud van de soort. Wat het christendom als ‘erfzonde’ beschouwt is natuurlijk; het hoort bij de mens.
Het psychoanalytisch mensbeeld laat de mens zien als een vat vol lagere, grotendeels onbewuste driften, waar hij mee moet leren omgaan; hij kan daar meer of minder succesvol in zijn. De ‘erfzonde’ accepteren als een lager element in jezelf is een kwestie van realisme en volwassen zelfacceptatie.

Bron

Wat wordt precies bedoeld met het woord erfzonde? Er worden vaak kritische kanttekeningen geplaatst bij het woord: het zou niet gelukkig gekozen zijn. Het begrip bevat de volgende elementen, die niet altijd helder worden onderscheiden:
–    De eerste zonde, van Adam en Eva in het paradijs.
–    De zondige aard die daar het gevolg van was. De zonde was geen incidentele daad; die leidde ertoe dat de natuur van de mens, geestelijk en ethisch, bedorven raakte.
–    Het feit dat deze bedorven aard overkomt van Adam en Eva op al hun nakomelingen, op alle mensen.
–    Het gevolg hiervan: dat alle mensen in zonde ontvangen en geboren worden; dat ze vanaf hun oorsprong een zondige natuur meebrengen.
–    Het feit dat deze zondige aard altijd weer zondige daden voortbrengt, zoals een bron water.
In de theologie wordt wel de Latijnse term ‘peccatum originale’ gebruikt: oorsprongszonde. Deze term lijkt eerder naar de eerste zonde zelf te verwijzen dan naar de gevolgen ervan. En over die consequenties gaat de leer van de erfzonde vooral.
Het is belangrijk om over de leer van de erfzonde na te denken. Als we daar geen duidelijkheid over hebben, hoe zullen we dan de kritiek beantwoorden? Hoe zullen we zelfs de vragen van onze kinderen beantwoorden, de vragen die met het opgroeien steeds kritischer gaan klinken? En hoe zullen we dan onze erfzonde belijden voor God?

Schuld en smet

In de erfzonde worden, traditioneel, twee aspecten onderscheiden: erfschuld en erfsmet. Het laatste staat meestal centraal in de aandacht. Met die smet wordt onze zondige aard bedoeld, die van ouders op kinderen wordt doorgegeven. Het woord erfschuld duidt aan: de zonde maakt ons schuldig in Gods ogen; en ook die schuld gaat over van de eerste mensen op al hun nakomelingen.
Het onderscheid tussen erfschuld en erfsmet heeft een rol gespeeld in de discussie rond de zeventiende-eeuwse Franse theoloog La Place (Placeus). Zijn leer werd door een synode veroordeeld, en ook in een Zwitsers belijdenisgeschrift. Hij verwierp de gedachte dat de schuld van ouders op kinderen wordt overgedragen; dat leek hem onrechtvaardig. Volgens hem komt alleen de zondige aard van ouders op kinderen over. Die kinderen zijn ook zondig en dáárom zijn ze schuldig. Placeus betoogt dat hij daarmee toch wel trouw is aan de leer van de erfzonde. De geldende leer zegt dat God de schuld van de eerste zonde, van Adam, aan ons toerekent. Placeus legt dat dan zo uit: die toerekening vindt plaats via het in zonde ontvangen en geboren worden; en niet rechtstreeks. In theologisch jargon: hij verwierp de ‘onmiddellijke toerekening’ en leerde de ‘middellijke toerekening’: de erfschuld wordt toegerekend alleen door middel van de erfsmet.

Twee theorieën

Over de manier waarop de zonde overgaat van Adam op zijn nakomelingen, zijn twee theorieën gangbaar. De eerste neemt z’n uitgangspunt in de gangbare uitdrukking uit de erfzondeleer: wij zondigden in Adam. Deze omschrijving is ontleend aan een bepaalde vertaling van Romeinen 5: 12. Volgens deze opvatting moeten we dat zo letterlijk en concreet mogelijk opvatten. Wij waren in Adams zonde betrokken. Wij waren ‘in zijn lendenen’. Die uitdrukking is ontleend aan Hebreeën 7: 10. Daar staat dat, toen Abraham de tienden gaf aan Melchizedek, Levi om zo te zeggen in zijn lendenen was; dus het levitische priesterschap heeft, in Abraham, Melchizedek als zijn meerdere moeten erkennen. Zo waren, volgens deze theorie, wij ook in de lendenen van Adam toen hij zondigde. Wij hebben mee gezondigd en zijn dus mee schuldig.
Deze theorie wordt ‘realisme’ genoemd. Om dat woord te begrijpen kunnen we de gangbare betekenis ervan beter even vergeten. In dit verband betekent het: wij hebben reëel aan de oerzonde deelgenomen.
De voorstanders van deze theorie beseffen wel het probleem ervan, dat ze ook telkens is voorgehouden. Het lijkt te impliceren dat wij er in het paradijs al bij waren: een soort pre-existentie. De uitdrukking ‘in zekere zin’ kunnen ze dan ook niet helemaal vermijden. Toch blijven ze erbij dat het concreet moet worden opgevat. Dat is huns inziens nodig om te handhaven dat wij echt mee schuldig zijn aan de zonde van Adam. Ze zeggen wel dat dit verband voor ons moeilijk te begrijpen is; maar we moeten het toch aanvaarden.
Een ander bezwaar dat tegen het realisme wordt ingebracht is: het zou betekenen dat wij niet alleen schuldig zijn aan de zonde van Adam, maar ook aan die van zijn nakomelingen, aan alle zonden van ons voorgeslacht.
De andere theorie neemt z’n uitgangspunt in het gegeven dat Adam ons hoofd was in het verbond dat God met mensen sloot. Hij droeg de verantwoordelijkheid voor ons allemaal, de hele mensheid. Dus toen hij zondigde, was de hele mensheid daarin betrokken. Wij delen in Adams verantwoordelijkheid die hij had in het verbond met God. Ook deze zienswijze baseert zich op Romeinen 5. De naam ervoor is ‘foederalisme’ – een vorm van hetzelfde woord als het bekendere  ‘federalisme’: verbondsvisie, zij het weer met een heel andere betekenis.

Natuur en recht

Het is tegenwoordig gebruikelijk om niet meer uitgesproken een van beide theorieën te verdedigen. Erkend wordt dat elk van beide iets onbevredigends heeft. Bepaalde zwakheden en eenzijdigheden van de een moeten worden gecorrigeerd door de ander, die de zaak vanuit een ander gezichtspunt benadert, zonder dat er één helder en volledig beeld ontstaat. Erkend wordt ook dat voor geen van beide duidelijk, ‘hard’ Schriftbewijs is aan te voeren.
De leer van de erfzonde staat in de gereformeerde belijdenis en theologie wel vast. Elke vorm van Pelagianisme – de leer dat de mens als een onbeschreven blad ter wereld komt en alleen onder invloed van het voorbeeld van anderen gaat zondigen – wordt verworpen. Maar de manier waarop de zonde overkomt van de oudere generatie op de volgende blijft voor theologen een zaak van verlegenheid. Hoe is dat verband tussen onze eerste voorouders en wij? Wij waren er toch nog niet toen Adam en Eva van de verboden vrucht aten? Hoe kan God die zonde dan ons toerekenen? Is het wel rechtvaardig dat God ons in zonde ontvangen en geboren laat worden? De Dordtse Leerregels zeggen dat “naar Gods rechtvaardig oordeel de verdorvenheid van Adam gekomen [is] over al zijn nakomelingen”; in het genoemde Zwitserse belijdenisgeschrift is dat geworden: een verborgen en rechtvaardig oordeel van God.
Op het eerste gezicht lopen beide hier besproken onderscheidingen parallel: het realisme legt de nadruk op de erfsmet, het foederalisme op de erfschuld. De beide onderscheidingen vallen niet samen: erfschuld en erfsmet zijn twee aspecten van de erfzonde; realisme en foederalisme gaan over de manier waarop de erfzonde wordt overgedragen en doorwerkt in de geslachten. Maar we kunnen dat laten rusten. In beide onderscheidingen herkennen we twee manieren van denken: voor de ene ligt het zwaartepunt in de zondige natuur van de mens, voor de andere in de verhouding waarin de mens staat tot God, met name de rechtsverhouding. Wat dat laatste betreft: om het woord ‘juridisch’ te vermijden wordt wel de voorkeur gegeven aan het woord ‘forensisch’. De mens staat voor de troon van God, de rechterstoel van de hemelse rechter en deze verklaart hem schuldig.

Baby

In de leer van de erfzonde wordt onderscheid gemaakt tussen de erfzonde als de zondige aard van de mens, waarin we allemaal delen, en de zondige daden die we doen (zie bijvoorbeeld HC Zondag 3). De zondige aard hebben we allemaal gemeenschappelijk; in het doen van zonde is veel verschil tussen mensen. We zijn allemaal schuldig aan onze zondige natuur, maar de kinderen boeten niet voor de zonden van de ouders, zoals Ezechiël 18 duidelijk leert; dan gaat het over de zonden die we doen.
Het is moeilijk voorstelbaar dat een pasgeboren baby al zondig is; het lijkt onbillijk en gevoelloos om het kind daarvan te betichten. De blije en trotse ouders zijn gevoelsmatig geneigd ertegen in het geweer te komen. Veelal wordt het zo uitgelegd: het kind is al wel zondig, maar het doet nog geen zonde. Het eerste wordt geaccepteerd, ook al kan men zich er moeilijk wat bij voorstellen. De laatste toevoeging werkt verzachtend.

Genetisch

Is het woord erfzonde eigenlijk wel zo ongelukkig gekozen? Het richt onze aandacht – niet zozeer op erfrecht, datgene wat een rol speelt als iemand overlijdt (hoewel we daar zijdelings ook een opmerking over zullen maken) maar op erfelijkheid, datgene wat een rol speelt als mensen een kind verwekken. Is de erfzonde daarmee vergelijkbaar?
Erfelijk zijn huidskleur en de kleur van de ogen. Erfelijk zijn ook bepaalde ziekten. Verder kan iemand in z’n voorkomen, z’n karakter en gedrag, sprekend de trekken van z’n ouders vertonen, al van jongs af aan. Vaak zijn we geneigd ook dan aan erfelijkheid te denken, al kunnen we het niet hard maken –  het kan ook een kwestie van beïnvloeding en imitatie zijn.
Soms weten we dat ziekten erfelijk bepaald zijn. De kennis daarover neemt voortdurend toe. Die kennis kan teleurstellend zijn: er is niets aan te doen; hoogstens kunnen de gevolgen wat verzacht worden. In ieder geval kan er praktisch niets gedaan worden om het te voorkomen.
Maar het vinden van een genetische afwijking kan ook als positief ervaren worden. De afwijking is dan gelegitimeerd. De lijder kan er niets aan doen. Het is niet haar schuld, niet de schuld van haar manier van leven. Het is ook niet de schuld van de ouders, van hun opvoeding. Erfelijkheid staat hier tegenover milieu; ook tegenover persoonlijke verantwoordelijkheid.
Is dat misschien een parallel met het ‘erf-’ in erfzonde? Niet, pelagiaans, gevolg van het milieu; maar dan ook niet de verantwoordelijkheid van de voorouders of de persoon zelf?

Dubbeltje en kwartje

Aan de andere kant kan erfelijkheid ook parallel staan aan milieu. Erfelijkheid en milieu samen vormen de bagage die iemand van huis uit meekrijgt en waarmee hij het leven in gaat. Of hij van hoge of lage afkomst is, van rijke of arme ouders, uit een bevoorrecht of kansarm milieu. Het komt er dan op aan wat zoiemand ermee doet. Weet hij die optimaal te gebruiken? Weet hij zich aan de beperkingen ervan te ontworstelen en als het ware boven zichzelf uit te stijgen? Als een held? Of wordt iemand die voor een dubbeltje geboren wordt, nooit een kwartje? De literatuur belicht beide.
Is erfzonde misschien zoiets een optelsom van erfelijkheid en milieu samen, de kwalijke neigingen die erin meekomen? Datgene wat een mens in z’n leven met zich mee sleept en waar hij niet persoonlijk verantwoordelijk voor is?
Of is erfzonde iets totaal anders, iets wat niet met deze aspecten van het leven te vergelijken is, iets wat alleen uit de Bijbel gekend kan worden en in de christelijke leer geleerd wordt? Iets geheimzinnigs, waar geen wetenschappelijk onderzoek of literaire verbeelding toegang toe heeft?

2.  ERFZONDE IN DE STRUCTUREN VAN ONS BESTAAN

De leer van de erfzonde brengt vragen met zich mee – zagen we vorige keer – waarover veel verlegenheid bestaat.
Nu ik wat eigen overwegingen over deze leer ga geven, wil ik met de deur in huis vallen met de conclusie. Dit ter wille van de duidelijkheid en overzichtelijkheid.

Wat is erfzonde? Als we van erfzonde spreken, dan belijden we daarmee onze zondige aard. We belijden die als zonde: ik ben een zondig mens! Dat zit er bij mij heel diep in; het is de belijdenis van Romeinen 7 – “Ik ellendig mens!” Het zit erin van het eerste begin van mijn bestaan af aan: “Ik was al schuldig toen ik werd geboren, / al zondig toen mijn moeder mij ontving” (Psalm 51).
Dat is het specifieke aan dit stuk van de christelijke belijdenis: dat wij deze zondige aard erkennen, schuldbewust, als zonde voor God.
Onze, erfelijke, zondige natuur is iets anders dan de erfelijkheid van lichamelijke eigenschappen. Huidskleur en de kleur van je ogen is erfelijk; maar dat is geen zonde. Een verslaving aan alcohol kan door ouders op kinderen worden overgedragen. Zo ook aidsbesmetting. Evenals de aanleg voor bepaalde spierziekten. En misschien het je erotisch aangetrokken voelen tot mensen van hetzelfde geslacht. Maar genetische kenmerken, afwijkingen of beschadigingen zijn geen zonde. Ziekte, ook erfelijke ziekte, is geen zonde. Fysieke factoren waar je niet verantwoordelijk voor bent, zijn geen zonde.
Het is ook iets anders dan het ontvangen van een erfenis. Je kunt van je ouders erven zonder dat je er iets aan kunt doen. Dat gaat buiten je wil om. Zo’n erfenis kun je zelfs – althans in ons erfrecht – aanvaarden of weigeren. Je kunt die aanvaarden onder het voorrecht van boedelbeschrijving: als blijkt dat het totaal meer schulden dan positieve bestanddelen bevat, kun je er alsnog van afzien. Als we de erfzonde belijden, dan erkennen we daarmee dat we dat niet doen; dat we dat niet opbrengen. Dat zit er bij ons niet in.

Voorgeslacht

Het woord erfzonde hoeven we niet te vermijden, als we het tweede deel net zo zwaar laten weten als het eerste. Het is erfzónde. Als we dat belijden, dan nemen we er de verantwoordelijkheid voor op ons. Inderdaad, die zondige mens, dat ben ik!
Ik ben in mijn zonde verbonden aan mijn voorgeslacht. Wij, met elkaar, zijn dat. Die belijdenis vinden we in Psalm 79: 8: “Reken ons de zonden van vroeger niet aan” (vertaling 1951: “Reken ons de ongerechtigheid der voorvaderen niet toe”; minder letterlijk, maar dat is wel geïmpliceerd). God doet ons geen onrecht als hij ons die zonde toerekent; maar we vragen of hij dat niet wil doen.
Iets soortgelijks horen we in Psalm 106. Vers 6 zegt: “Wij hebben gezondigd zoals onze voorouders, / wij hebben gefaald en kwaad bedreven”. In het vervolg van de psalm wordt wel de geschiedenis beschreven van die zonden van die voorouders: ‘zij’, ‘hen’; ‘onze’ zonden komen niet meer ter sprake; maar het geschiedenisverhaal loopt wel uit op ‘ons’, die nu redding nodig hebben en daarom smeken. Wij hebben gezondigd; de zonde van de voorouders, in de loop van de geschiedenis, waar ook wij deel aan hebben, heeft uiteindelijk geleid tot de ellende waar wij nu in verkeren. Het is vreemd, of in elk geval jammer, dat deze teksten bij de leer van de erfzonde zelden of nooit ter sprake worden gebracht.

Niet terug

Het algemene verzet tegen de leer van de erfzonde lijkt op de klacht van de kinderen van mensen die geëmigreerd zijn van een paradijs naar een woestijn. De eerste voorouders zijn geëmigreerd. – Ik vergelijk niet de gevolgen van de zonde met de emigratie, maar de zonde zelf. – Als resultaat daarvan wonen de kinderen, klein- en achterkleinkinderen in de woestijn (dat eerste ouderpaar is al lang overleden). Na zoveel generaties wonen ze er nog steeds. Ze klagen over die stap van hun voorouders: hoe die nou zo dwaas hebben kunnen zijn om deze woonomgeving te verkiezen boven de oorspronkelijke. Ze roepen: Als ik ze was zou ik het nooit gedaan hebben! Ze klagen over de ellendige situatie waar ze nu in leven. Die klachten zijn op zich terecht. Maar ze gaan niet terug. Ze hebben het er misschien wel eens over: We zouden liever terug willen. We zijn eigenlijk dwaas dat we niet teruggaan. Zullen we? Ze maken plannen. Maar die blijven halfslachtig. Ze blijven waar ze zijn. Van ouders op kinderen. Met elkaar, als een grote familie, clan, stam, volk… mensheid. Een grote gemeenschap. Niemand stapt eruit. Dat heeft niemand in zich. Het zit er gewoon niet in. De wil, de zuivere, consequente wil, die zich doorzet tot in de daad, die ontbreekt ten enenmale. Ze gaan niet terug naar het heilige leven, zuiver toegewijd aan God.
Als je van erf-zónde spreekt, erken je dat. Erken je dat daar de knoop zit. Neem je daar de verantwoordelijkheid voor op je.
Dat kun je alleen maar doen als je als mens, voor het aangezicht van God, jezelf hebt leren kennen. Je belijdt je zonde tegenover hem. Ellendekennis, ook kennis van de erfzonde, is een stuk bekering. Er is een nieuw ik ontstaan, het werk van de Geest van God, dat afstand neemt van die bedorven mens. Niet afstand van de verantwoordelijkheid, maar afstand van de wil, de houding. Ik ben wel zo, dat merk ik telkens weer, maar ik wil het niet. Dat is Romeinen 7. De nieuwe mens neemt de oude mens waar. Het zijn twee echte mensen, twee echte ikken, en ik ben het allebei zelf.
Hier ligt het eigenlijke probleem van de leer van de erfzonde. Je kunt die niet objectief-wetenschappelijk vaststellen. De theoloog kan zich niet losmaken uit de positie die hij inneemt tegenover God. Zeg ik ja tegen God, zijn God-zijn, zijn schepping, zijn claim op mijn leven, zijn claim op mijn gehoorzaamheid, of nee?
Hierin ligt het unieke van de christelijke belijdenis van de erfzonde.

Vehikel

Het unieke van de christelijke belijdenis van de erfzonde ligt niet in de manier waarop we de relatie tussen ouders en kinderen, voorouders en nageslacht, en de verwantschap tussen mensen zien. Wij zijn zondig evenals onze voorouders, “omdat God ons mensen zo in onderlinge samenhang heeft gestructureerd.” We kunnen ook zeggen: geschapen.
Dit citaat uit onze eigen tijd is geen nieuw inzicht. Het is een gebruikelijke benadering in de gereformeerde theologie. Wij waren er nog niet bij toen Adam zondigde. Maar wij zijn wel, via onze voorouders, uit hem voortgekomen. Langs die weg is de zonde, het zondig-zijn, doorgegaan. Zonde was bederf. “Zoals de mens was na de val, zo werden ook zijn kinderen: de verdorven mens bracht verdorven kinderen voort.”
In de samenhang van de geslachten komt ook de bedorvenheid mee. De geschapen structuur werd nu het vehikel van de zonde. Het bederf van het beste werd het slechtste. Het beste was: de mens die zichzelf zou vermenigvuldigen tot mensheid. Het werd tot het slechtste: de gemeenschappelijkheid in de zonde, de massale revolutie tegen God.

Verantwoordelijkheid accepteren

Daarom is opstandigheid tegen de realiteit van de erfzonde ongerijmd. Niemand kan er steekhoudend bezwaar tegen hebben kind van zijn ouders te zijn. Hier is het woord van toepassing: Wee degene die tegen zijn vader zegt: ‘Wat heb je verwekt?’ (Jesaja 45: 10). Het is absurd om je ouders er een verwijt van te maken dat ze je op de wereld gezet hebben. Het bezwaar-maken zelf vooronderstelt al het kind-van-je-ouders zijn: als je ouders je niet verwekt hadden, was je er niet geweest, dan had je helemaal niets gekund, zelfs geen bezwaar maken. Je kunt niet het leven en al je andere mogelijkheden wel als erfenis van je ouders accepteren maar je zondige aard niet.
Wat is beter: er zijn, als zondig mens, of er helemaal niet zijn? We begrijpen wel dat mensen in de bitterste ellende wel eens uitschreeuwen dat ze liever helemaal niet geboren hadden willen zijn. Ten diepste kan ook deze vraag alleen maar beantwoord worden voor het aangezicht van God, die tegelijk Schepper en Verlosser is.
Ik ben ontvangen en geboren. Ik leef. Maar wel als bedorven mens. Net als mijn vader en moeder. In de loop van mijn leven, mijn ontwikkeling naar de volwassenheid, moet ik leren om de verantwoordelijkheid voor mijn eigen leven niet op mijn ouders af te schuiven, in verwijten die in mij blijven doorzeuren, maar die zelf op me te nemen. Dat is een inzicht dat ook in de psychologie vandaag prominent naar voren komt. Zij waren bedorven – ik ook!

Erf-afdwaling

Het is dan ook niet nodig om een aparte verklaring, een apart mechanisme te proberen te onderscheiden en te beschrijven waardoor de bedorvenheid van ouders op kinderen overkomt. Het gaat via de structuren en verbanden die God heeft gelegd – al die structuren.
Er wordt gesproken van erfsmet; dat gaat over de zondige aard die in ons zit. En van erfschuld: van ouders op kinderen staan wij schuldig tegenover God. We zouden nog meer structuren kunnen noemen. Het helpt om te denken aan de structuren die worden onderscheiden in de calvinistische wijsbegeerte, de ‘wetskringen’ zoals ze oorspronkelijk werden genoemd.
Als mensheid met elkaar zijn we afgedwaald van God. We hebben het verbond verbroken. (Dit is een notie waar de gereformeerde theologie vertrouwd mee is.) Denk nog even terug aan het beeld van de emigratie. De relatie met God is verstoord, er is verwijdering gekomen. De sfeer is bedorven, de communicatie is verstoord, de omgang is gestremd. Dat gaat over van ouders op kinderen. De afstand blijft. De verwijdering gaat maar door – voorzover het aan ons ligt. We zouden dat de erf-verwijdering of de erf-afdwaling kunnen noemen.

Wereldbeeld

Nog een voorbeeld. Onze levensbeschouwing en ons wereldbeeld, de manier waarop wij de werkelijkheid waarnemen (‘percipiëren’) delen we als mensen met elkaar. Het is een stuk van onze culturele bagage. We nemen het over zonder erbij na te denken, veelal zonder ons ervan bewust te zijn. Bijvoorbeeld het individualisme. Of dat we met het milieu kunnen doen wat we willen. Of een zwartgallige levensvisie die geen oog heeft voor de zonnige kanten van het bestaan en Gods ‘algemene genade’ daarin. Er zijn verschillende levensvisies. De Chinese verschilt van de onze. Wij vinden de vraag naar het waarom van het lijden vanzelfsprekend, voor de Indiër ligt dat anders. En die visies verschuiven door de tijd. Maar we delen zo’n visie.
Schijnbaar nemen we die als vanzelfsprekend over. We ervaren die als objectief gegeven: het is toch zo?! In werkelijkheid zijn mensen actief betrokken in de totstandkoming ervan. Er is iets subjectiefs in. Het is een interpretatie van de werkelijkheid. Dit is wel genoemd de ‘sociale constructie van de werkelijkheid’. In zo’n ‘construct’, in elk ervan, zijn, voorzichtig gezegd, dingen die niet stroken met Gods waarheid. We zouden dit de ‘erf-dwaling’ of de ‘erf-vertekening’ kunnen noemen.
De twee hier besproken elementen zijn bij uitstek sociaal; ze doen zich voor in ons samen-leven – de eerste in ons leven met God, de tweede in ons samenleven als mensen. Voor sociale aspecten heeft onze tijd bij uitstek oog, anders dan onze theologische traditie. Misschien zouden we die nu meer moeten benadrukken.
Navolging is ook een aspect van het overkomen van de zonde van ouders op kinderen, van ouderen op jongeren. Jongeren identificeren zich met ouderen, zowel ten goede als ten kwade; ze experimenteren met imitatie van ouderen – ook van leeftijdgenoten – die belangrijk voor ze zijn. Dat is onvermijdelijk in het proces van opvoeding en ontwikkeling, van socialisatie. Het is het element dat Pelagius benadrukte – al had hij niet voldoende oog voor de onvermijdelijkheid ervan. De kerk heeft het proces van de navolging verworpen als de totale verklaring van het overkomen van de neiging tot zondigen, inclusief de hele mensvisie erachter. Ze heeft daarmee niet ontkend dat het een rol speelt.

Familiegelijkenis

In de theologie wordt stelselmatig gesproken over onze samenhang met Adam waar het de zonde betreft. Ik heb hier steeds gesproken over ouders en kinderen, voorouders en nageslacht. Ligt hier een verschil? Als de erfzonde inderdaad getraceerd moet worden via de verbanden waarin God ons bestaan heeft gestructureerd, dan moeten we niet alleen aan Adam denken. Wij zijn aan hem verbonden via alle tussenliggende generaties. Aan de andere kant is meermalen nadrukkelijk gesteld dat wij wel schuldig zijn aan de zonde van Adam, maar dat de indruk vermeden moet worden dat wij schuldig zouden zijn aan de zonden van alle volgende generaties.
Maar als dat niet het geval zou zijn, dan wordt de erfzonde erg abstract. En ook niet diep genoeg gepeild. Ja, wij zijn schuldig aan de zonden van de vaderen. Dat hoorden we in de aangehaalde psalmen. Niet aan al hun individuele verkeerde daden. Maar wij herkennen bij onszelf wel dezelfde grondtrekken. Zoals het met andere erfelijke eigenschappen is, zo is het ook met de zonde. Wij zijn andere mensen, andere individuen, toch vertonen wij het beeld van onze ouders, we lijken op ze.
Ook al verdrinken wij onze problemen niet, we zijn er langs andere wegen wel op uit om ze uit de weg te gaan en het onszelf comfortabel te maken. Ook al trekken wij als we ruzie hebben geen messen, wij hebben andere manieren, subtieler misschien, psychisch misschien, om het een ander betaald te zetten door hem pijn te doen. Ook al denken wij meer egalitair en kijken we niet zo op mensen van andere sociale klassen neer, we kunnen net zo goed onverschillig en zelfzuchtig wegkijken van het lijden van de gedepriveerden in deze wereld.
Wij zijn niet schuldig aan de daden van Hitler, Dutroux en Bin Laden. Maar de leer van de erfzonde oefent ons er wel in om onszelf te herkennen als familieleden van ze.

Biologie

Wordt de zondige aard doorgegeven langs de weg van seksualiteit en voortplanting? Augustinus heeft met die vraag geworsteld. Volgens hem was er iets zondigs aan de geslachtsdaad omdat ze gepaard gaat met onbeheerste begeerten. Wij hebben geleerd om hem daarin niet te volgen.
De zondige aard wordt doorgegeven van ouders op kinderen, door de geslachten, zeiden we – dat is iets anders dan puur langs biologische weg, zoals ouderschap niet opgaat in het biologische. Dat neemt niet weg dat voortplanting wel een centrale plaats in het ouderschap inneemt. Het bederf van het beste werd het slechtste – dat is hier van toepassing. Ik geloof dat wij nog niet klaar zijn met de oudtestamentische wetten rond de (normale) seksualiteit en de geboorte; we hebben geen gevoel meer voor de betekenis ervan. Zouden die wetten niet meegewerkt hebben in Davids leerproces dat hem uiteindelijk bracht tot zijn belijdenis: “Ik was al schuldig toen ik werd geboren, / al zondig toen mijn moeder mij ontving”?

3.  ERFZONDE ZIEN SAMEN MET ANDEREN

Onze zondige aard zet zich voort in de weg van de structuren van ons bestaan zoals God ons heeft geschapen. Dat stelden we de vorige keer.
Als we zo de erfzonde traceren via de structuren waarin God ons geschapen heeft, dan smelt de geheimzinnigheid eromheen weg. We hoeven er niet meer verlegen mee te zijn en te klagen dat het zo’n moeilijk onderwerp is. We kunnen de leer concreet toepassen op de werkelijkheid waarin we leven.

Daarin staan we naast mensen om ons heen die niet in Christus geloven. We merkten de vorige keer op hoe het besef van de verbondenheid van alle mensen in de ellende, in het falen, wijd verbreid is in onze samenleving. Er is een algemene notie van de gelijkheid van alle mensen: gelijke waardigheid (dat kan haast wel als een geseculariseerde belijdenis worden beschouwd), maar ook gelijk tekort – de ‘condition humaine’.

Hoogmoed

Dat besef is overigens niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. Eigenlijk is het oer-menselijk om jezelf boven andere mensen verheven te voelen. Dat is een hardnekkige neiging die door de hele mensheidsgeschiedenis heen gaat. Stammen noemden zichzelf mensen en beschouwden andere stammen als minder dan dat. De Grieken beschouwden vreemde volken als ‘barbaren’. Blanken hebben ontkend dat negers een ziel hadden. ‘Ariërs’ werden als betere mensen beschouwd en Joden als minderwaardig. De mens is van nature tribaal.
Zelfs de Verlichting, die gelijkheid en broederschap in het vaandel schreef, is in feite vol van een dergelijk gevoel. De mensen van vroeger waren primitief, bekrompen, dompers, ouderwets, achterlijk. Wij weten beter. Zij leefden in het donker; met ons is het licht bezig door te breken. De moderne hoon tegen religie, vaak onder de trefwoorden fundamentalisme en exclusivisme, is daar een uitloper van.

Moslims

Het is moeilijk om de belijdenis van de gemeenschappelijke geneigdheid tot het kwade consequent toe te passen. Nog lang na de Duitse bezetting bleef het categoriseren in goed en fout heersen. Mensen die in de oorlog geleden hadden wilden niet weten dat in er in concentratiekampen ook gevangenen waren die hun medegevangenen onderdrukten of bestalen, of dat verzetsmensen vaak onderling ruzieden en daden van verzet meer dan eens werden ingegeven door minder nobele en zelfzuchtige motieven.
De notie van gelijkheid is ook vandaag niet onbedreigd. Als mensen bang worden, schieten ze makkelijk weer in de kramp van het wij-zij-denken. Openheid voor de islam was een tijd lang, behalve barmhartig jegens asielzoekers, ook een uiting van verlichte breeddenkendheid, in nadrukkelijke tegenstelling tot het bekrompen orthodoxe christendom; maar sinds ‘9-11’ gaat er een nieuwe golf van afweer tegen moslims door onze samenleving, niet alleen onder PVV-sympathisanten maar ook onder intellectuelen. En de kerk is daar niet immuun voor.
De christelijke belijdenis van de erfzonde biedt een stabiele basis voor een evenwichtige houding van christenen tegenover moslims. Aan de ene kant: wij zijn van nature geneigd tot afweer en haat – wij en zij. Naastenliefde is daar niet naïef blind voor. Maar aan de andere kant: voor zulke mensen is er wel de liefde van Christus: die hebben wij ontvangen.

Het menselijk tekort

Meer algemeen: onze belijdenis van de erfzonde is een solide uitgangspunt als we, in de omgang met niet-christenen, het menselijk tekort onder ogen zien. We zijn diep gezonken. Hoe is het mogelijk?! Ja, zo zijn wij. Er is maar één manier om daar bovenuit te komen. Maar die is er wel!
Samen met onze medemensen kunnen we wetenschappelijk analyseren en artistiek verbeelden hoe we als mensen in de ellende aan elkaar verbonden zijn. Die verbondenheid is er op alle niveaus, in alle structuren van ons bestaan: erfelijkheid, milieu, aansprakelijkheid… alles. Die is met de handen te tasten.
Voor alle duidelijkheid: daarmee wil ik niet zeggen dat we alles wat ons op dit gebied wordt voorgeschoteld kritiekloos kunnen aanvaarden. Het is bijvoorbeeld heel gebruikelijk om het morele menselijk tekort in verband te brengen met de lagere natuur van de mens, bijvoorbeeld met zijn afkomst uit de evolutie. Daarin gaan we niet mee. Maar: we nemen deel aan de discussie over het menselijk tekort, gebruik makend van informatie en uitdrukkingsmiddelen die voor mensen algemeen toegankelijk zijn: relaties tussen ouders en kinderen, de geschiedenis, manieren van beïnvloeding, kunst. Zoals we als christenen deelnemen aan het publieke debat.
Tegelijkertijd doen we niet mee met de sensationele stijl waarin die ellende vaak wordt uitgedrukt, of de wellustige sfeer, of de zwartgallige of cynische benadering. En we hoeven in recensies van romans en films niet te blijven staan bij: Ja, zo is het leven. Wij weten hoe het anders kan zijn: hoe het had kunnen zijn, hoe het zou kunnen zijn; wij weten ook hoe het anders kan worden, en zal worden. Waar maar een spiertje licht binnenvalt, verandert ook in de donkerste put de sfeer.

Schaamte

Ook voor onszelf, ons eigen christelijk leven, is het belangrijk om de erfzonde zo te zien. Die mag geen mysterie voor ons zijn. Niet iets in de trant van: we kunnen het niet begrijpen maar je moet het maar geloven, want het staat in de Bijbel. Dat geldt wel van de wonderen van God. De Drie-eenheid belijden we als een mysterie. De opstanding van Christus eveneens. Gods genade gaat ons verstand te boven. Met de zonde is het anders. Dat doen wij. De erfzonde is van beneden. Die is iets van ons; menselijk, al te menselijk. Die zullen we, als het goed is, herkennen. Zeker, dat zullen we alleen doen als we het onderwijs van de Bijbel aannemen, als we ons daaraan onderwerpen. Maar het moet ons dan toch in ons geweten duidelijk geworden zijn, willen we het kunnen belijden. De diepte ervan zullen we in dit leven niet helemaal peilen, net zo min als van de zonden die we doen. Ook de kennis van onze ellende blijft, net als alle ‘goede werken’, onvolmaakt. Maar we zien de afgrond wel voor ons.
De zonde is niet verklaarbaar. Als God vraagt: Adam, waar ben je? Waarom heb je dat gedaan? – dan hebben wij geen antwoord. We hebben geen excuus. Zo is het ook met de erfzonde. We zijn in deze artikelen bezig met een verklaring in de zin van: we werpen er licht op. In het licht van de Bijbel zien we hoe de verbanden liggen. Het is geen excuus. Niet iets in de zin van: Zo ben ik nu eenmaal. In die zin blijven wij er verlegen mee. Maar we beseffen wel heel duidelijk dat we zo zijn; we onderkennen de erfzonde in onszelf als een levensgrote werkelijkheid. Als een reden tot schaamte.
Zo kunnen we de erfzonde belijden, duidelijk en concreet, en God vragen om vergeving ervoor.

Scholastiek

Zou het niet het beste zijn om het begrippenpaar erfschuld en erfsmet maar te laten voor wat het is? Ze dragen niet bij aan helderheid over wat erfzonde is. Ze wekken de suggestie van twee aspecten die aan de erfzonde kunnen worden onderscheiden. Maar elk voor zich roepen ze vragen op. Erfsmet wekt de indruk aan een zondige aard waar we niets aan kunnen doen, erfschuld aan iets wat ons al wordt kwalijk genomen voordat het bij ons kan worden aangewezen.
Ook als duo roepen ze meer vragen op dan ze beantwoorden. Samen leveren ze geen volledig beeld op. Het is alsof tegen iemand die een ton gestolen heeft gezegd wordt: Er zitten twee kanten aan wat je gedaan hebt. In de eerste plaats ben je hebzuchtig geweest. In de tweede plaats moet je nu een ton terugbetalen. Dat zijn op zichzelf zinvolle constateringen. Maar ze kunnen moeilijk op een lijn naast elkaar worden gezet om samen één realiteit te verhelderen. Ze kijken scheel. Het begrip erfsmet richt onze aandacht op onze biologische structuur; erfschuld op onze positie in een juridisch of forensisch verband. Het zijn allebei abstracties uit een realiteit die meer aspecten omvat.
Als we erfzonde omschrijven zoals we gedaan hebben, hebben we het begrippenpaar niet nodig.
We vinden het niet in de belijdenis. Ook Calvijn biedt geen uitgewerkte theorie van erfschuld en erfsmet. Hij vermijdt opzettelijk in te gaan op de vraag hoe de zonde van de ouders op de kinderen overkomt: “Het is niet nodig dat wij dit labyrint binnengaan”. Er is wel gezegd dat de gereformeerde belijdenis op dit punt een manco vertoont. Maar wellicht is dat eerder een kracht. Liever dan de schijn te vermijden de erfzonde althans enigszins begrijpelijk te maken, laat de belijdenis die alleen maar in z’n volle zwaarte wegen.
Hetzelfde geldt van de begrippen realisme en foederalisme: het duo kan maar het beste terzijde gesteld worden. De redenen zijn voor een deel dezelfde. Ze lossen het probleem niet op, elk voor zich niet en samen niet. Het debat tussen beide heeft ons niet verder gebracht en er zijn geen tekenen dat het dat ooit wel zal doen. Beide benaderingen beroepen zich op Romeinen 5. Dat maakt het op z’n minst waarschijnlijk dat geen van beide door de Schrift wordt geleerd of zelfs begunstigd. Een continuering van beide begrippenparen dreigt te verzanden onder het akelige label scholastiek.

Romeinen 5

We moeten nog wel even aandacht geven aan Romeinen 5. Die passage staat centraal in het Schriftbewijs van beide benaderingen. Het realisme concentreert zich op een uitdrukking in vers 12 en neigt tot de vertaling ‘in wie’, en laat dit slaan op Adam: ‘in wie allen gezondigd hebben’. Dat ligt niet bepaald voor de hand; daarvoor staat de bijzin te ver van Adam af. Anderen vertalen ‘omdat’. Er staat echter niet ‘in’, maar ‘op’, ‘bij’, ‘met betrekking tot’. Over de manier waarop de zonde van alle mensen verbonden is met de zonde van Adam wordt hier geen uitspraak gedaan.
Het foederalisme concentreert zich op vers 19: door de overtreding van één zijn zeer velen tot zondaren ‘gesteld’. Dit staat parallel met het volgende: door één daad van gerechtigheid worden de velen tot rechtvaardigen ‘gesteld’. Men gebruikt hier het woord ‘toerekenen’: de gerechtigheid van Christus wordt ons toegerekend – de zonde van Adam wordt ons toegerekend.
Inderdaad worden Adam en Christus in dit verband vérgaand parallel gezet. De overeenkomst is dat in beide gevallen wat één persoon doet, consequenties heeft voor alle mensen, voor ‘de velen’, de mensheid. De velen zijn gezamenlijk verbonden met de ene. Daarmee is echter nog niet gezegd hoe dat verband ligt.

Zoeken naar woorden

Voor dat verband is het woord ‘solidariteit’ gebruikt. Dit woord duidt echter op een verbondenheid waar bewust voor gekozen is of die althans bewust erkend wordt. Je verklaart je solidair met iemand. En dat is juist niet de bedoeling.
Er is gesproken van corporatief denken. Paulus zou hier gedacht hebben langs de lijnen van een ‘corporate personality’, dat men in collectiviteiten elders in de wereld aantreft: de mens beleeft zich minder als los individu dan wij; het individu is een deel van de gemeenschap, en in het individu is de gemeenschap op een bepaalde manier aanwezig. Wat één doormaakt, worden in zekere zin allen geacht te hebben doorgemaakt. Ook hier wordt echter de aard van die verbondenheid niet inzichtelijk. Er is iets irrationeels in deze denkwijze, iets anti-rationeels; het verzet zich tegen nadere verklaring. Waarom horen wij bij elkaar? Wat is het dat ons aan elkaar verbindt.

Adam en Christus

Er is een groot verschil tussen de verbondenheid tussen Adam en ons en die tussen Christus en ons. Adams zonde wordt ons ‘toegerekend’ omdat het ook onze zonde is. Die staat op onze rekening, omdat die in ons zit. Christus’ gerechtigheid wordt ons toegerekend hoewel wij er niets aan toe gedaan hebben. Die wordt op onze rekening gezet van buitenaf, als een genadegeschenk. Dat behoeft geen betoog. Het moet wel bedacht worden bij dit bijbelgedeelte waar Adam en Christus parallel gezet worden. De parallellie ligt in het feit van de verbinding, niet in de aard ervan.
De consequente verwijzing naar Adam, waarmee de theologie dit bijbelgedeelte volgt, herinnert ons wel aan de structuur waarin de zonde wordt doorgegeven: het is de familieband. (Vandaar dat er ook zo veel aan gelegen is of Adam en Eva wel echt het eerste mensenpaar waren.)
Evenals de andere genoemde termen voldoet ook het woord ‘representatie’ niet helemaal. Er moet toch een zeker kader zijn waarin representatie tot stand komt en/of wordt erkend, zoals bijvoorbeeld functie of afvaardiging. Inderdaad wordt Adam in dit verband vaak genoemd met een functietitel: ‘hoofd van het verbond’. Maar het blijft dan toch iets uiterlijks voor ons besef. En het doet tekort aan de doorwerking van de zonde in de lijn van de geslachten.
Kortom, Romeinen 5 helpt ons weinig als het erom gaat te weten te komen hoe het verband ligt tussen Adams zonde en onze zondige aard. Bijbelgedeelten worden wel eens overvraagd als men er dogmatische conclusies uit wil trekken. Herhaalde, zorgvuldige exegese zal dan niet tot het begeerde resultaat leiden. In de geschiedenis heeft de verbinding tussen Bijbelteksten – vaak los van hun verband geciteerd – en dogmatische vraagstellingen vaak tot kortsluiting geleid. Ook hier moeten we daarmee rekening houden. De leer van de erfzonde rust niet op één bepaalde Bijbeltekst, evenmin als vele andere leerstukken. Eerder worden we van de erfzonde overtuigd door onszelf te confronteren met het woord van God in z’n geheel en onszelf te zien in de spiegel daarvan – onszelf in de verbanden waarin we leven.

David

Zo is het ook gegaan met de leer van de erfzonde. Het is er niet mee begonnen dat God ons beschuldigde: Jullie hebben een zondige aard! Het is er niet mee begonnen dat dat de Israëlitische kinderen op ‘catechisatie’ werd ingeprent. Nee, David was al een volwassen, rijpere man. Hij had zelf een verschrikkelijke zonde begaan, die uitgegroeid was tot een kluwen van zonden. Hij had zich een tijd lang groot gehouden. Totdat hij – op initiatief van God, door middel van zijn profeet – in de spiegel keek.
Hij zag zichzelf in de spiegel van het woord van God. Van Gods daden – de profeet hield ze hem voor, toegepast op zijn persoonlijk leven, in zijn speciale positie. Maar hij kende ook Gods daden in de geschiedenis. Hoe was hij daarmee omgegaan, hoe had hij daarop gereageerd? Hij kende Gods wet. Hij kende het lied van Mozes, dat profeteerde hoe Israël, als het ze voor de wind ging, als ze gezegend waren, zou afvallen van God. Hij zag zichzelf in de spiegel van Gods heiligheid, zoals die schitterde op elke bladzijde van zijn woord.
Toen leerde hij met schrik zichzelf kennen. Hij zag dat er meer was dan deze ene daad, deze daden in de beperkte periode van een paar maanden. Hij zag onder de daden z’n houding, z’n neiging, de zuigkracht van de zonde in hem. Toen zei hij – zonder dat God zelf hem dat had voorgezegd –: “Ik was al schuldig toen ik werd geboren, / al zondig toen mijn moeder mij ontving”.
Dat heeft een plaats gekregen in het woord van God. Wij leren nu allemaal onze erfzonde kennen aan de hand van deze tekst. Als er één kerntekst is voor de leer van de erfzonde, dan is het deze – van een (in modern jargon) ‘ervaringsdeskundige’, een koning die een vader is geworden in het volk van God.

Augustinus

Later, in de kerkgeschiedenis, is het opnieuw zo gegaan. Meer dan welk ander leerstuk ook heeft de kerk de leer van de erfzonde te danken aan één man, Augustinus. Hij leerde die niet kennen in de kerk. Vóór zijn tijd is er nauwelijks reflectie geweest over de zondige aard van de mens en hoe die de geslachten door gaat. De kerk predikte de verlossing van de zonden door Christus. Zij was wel in staat om Pelagius’ leer te veroordelen. Maar Augustinus heeft de erfzonde leren zien door zijn eigen levensgeschiedenis. Hij wist van de christelijke leer; zijn moeder was christen. Maar hij heeft lange tijd rondgedwaald, wat z’n opvattingen betreft in verschillende filosofische en religieuze leringen, en in z’n levensstijl in een praktijk die hij later als christen als zondig verwierp. Al die tijd heeft hij de zuigkracht van de zonde ervaren, ook terwijl het evangelie trok, terwijl God al met hem bezig was. Uit het woord van God leerde hij de rechtvaardiging door Christus kennen. Z’n eigen zondige aard leerde hij kennen doordat hij er zo lang over deed en er zoveel moeite mee had om het oude leven los te laten voor het christen-zijn; om Gods woord aan te nemen en er ja op te zeggen, consequent. In die weg is hij op dit punt – naast vele andere – een leraar van de kerk geworden tot vandaag toe.
In zijn autobiografie laat hij, in het milde licht van het verlost zijn, de erfzonde zien in zijn eigen leven. Hij past toe wat hij bij baby’s heeft waargenomen: als ik honger had en aan de borst wilde drinken, dan huilde ik boos en ongeduldig als ik niet onmiddellijk m’n zin kreeg. Toen al bleek mijn zondige aard, uit wat eruit voortkwam.

Profetie

Na David horen we in de profetie wel God zijn volk verwijten dat het collectief, door de geschiedenis heen, bedorven is. Zonder volledigheid te claimen kunnen we noemen Jesaja 43: 27, Ezechiël 20 en 23. Dit wordt dan erkend in schuldbelijdenis door Daniël (hfdst. 9), Ezra (hfdst. 9, met name vs. 7) en Nehemia (hfdst. 1), evenals in de eerder genoemde psalmen. Soortgelijke profetische aanklachten horen we uit de mond van de Here Jezus in Mattheüs 21: 34vv en 23: 35 en uit die van Stefanus in Handelingen 7. Ook deze bijbelgedeelten komen bij de bespreking van de leer van de erfzonde als regel niet binnen het blikveld, maar ze horen erbij.
Maakt God ons dan misschien alleen maar verwijten achteraf? Kon hij er niets aan doen dat de zonde zo voortwoekerde in de verdere geschiedenis van de mensheid? Daarover volgende keer in een laatste artikel.

4.  GOD EN ONZE ERFZONDE

Onze zonde zet zich voort in de weg van de geschapen structuren van ons bestaan. Die zijn voor ons toegankelijk. God heeft ons die zelf laten ontdekken – met de bedoeling dat we die voor hem zouden belijden. We kunnen die, samen met onze niet-gelovige medemensen, onderzoeken en artistiek verbeelden. Dat zagen we in de vorige artikelen. Maakt God ons dan misschien alleen maar verwijten achteraf? Kon hij er niets aan doen dat de zonde zo voortwoekerde in de verdere geschiedenis van de mensheid?

Het is belangrijk apart in te gaan op de plaats van God ten aanzien van de erfzonde. Het begrip erfschuld en het foederalisme vragen daar speciale aandacht voor. Vaak wordt er de nadruk op gelegd dat de ernstige doorwerking van de zonde in de vorm van een bedorven natuur, die doorgegeven wordt door de geslachten, als zodanig een straf van God op de oorspronkelijke zonde is. Is de erfzonde dan niet een autonoom proces in de mensheid? Was Adam om zo te zeggen, toen hij van de verboden vrucht at, automatisch een zondig mens geworden, en geven sindsdien ouders hun zondige natuur automatisch door aan hun kinderen?
De zonde zelf, als daad van opstand tegen God, was zo ernstig, zo wordt gezegd, dat ze op zichzelf de gevolgen van een bedorven natuur, die wordt voortgeplant, met zich meebracht. Maar heeft God dan nog wel invloed op dit gebeuren?
Uitgaande van Gods soevereiniteit, zijn regering over alles, zullen we moeten erkennen dat dit hele proces niet buiten God omgaat. God werd niet verrast door de eerste zonde. Hij moest niet machteloos toezien hoe op dat moment de menselijke natuur tot in de wortel bedorven was. Hij was niet door de loop van de gebeurtenissen genoodzaakt om de zonde over te laten aan haar interne dynamiek en zich te laten verbreiden en alle perken te buiten te laten gaan met verwoestende consequenties, tot in de tijd voor de zondvloed en de eeuw van twee wereldoorlogen toe. Hij leed daar niet alleen maar onder en had er verdriet van, totdat de tijd gekomen was om tegenmaatregelen te nemen – waarvan het nog maar de vraag zou zijn hoe effectief die zouden zijn.

De besluitende God

Aan de andere kant: toen Adam eenmaal gezondigd had, hoefde God niet een afzonderlijk besluit te nemen waarin hij de mensheid veroordeelde tot de gevolgen waar het nu over gaat. Zo’n besluit of oordeel vermeldt de Bijbel in zijn geschiedrelaas niet. God spreekt wel telkens oordelen uit waarin hij straffen over de zonde aankondigt – nadat hij daar al van tevoren voor gewaarschuwd had: Je zult sterven – maar dat is duidelijk iets anders. We hoorden al de gereformeerde belijdenis de overerving van de zonde toeschrijven aan een ‘rechtvaardig oordeel’ van God, en vervolgens aan een ‘verborgen en rechtvaardig oordeel’. Dat laatste klinkt als een verlegenheidsoplossing. Hoe kunnen wij zinvol spreken over een verborgen oordeel van God? Heeft hij ons een verborgen oordeel geopenbaard?
We zullen moeten uitgaan van de eenheid van Gods besluiten. De Schepper, die ook de Verlosser is, is ook de Rechter. Toen hij ons schiep, met alle structuren en in alle relaties waarin wij bestaan, toen stond bij hem ook al vast dat het bederf van het beste het slechtste zou zijn. Hij schiep de structuren zodanig dat de eerste zonde zou leiden tot de erfzonde. In de wereld verloopt niets ‘automatisch’. Er is causaliteit, er zijn verbanden van oorzaak en gevolg, maar dat gaat nooit buiten God, zijn besluit(en) en zijn regering om.

Speelruimte

Het dichtst bij het veronderstelde verborgen en rechtvaardig oordeel van God komt in de Bijbel nog het ‘overgeven’ aan de zonde waarvan Romeinen 1 spreekt. Het bederf is dan al aanwezig, maar God geeft mensen over aan verdergaande zonden. In de dynamiek van de zonde is zijn toorn werkzaam. Hoe vrij mensen zich ook voelen in hun zondigen, vrij van God en wetten en banden, en hoe ze er ook van kunnen genieten, daarin is de hand van God, zijn toornig handelen. Datzelfde ‘overgeven’ lezen we herhaaldelijk in Openbaring: hem werd ‘gegeven’ dit of dat te doen. Daar achter liggen profetieën als het visioen van Daniël in hoofdstuk 7. Het is er ook in de oudtestamentische profetieën over de buitenlandse wereldmachten, Assyrië en Babel, die speelruimte krijgen om hun macht te ontplooien, ook tegen Gods eigen volk. Het is er ook in Job 1 als het gaat over de satan. God geeft de boosdoeners speelruimte. Daarin is hij actief. En tegelijkertijd is die speelruimte altijd beperkt. Hoe de zonde zich ook uitbreidt in de mensheid tot in haar hoogste machtsontplooiing in de wereld, geen mens en geen duivel heeft ooit vrij spel.
Op deze manier kunnen we in ons spreken over de erfzonde zowel de interne dynamiek van de zonde als de regering en het oordeel van God recht doen.

Daders

Dit is de plaats voor de volgende en laatste vraag. Waarom heeft God dit toegelaten? De zonde toegelaten, en toegelaten dat die zich zo zou verbreiden en sterk zou maken in de wereld? Hiermee komen we bij de vraag van de mens van vandaag. Waarom heeft God Auschwitz toegelaten? Maar de vraag gaat wel dieper. Die beperkt zich niet tot de actualiteit, tot de uitbraak van kwaad die wij het vreselijkst vinden omdat die in tijd en ruimte, en in onze herdenking en beleving, het dichtst bij ons ligt.
Waarom heeft hij de Goelag archipel toegelaten, en tal van etnische zuiveringen in onze tijd, maar ook al die van de Indianen in Amerika? De Culturele Revolutie in China, en de Dertigjarige Oorlog, en (in teruggaande tijdsvolgorde) de gesels van Turken, Mongolen en Hunnen, en de wreedheden van Babyloniërs en Assyriërs? En eindeloos veel ander geweld, dat misschien in aantal minder slachtoffers eiste, ook in andere werelddelen plaatsvond, of meer in de schuilhoeken van de geschiedenis, of ook in het verborgene – de ernst van menselijk kwaad (waarbij wij vooral geneigd zijn ons te identificeren met de slachtoffers, maar het gaat nu om de daders: dat is onze familie) laat zich nu eenmaal niet goed wegen of in cijfers uitdrukken, laat staan tegen elkaar afwegen. We kunnen er bijvoorbeeld de slachtingen in abortusklinieken aan toevoegen, al is dat – buiten bepaalde kringen – not done. Waarom heeft God toegelaten dat het, door de geschiedenis heen, zover zou komen?
Het geijkte antwoord is: de zonde is wel tegen zijn wil, maar gaat niet buiten zijn wil om. Dat is een eerbiedig antwoord, dat de grenzen van ons kennen respecteert. Het blijft wel mysterieus. En we zagen dat we de erfzonde geen mysterie kunnen laten.
De grens die we bij het overwegen van deze vraag in acht moeten nemen, zou ik anders willen aangeven. Wij hebben het gedaan! “Die man ben jij!” Wij staan op de plaats van de beklaagde, de zondaar, ook de erf-zondige mens. Die verantwoordelijkheid moeten we op ons nemen. We mogen die plaats niet verlaten en met een boogje om de aanklacht heen lopen om over de schouder van God mee te kijken in zijn bestel. Geen goede theologie zonder schuldbelijdenis.

Golgota

Als we onze plaats weten en erkennen, dan kunnen we, in alle eerbied, onze God kennend, meer zeggen.
De vraag kan dan een ander karakter krijgen; die kan omgedraaid worden. We zijn geneigd te beginnen met: hoe kan God, die goed is, zoveel kwaad toelaten? Maar we komen uit bij de vraag: waarom heeft God, die heilig en rechtvaardig en goed is, ondanks zoveel menselijke slechtheid toch nog de mensheid gewild, en ermee door willen gaan? Waarom heeft hij er bijvoorbeeld bij de zondvloed niet helemaal een eind aan gemaakt? Of in de woestijn, naar aanleiding van het gouden kalf? Of bij de verwoesting van Jeruzalem en de ballingschap – typisch voor alle oorlogsgeweld tot in onze tijd. Het was bijna afgelopen! Ons bestaan hing aan een zijden draad! Hoe hebben wij kunnen overleven? Waarom gaat in déze wereld nog elke dag de zon op?
God kon dit doen omdat zijn Zoon bereid was te lijden zoals hij heeft gedaan. Omdat God bereid was zijn Zoon daaraan over te geven.
De aanklacht komt van hem die vergeeft. De Rechter die veroordeelt is tegelijkertijd degene die vrijspreekt. Wij zeggen het een en het ander na elkaar, we moeten ze naast elkaar laten staan – ze komen in Gods woord tegelijkertijd naar ons toe.

Verlangen

Daarmee gaat de Nederlandse Geloofsbelijdenis in het artikel over de erfzonde (artikel 15) direct verder: de erfzonde wordt ons vergeven! Dat zijn we ons lang niet altijd bewust als we vergeving voor onze zonden vragen. Het maakt het evangelie van de vergeving veel rijker. Het is bij het doopbezoek een veel rijkere troost dan: Een baby is al wel zondig maar doet nog geen zonde.
De belijdenis vervolgt met een heel praktische aanwijzing over hoe wij deze diepe werkelijkheid moeten en kunnen beleven – dat vraagt onze tijd; het is tegelijkertijd een bijbelse les, uit Romeinen 6, 7 en 8. We mogen in de erfzonde niet berusten. Dat hoeft ook niet. Klagen is op z’n plaats, in de harten en de media en de literatuur van de mensen van de twintigste en eenentwintigste eeuw. Zuchten, kreunen van verlangen om van deze ellende verlost te worden: van de macht van het kwaad in onszelf – onszelf als mensheid (niet minder dan de hele schepping om ons heen kreunt). Verlangen met uitzicht, hoop die niet beschaamd wordt. De belijdenis van de erfzonde gaat wel gepaard met verdriet, maar maakt niet depressief. Ze is een poort naar verlossing.

AANTEKENINGEN BIJ DE LEER VAN DE ERFZONDE

In De Reformatie schrijf ik een viertal artikelen over de leer van de erfzonde. Rekening houdend met de lezerskring van De Reformatie en aan de andere kant Pro Ministerio, leek het mij het meest geschikt om uitvoeriger aantekeningen hier te ‘publiceren’. Ik zal proberen er een verhaal van te maken dat ook zelfstandig gelezen kan worden – zij het dat het dan brokkelig over zal komen. Het geeft me een geschikte ruimte voor wat uitweidingen, ook, om te beginnen, persoonlijke.
Aan de ene kant is de erfzonde duidelijk. Ik heb dat van jongs af aan zo beleefd: inderdaad, zo zijn wij, met elkaar en in de lijn van de geslachten. Aan de andere kant is die moeilijk, als het erom gaat duidelijk te maken hoe de zonde de geslachten door gaat.
Toen ik voor het eerst, en sindsdien regelmatig, moest preken over Zondag 3 HC, speelden beide kanten een rol. Ik moest het uitleggen. Maar niet als een leer die aan de mensen moet worden overgebracht, van buitenaf, maar met het oog op de spiritualiteit, de geloofsbeleving, en dat betekent in dit geval: de herkenning van de erfzonde in henzelf, zodat ze die leren belijden en om vergeving vragen, zoals ik dat zelf had geleerd.
In mijn domineesbibliotheek stonden Bavinck, Schilder en Berkouwer tot mijn beschikking. Later kwamen daar J. Kamphuis en Van Genderen/ Velema bij. De monografie van Greydanus, oorspronkelijk een lezing voor een  predikantenconferentie, bleek nog steeds een grote rol te spelen; die heb ik uit de Kamper bibliotheek gekopieerd. Hier volgen de titels, waarnaar ik in het vervolg verwijs:

H. Bavinck, Gereformeerde dogmatiek. Derde deel. 4e druk. Kampen 1929. Pag. 53vv.
G.C. Berkouwer, De zonde II. Wezen en verbreiding der zonde. Kampen 1960. Pag. 207vv.
J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, Kampen 1992. Pag. 369vv. Het hoofdstuk over de zonde is van de hand van Velema.
S. Greydanus, Toerekeningsgrond van het peccatum originans (Adams bondsbreuk), Amsterdam 1906.
J. Kamphuis, Aantekeningen bij J.A. Heyns dogmatiek. Kampen 1982. Pag. 61v.
K. Schilder, Heidelbergsche Catechismus toegelicht. Deel I. Goes 1947. Pag. 329vv.

Voor een ander geluid naast de gereformeerde theologie kwam H. Berkhofs Christelijk geloof ter beschikking. Ik moet zeggen dat ik de gereformeerde literatuur diepgravend en oriënterend genoeg vond. De verdere oriëntatie in denken en beleving van onze tijd deed ik op uit verspreide, veelal niet-theologische lectuur.
Ik ben door Berkouwers uiteenzetting over de erfzonde erg geboeid. In het algemeen werd, ook in mijn studententijd, Berkouwer onder ons niet graag gelezen. Een reden was dat het vaak moeilijk is er achter te komen wat Berkouwer nu zelf denkt. Dat is inderdaad soms irritant; het wordt bijvoorbeeld als het over de kerkelijke tucht gaat tot een in- en uitpraten. Maar bij dít onderwerp vind ik zijn manier van schrijven passen. De spiritualiteit erin sprak mij aan.
Velema verwijst ook nog naar A. van de Beek, Waarom? Ik heb het boek gelezen; het is me duidelijk dat Van de Beek onder ons, collega’s, veel gelezen wordt; maar ik heb er geen aanleiding in gevonden om er bij dit onderwerp op in te gaan.

Bij 1. De erfzonde: een moeilijk leerstuk

De verschijning van Aleid Schilder, Hulpeloos maar schuldig. Het verband tussen een gereformeerde paradox en depressie, Kampen 1987, deed nogal wat stof opwaaien: zij was van gereformeerden huize, dochter van onze hoogleraar, de oudtestamenticus H.J. Schilder.

Kritische kanttekeningen bij het woord erfzonde vinden we bijvoorbeeld bij Berkouwer 311. Vgl. Velema 371. Velema’s eigen bezwaren tegen de term erfzonde hangen samen met het feit dat hij daarbij denkt aan het erven dat een mens doet bij de dood van de erflater, 372, 378. Ik vind dat merkwaardig; de term erfzonde verwijst toch eerder naar wat de ‘erfgenaam’ erft bij z’n geboorte; meer naar erfelijkheid dan naar erfenis of erfrecht; meer naar genen dan naar bezit.

Behalve de termen erfzonde en peccatum originale (original sin) wordt ook nog de term peccatum originans gebruikt: veroorzakende zonde. Greydanus doet dat met nadruk, vanaf de titel van zijn werk. Zijn terminologie slaat op de eerste zonde van Adam, maar hij bespreekt de erfzonde in de zin van: hoe de zonde op ons overkomt. Dat is op zijn ‘realistisch’ standpunt consequent: wij hebben mee die eerste zonde gedaan.
Bavinck onderscheidt tussen peccatum originans (toegerekend, schuld) en peccatum originatum (veroorzaakt; inklevend, straf). “Eigenlijk is onder erfzonde, peccatum haereditarium, alleen te verstaan die zedelijke verdorvenheid, welke de mensch terstond bij zijn ontvangenis en geboorte uit zondige ouders meebrengt”, 79. Is dat niet hetzelfde als: erfsmet?

“Niets valt zoo zwaar om recht te verstaan als de erfzonde”. Zo begint Greydanus 7, en in zijn kielzog Schilder 330. Het is een citaat van Augustinus, aangehaald via Bavinck, (in de vierde druk op p. 78). “De leer van de erfzonde is een van de gewichtigste, maar ook een van de moeilijkste onderwerpen der dogmatiek”, Bavinck 78. “De voortplanting der zonde blijft altijd (…) moeilijk”, id. 97. “Hier is (…) nog veel na te denken”, Kamphuis 61. “…zonder dat wij m.i. in staat zijn de band met Adam in alles geheel doorzichtig te maken”, id. 62.
De indruk van een moeilijk oplosbaar mysterie wordt versterkt door de bespreking van erfschuld en erfsmet, en van realisme en foederalisme.
Bavinck heeft een duidelijke voorkeur voor het foederalisme. Hij zegt: de erfsmet is een straf voor de erfschuld, 85. Er gaat een oordeel van God vooraf, 89. Maar hij zegt ook: “Schuld en smet zijn (…) twee zijden van dezelfde zaak”, 87. “Welk standpunt men bij den oorsprong der zielen ook inneme, de voortplanting der erfzonde blijft altijd even moeilijk”, 97.
Een ‘realistisch’ standpunt vinden we bij Greydanus; Schilder sluit zich daarbij aan. Berkouwer en Velema zijn kritischer over het realisme en laten het foederalistische gezichtspunt zwaarder wegen.
Velema wil “een standpunt verdedigen dat recht doet aan het realisme en het foederalisme, zonder dat we ze bij elkaar optellen. Het waarheidsmoment in elk van beide moet tot zijn recht komen. Dat kan alleen als men die twee in een nieuwe structuur verenigt”, 381v. Met deze conclusie beëindigt hij dit onderwerp. Ik heb niet de indruk dat hij zo’n ‘nieuwe structuur’ heeft voorgesteld.
Ik vind het verleidelijk om nader in te gaan op de discussie rond realisme en foederalisme. Ik beleef het tastend zoeken van bijvoorbeeld Bavinck mee. Maar op mijn standpunt is dat niet nodig en niet zinvol. En dat is toch eigenlijk wel een opluchting. Er is nog veel na te denken, hoorden we Kamphuis zeggen; maar het lijkt me niet waarschijnlijk dat we in de gegeven probleemstelling, na alle eeuwen denkwerk, nog wezenlijk verder zullen komen.

Bij 2. Erfzonde in de structuren van ons bestaan

Er zijn wel eerdere omschrijvingen van de erfzonde die voor mijn besef verwijzen naar de ‘natuurlijke’, door God in de schepping gelegde structuren. Ik citeer via Greydanus 35 – die weer citeert uit Rivet – Polanus: …Omdat ook wij in Adam als de wortel van het hele menselijke geslacht gezondigd hebben. En Chamier: Adam was het, in wie heel het mensdom gerekend werd naar de natuur. Greydanus kan eigenlijk wel meegaan met deze formuleringen. Hij merkt echter op dat de gereformeerden in het algemeen, wat de oorsprong van de ziel betreft, aanhangers waren van het creatianisme: elke ziel wordt afzonderlijk door God geschapen. Op dat standpunt zijn de gangbare formuleringen z.i. niet goed houdbaar. Als we echter het dilemma creatianisme- traducianisme als verouderd beschouwen (vgl. Van Genderen/ Velema, 330), dan vervalt dit bezwaar en kunnen we ons bij vroegere formuleringen aansluiten. Ze zijn echter niet zo duidelijk en specifiek dat ik me er zonder meer op kan beroepen.
Ook Bavinck verwijst naar de eenheid van de mensheid: niet alleen een gemeenschap des bloeds, maar op die grondslag ook gemeenschap van alle stoffelijke, zedelijke, geestelijke goederen. Het gaat God niet om losse individuen, maar om de mensheid als gemeenschap. Zo is zijn ordinantie, zijn oordeel. Dat geldt zowel in de zondeval als in de verlossing, 84v – en ik meen dat geïmpliceerd is en we kunnen toevoegen: om te beginnen al in de schepping. Bavinck legt er dus de nadruk op dat dit een ordening van God is.
Ook A. Kuyper heeft in zijn E Voto Dordraceno gewezen op de natuurlijke verbanden. Schilder bespreekt dit, 340vv. Men kan de erfzonde bijvoorbeeld vergelijken met een geding tussen een bakker en het gezinshoofd aan wie hij brood geleverd heeft. Er komt één nota voor wat allen gezamenlijk eten. Mocht er een proces komen wegens wanbetaling, dan ondervindt zelfs het kind dat geboren wordt nadat het brood al opgegeten was, daarvan de last. Schilder voert verschillen aan tussen de door Kuyper aangehaalde voorbeelden en de verhouding tussen Adam en ons. Deze tegenwerpingen doen echter wat gezocht aan. De verschillen doen de overeenkomst waar het om gaat niet teniet.

Ik noem in De Reformatie verschillende bezwaren die ingebracht zijn tegen de verwijzing naar de structuren van ons bestaan en bespreek die. Ik zet er hier een paar op een rij:
–    De verwijzing is te algemeen; die doet tekort aan het feit dat erfzonde typisch een begrip is uit de christelijke belijdenis.
–    Die doet tekort aan de betrokkenheid van God, zijn oordeel als beslissende factor in de erfzonde.
–    Die lijkt van de erfzonde iets natuurlijks te maken. Dit kan tenderen naar manicheïsme of gnosticisme.
–    De erfzonde is “geene substantie, die zetelt in het lichaam en door generatie kan worden overgeplant; zij is eene zedelijke qualiteit van den mensch”, Bavinck 97.
Wat dat laatste betreft: er is meer tussen erfelijkheid en zedelijkheid; tussen erfelijkheid aan de ene kant en moraliteit, het ethische, met daaraan verbonden het religieuze, aan de andere kant. Er zijn bijvoorbeeld ook culturele gegevenheden die onbewust worden doorgegeven, en gedragspatronen die onbewust worden overgenomen.

In de discussie over de erfzonde is vaak verwezen naar Ezechiël 18. De Israëlieten (Judeeërs) zeiden: “Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden”. De HERE verwerpt dit spreekwoord. Een mens wordt niet veroordeeld vanwege de zonden van z’n ouders. Vgl. Jeremia 31: 29v. Dit is wel beschouwd als een meer ontwikkeld religieus inzicht, waarbij de mens uit de samenhang van z’n gemeenschap naar voren treedt en meer als individu wordt beschouwd. Dit wordt als vooruitgang ervaren naar de maatstaven van onze Westerse Verlichtingscultuur. Dit is echter niet de zaak. Het spreekwoord waar de profetie het tegen opneemt poneert een causaliteit waarbij de kinderen onschuldig de gevolgen dragen. Zij onttrekken zich daarmee aan hun eigen medeverantwoordelijkheid. Vgl. de bespreking van Ezechiël 18 bij Berkouwer, 302vv.
De tegenhanger van het spreekwoord is de belijdenis in Psalm 79 en 106: hier wordt ook gesproken van de zonden van de vaderen die gevolgen hebben waaronder een later geslacht lijdt; maar dat huidige geslacht neemt, in de gemeenschap met die voorgeslachten, mee de verantwoordelijkheid voor de zonde en schuld op zich, belijdt die en vraagt er vergeving voor.
De belijdenis van de erfzonde zegt: zulke rechtvaardige zonen als in Ezechiël 18 getekend, worden er niet geboren; ik ben niet zo, wij zijn niet zo.

Ter illustratie van verbanden tussen mensen waarin zonde een rol kan spelen, verwijs ik naar The Social Construction of Reality. Dit is een boek over kennissociologie uit 1966. Het is geschreven door de godsdienstsociologen Peter L. Berger en Thomas Luckmann. Mee dank zij die herkomst heeft het ook onder theologen nogal wat aandacht gekregen.

Er is een lange traditie, of een hardnekkige neiging, om de zonde in verband te brengen met de lagere natuur van de mens, de vezels waarmee hij aan het lichamelijke, stoffelijke verbonden is. We vinden dit bijvoorbeeld bij Augustinus, die de zonde sterk verbindt met de geslachtsdrift. Hij is daarin niet origineel. Het schijnt ook een intuïtief, oer-menselijk besef te zijn. Augustinus brengt echter een zekere balans aan door daarnaast de hoogmoed als de oerzonde te bestempelen.
De vraag naar het wezen van de zonde als zodanig valt buiten ons bestek, maar er is een raakvlak met de vraag naar de herkomst van de erfzonde. De neiging om die te herleiden tot de lagere natuur van de mens is bijvoorbeeld ook te vinden bij Schleiermacher, en bij H. Berkhof, Christelijk geloof. De laatste verbindt dit idee met de evolutietheorie. (Overigens sluit Berkhof vaak bij Schleiermacher aan, ook waar hij dit niet expliciet vermeldt, tot in de titel van zijn werk toe, waarin hij uitdrukt hoe hij de geloofsleer ziet; oudere collega’s herinneren zich dit inzicht misschien uit het gastcollege van Prof. J. Faber uit Hamilton in Kampen over de triniteitsleer bij Berkhof, omstreeks 1975.)

Bij 3. Erfzonde zien samen met anderen

Terecht wijst Berkouwer erop dat schuld geen mysterie kan blijven, 228. Deze opmerking is gericht tegen het realisme, met name van Greydanus. Het treft ook Schilder. Deze stelt dat “de laatste gronden ook hier weer liggen in de eenzijdige beschikking Gods, die verder alle discussie uitsluit”. Antropologische vragen “mogen (…) ons Schriftgeloof niet ophouden”, 342. Het gaat om God en zijn beschikking. Het heeft God behaagd om Adam en de mensheid in deze verbanden te scheppen (Schilder verwijst naar de schepping; m.i. terecht), en God is daarin vrij. Wij kunnen daarom de vragen die rijzen niet echt oplossen, wij kunnen zelfs geen echte definities geven, 342v. Dit doet mij aan als een wat krampachtig Schriftgeloof, dat te weinig recht doet aan de geloofsbeleving, de manier waarop de Schrift ons mensen aanspreekt en in ons werkt, ook in ons geweten, en ons tot antwoord brengt (ik denk aan C. Trimp, Klank en weerklank).

Berkouwer zelf begint ook met een verwijzing naar de bestaande structuren af te wijzen. “Men heeft zich weleens al te gemakkelijk van deze moeilijkheid afgemaakt door te verwijzen naar het toch onweersprekelijke feit der solidariteit, der verbondenheid van alle mensen. Het is duidelijk, dat deze verwijzing geenszins een oplossing biedt…”, Berkouwer 209. Zijn bezwaar is dat het “in de leer der kerk niet maar om een gemeenschappelijk lot [gaat] (…), maar om zonde en schuld, die in de belijdenis der kerk beleden wordt”, 209. Ik zeg: de samenhang is wel dezelfde; het verschil is alleen dat de kerk erkent dat daarin het element van zonde aanwezig is, en dat ze die belijdt.
Berkouwer zelf legt alle nadruk op de belijdenis van de schuld. Dat hangt bij hem samen met: er is geen verklaring, in de zin van: geen causale verklaring, en daarmee geen excuus. Dat is juist; maar: ‘geen (causale) verklaring en daarmee geen excuus’ sluit niet uit dat er een duidelijk waarneembare, met de handen te tasten samenhang is, zo veelvormig als de vezels van ons bestaan.

Berkouwer bespreekt de gangbare begrippen erfschuld en erfsmet en confronteert zich daarbij met A.D.R. Polman, die het een manco vindt dat in de confessie – NGB art. 15 – deze begrippen niet voorkomen; 251vv. Berkouwer wijst erop dat ze ook bij Calvijn niet voorkomen, en suggereert dat dat nu juist geen manco is; 261vv. Terecht neemt Berkouwer het hier op tegen een stukje na-Kuyperiaanse scholastiek. Berkouwer bespreekt Calvijn uitvoerig en sympathiek en constateert dat men Psalm 51: 7 “wel het kern-woord van zijn erfzondeleer kan noemen”, 261v.

In de twintigste eeuw is men, naast foederalisme en realisme, naar andere termen gaan zoeken om de verbreiding en het overgaan van de zonde te verhelderen. Twee factoren spelen daarin m.i. een rol: het knagende besef dat de beide gangbare theorieën, hetzij ieder op zich hetzij samen, geen bevredigende oplossing bieden, en de ontwikkeling van nieuwe inzichten buiten de theologie in de samenhang tussen mensen, tussen ouders en kinderen, tussen de generaties.
Bavinck bespreekt uitvoerig het begrip erfelijkheid (of herediteit), dat zich in de negentiende eeuw (buiten de theologie) sterk heeft ontwikkeld, en komt tot de conclusie dat dat niet kan dienen ter verklaring van de erfzonde. Daarbij sluit Berkouwer zich aan, 307.
Het woord ‘solidariteit’ wordt door Berkouwer gebruikt. Bij hem, in navolging van Bavinck, betekent dat meer dan alleen de verbondenheid die erkend wordt en waar bewust voor gekozen wordt.
Het valt op dat Berkouwer begonnen is met een ‘vanzelfsprekende’ solidariteit af te wijzen, en dat hij tenslotte zelf toch ook niet veel verder komt dan solidariteit te constateren. Dat past in zijn betoog: hij wijst eigenlijk elke vorm van verklaring af.
Het begrip ‘corporate personality’ wordt gebruikt door Berkouwer 293vv, in navolging van H.N. Ridderbos. J. Kamphuis bestrijdt het grondig. Kritiek van J.P. Versteeg bij Velema 379: bij een corporatieve eenheid is er een wisselwerking: wat van de een kan worden gezegd, geldt ook van de anderen, en omgekeerd. Wij doen wat Adam deed, maar Adam deed ook wat wij doen.
De vaagheid en in feite irrationaliteit van dit begrip heeft een belangrijke functie in Berkouwers betoog: “Men zal niet kunnen ontkennen, dat Paulus “corporatief” heeft gedacht, zowel ten aanzien van Adam als van Christus, maar juist dit corporatieve draagt niet het karakter van een verklaring”, 297.
Het lijkt me toe dat het woord corporatief in deze discussie ook wordt gebruikt om uit te drukken dat individuen niet los van elkaar staan, zoals in het Westerse Verlichtingsdenken onbewust uitgangspunt is, maar met elkaar te maken hebben, zonder nog iets te zeggen over de aard van deze samenhang. Dan is het eerder een verlegenheidsterm om een inzicht uit te drukken dat voor mensen in het algemeen onmiddellijk evident is, uitgezonderd in onze cultuur. Dat is belangrijk, maar tegelijkertijd zegt de term op zich dan niet zo veel, vgl. Velema 379.
De term representatie wordt gebruikt door Velema. Hiermee probeert hij de parallel tussen Adam-wij en Christus-wij in Romeinen 5 vast te houden. Met deze term wordt de realiteit van de erfschuld aangegeven, maar m.i. komt de erfschuld daarmee te los van de erfsmet te staan.

Over Romeinen 5: 12 zie de commentaar van J. van Bruggen met de excurs over “Zondigen in Adam?” Romeinen 5 spreekt niet over de wijze waarop de zonde van het ene geslacht op het andere overgaat, Berkouwer 291. Berkouwer wijst ook op het verschil tussen de ‘toerekening’ bij de erfzonde en die bij de rechtvaardiging, 281.

Augustinus spreekt over z’n zonde vanaf de tijd dat hij een zuigeling was, aan de hand van wat men bij zuigelingen in het algemeen waarneemt, in zijn Confessiones, boek I, par. 7.

Vroeg in de Bijbel ziet men de erfzonde vaak al aangeduid in Genesis 6: 5. Hier wordt, evenals in vele andere passages die de erfzonde suggeren, wel gesproken over de algemeenheid van de zonde, maar niet over de manier waarop de verbreiding plaatsvindt. Verder wordt vaak verwezen naar Job 14: 4. Hier moet er echter rekening mee gehouden worden dat Job aan het klagen is en nog niet toe is aan een oprechte schuldbelijdenis. We kunnen Jobs klacht niet rechtstreeks gelijkstellen met het woord van God.
Psalm 14 en 53 spreken ook weer over de algemeenheid van de zonde, niet expliciet over de erfzonde.
Aan de opsomming van profetieën waarin God zijn volk z’n zondige natuur verwijt, zou ik, vanuit de NV51, nog hebben toegevoegd Jeremia 2: 22. In de NBV kan deze tekst niet meer meedoen. Een dogmatisch betoog gaat, vooral bij beknopte verwijzingen, vaak uit van een gegeven, meestal de aan de dogmaticus vertrouwde, vertaling. Onderzoek naar de grondtekst valt dan buiten het bestek. Er zijn meer passages bij de profeten waarin God in zijn requisitoir tegen zijn volk ter sprake brengt dat het al sinds lang zo is, o.a. bij Jeremia, in Jesaja 40-55 en in Zacharia 7.

Bij 4. God en onze erfzonde

Dat het feit dat wij een zondige natuur hebben op zichzelf al een straf is, wordt bijvoorbeeld betoogd door Greydanus, 30, vgl. 34v (Comrie).
De zonde op zich is naar haar aard zo ernstig dat ze een bederf van de natuur met zich meebrengt, Bavinck 86v.
God geeft in zijn toorn mensen over aan zonde. Hij straft zonden (onder andere) met volgende zonden, vgl. de tekstverwijzingen bij Bavinc

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *