De mens als beeld van God

Inhoud
1. Het beeld van God zoeken
2. Als beeld van God benaderen
3. Beeld van God of mensentaal?
4. Het beeld van God ontmoeten
Aantekeningen

Serie van vier artikelen, gepubliceerd in De Reformatie.
De aantekeningen werden gepubliceerd in het predikantenblad Pro Ministerio.

1.  HET BEELD VAN GOD ZOEKEN

Henk Middelman komt op het intakegesprek binnen als een zombie. Meer dan tien jaar lang bouwde hij een mooie carrière op, maar hij pleegde roofbouw op zichzelf. Hij gebruikte drugs om het vol te kunnen houden. Hij heeft ook een drankprobleem. Kort geleden is hij ontslagen. Zijn vrouw heeft gedreigd bij hem weg te gaan als hij niet in therapie gaat.

Anderhalf jaar later – een behandeling door een neuroloog is gevolgd door een traject bij een loopbaanconsulent – komt hij naar buiten als iemand die er weer tegenaan kan, er zin in heeft en goede kansen heeft op de arbeidsmarkt. Na nog vijf jaar vinden we hem terug als adjunct-directeur van een middelgrote onderneming. Hij is nog steeds clean; en hij heeft hart voor de mensen in zijn bedrijf, die hem waarderen. Met zijn gezinsleven gaat het (redelijk) goed.

Vertoont de mens Henk nu meer het beeld van God dan tevoren? Kunnen we die vraag eigenlijk wel zinvol beantwoorden?

De vraag naar de mens als beeld van God is niet alleen van belang in kerk en theologie, in catechismuspreek en op catechisatie. Henks hulpverleners willen daar ook graag meer over horen, als ze christen zijn. En vooral degenen die die hulpverleners opleiden hebben behoefte aan een christelijke visie op de mens die vruchtbaar gemaakt kan worden op terreinen als psychologie, psychiatrie en onderwijs.

Kan de theologie hier helpen? Of moet ze zeggen: Sorry, de uitwerking moeten we aan jullie overlaten? Ontwerpers van christelijke cursussen hulpverlening zullen graag ‘de mens als beeld van God’ als uitgangspunt nemen; maar als de theologie niet verder helpt, is de kans groot dat de invulling gestalte krijgt vanuit inzichten in de menswetenschappen en de hulpverlening die op een gegeven moment algemeen gangbaar zijn. Is er een specifiek christelijke mensvisie?

Gelovig?

Misschien zal iemand, naar aanleiding van de casus, nog aanvullende informatie vragen: Is Henk gelovig? En dan in de zin van: is hij een christen? Maar dat vermeldt de casus niet. Ik stel een wedervraag: Maakt dat verschil voor het antwoord? Vermoed je misschien dat hij aan het eind geloviger is dan in het begin; wil je dat suggereren? Ik wil van mijn kant niet suggereren dat zijn geestelijke situatie los staat van zijn psychosociaal functioneren; en daar hebben hulpverleners, niet alleen christelijke, de laatste tijd weer meer oog voor. Maar kan Henk niet in het begin net zo goed een gelovige zijn, ook al laat zijn kerkgang  en persoonlijke Bijbellezing en gebed misschien te wensen over? De hulpverleners – mag je aannemen – zijn professioneel en rekenen evangeliseren in deze situatie niet tot hun directe taak. Als Henk nu zowel in het begin als later ongelovig is, maakt dat verschil voor het antwoord op de vraag?

Redelijk, zedelijk wezen

Lange tijd heeft het Westerse denken, onder invloed van de Westerse theologie, er weinig moeite mee gehad om de mens als beeld van God te beschouwen. De mens was naar zijn geestelijke kant, als redelijk en zedelijk wezen, beeld van God. Deze formuleringen zijn wat algemeen: ze klinken niet typisch christelijk. En dat was ook de bedoeling.

Dat hangt samen met de manier waarop de mens – volgens dit denken – God kon kennen. Er is, zo zei men, een zekere natuurlijke Godskennis: de mens kan, ook buiten Gods openbaring om, God kennen, tot op zekere hoogte. Hoe zou je anders met ongelovigen over God kunnen communiceren? Dat werd gezegd in de middeleeuwse en rooms-katholieke theologie: hier werkte (door heel de leer heen) het schema van natuur en genade. Op het natuurlijke vlak kan de mens al heel wat weten over God en geestelijke zaken; alleen, voor de zaligheid heeft men nog (om zo te zeggen) een verdieping daar bovenop nodig: bovennatuurlijke, geopenbaarde kennis van God.

God is geestelijk, de mens is geestelijk. God is redelijk (rationeel), de mens is redelijk. God is zedelijk, of heilig, de mens is een zedelijk (moreel) wezen. Er is tussen het wezen van God en het wezen van de mens een analogie: een overeenkomst, bij alle verschil; een ‘zijnsanalogie’ dus (Latijn: analogia entis). Het gelijke wordt immers door het gelijke gekend. De mens kan inzien dat God geest is dank zij het feit dat hij zelf een geestelijk wezen is.

Gaven verloren

De gereformeerde theologie, in het spoor van Calvijn, stond hier afwijzend of op z’n minst wantrouwend tegenover. God had de mens oorspronkelijk wel geschapen naar zijn beeld (NBV: als zijn evenbeeld). Dat staat in Genesis 1. In dat Bijbelhoofdstuk zelf wordt weinig nadere invulling gegeven. Wat het inhield, kan worden afgeleid uit bepaalde teksten in het Nieuwe Testament, waar over het herstel van de verloste mens naar het beeld van God wordt gesproken: kennis (Kolossenzen 3: 10), gerechtigheid en heiligheid (Efeze 4: 24). Maar die oorspronkelijke gaven heeft de mens door zijn zondeval verloren. Er zijn hooguit nog maar restanten van overgebleven, en wat er over is gebruikt hij ook nog verkeerd; er kon niets goeds meer uit voortkomen.

‘Mededeelbare’ eigenschappen

Er is echter nog een andere ‘plek’ (Latijn: ‘locus’) in de dogmatiek waaruit we kunnen afleiden hoe men de geschapen mens zag: niet in de leer over de mens, maar in de leer over God. Men besprak de eigenschappen van God en deelde die in in ‘mededeelbare’ en ‘onmededeelbare’ eigenschappen. De eerste zijn uniek voor God; de tweede kan hij, in zekere mate, aan de mens ‘meedelen’. In de eerste rubriek valt het absolute zijn van God; het omvat bijvoorbeeld zijn onveranderlijkheid en zijn oneindigheid, zijn eeuwigheid. In de tweede rubriek zien we God als Persoonlijke Geest. Dit omvat in de eerste plaats zijn geestelijkheid; in de tweede plaats zijn intellectuele eigenschappen: zijn kennis, zijn wijsheid en zijn waarachtigheid of betrouwbaarheid. In de derde plaats zijn er de morele eigenschappen: zijn goedheid, heiligheid en rechtvaardigheid.

Hier zien we contouren van het beeld van God: God deelt bepaalde eigenschappen van hem mee aan de mens. Het zijn in principe weer die welke we eerder noemden: geestelijkheid, redelijkheid en zedelijkheid. Die werden ingevuld vanuit de bijbel. Maar de categorieën zijn dezelfde. Zo heeft God de mens geschapen!

Ruimer en enger

Na de Reformatietijd werd de mensvisie in de protestantse theologie al vrij gauw weer positiever en optimistischer dan bij de reformatoren en in de belijdenissen. We zullen dat nu niet in bijzonderheden nagaan. Er werd steeds hoger opgegeven van de natuurlijke Godskennis – wat natuurlijk is, is goed. Dat ging zo ver dat de mens uiteindelijk Gods openbaring niet meer nodig had. Dat de mens het beeld van God was, was evident. Faust, in de creatie van Goethe, kan terloops, als vanzelfsprekend, zeggen: “Ik, evenbeeld van de godheid!”

De gereformeerde theologie leerde dat de mens na de zondeval nog maar ten dele, of in zekere zin, het beeld van God vertoonde. Men sprak van het beeld van God in ruimer en in enger zin. Het beeld van God in ruimer zin is de structuur van de mens, of het formele; die is gebleven. In enger zin is het het materiële, het functioneren van de mens, in kennis, gerechtigheid en heiligheid; dat is verloren gegaan. Zo probeerde men recht te doen aan twee grondgedachten: aan de ene kant dat de mens mens gebleven is; aan de andere kant dat de zondeval hem grondig heeft beschadigd.

Onderkoning

In de twintigste eeuw is er veel veranderd. Om te beginnen kwam er een crisis in de natuurlijke theologie. Buiten de Woordopenbaring om kent de mens God niet. Wat betreft het beeld van God kwam de zijnsanalogie tussen God en mens op de tocht te staan; die werd als verouderd verworpen. De mens is niet in het klein wat God in het groot is. In plaats daarvan ging de aandacht uit naar de mens in zijn functioneren.

Karl Barth wees erop dat in Genesis 1 na de woorden “God schiep de mens als zijn evenbeeld” direct volgt: “Mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen”. Hij zag het wezen van het beeld van God in de relatie: tussen man en vrouw, en dan ook algemeen tussen mens en medemens. Zoals er in God een ‘wij’ is (“Laten we mensen maken”), zo is ook de mens relationeel. Barth ging spreken van een ‘analogia relationis’.

Volgens K. Schilder betekent het beeld van God dat de mens op aarde God vertegenwoordigt; hij is zijn onderkoning, zijn gouverneur, die namens hem op aarde regeert. Zo wordt het in Genesis 1 uitgewerkt: “Laat ons mensen maken naar ons beeld (…) opdat zij heersen…” Zo’n vertegenwoordiger hoeft niet uiterlijk op zijn heer te lijken. Verder werd er vaak de nadruk op gelegd dat het beeld van God niet alleen in het geestelijk, maar net zo goed in het lichamelijk bestaan van de mens moet worden gelokaliseerd. Calvijn had nog gezegd dat het beeld van God vooral in de ziel van de mens moet worden gezocht.

Crisis

Op de achtergrond van deze veranderingen spelen tal van factoren. (1) Het geloof in de goede schepping, de ‘staat der rechtheid’ als historische periode voor de zondeval, taande door de Schriftkritiek en door de ontwikkeling van de natuurwetenschap, met name de evolutietheorie. Dat maakte de kloof tussen God en mens dieper. De mens stond niet van oorsprong dicht bij zijn Schepper.

(2) Het mensbeeld werd somberder naar aanleiding van de wereldoorlogen. De ‘dialectische theologie’ brak radicaal met het optimistische beeld van de liberale theologie van de 19e eeuw. In plaats van de continuïteit tussen het christelijk geloof en de aardse werkelijkheid kwam de breuk. Het demonische in de mens verdrong het beeld van God tot onherkenbaar wordens toe.

(3) Al langer was er een crisis gekomen in de visie op het menselijk kennen. Hieraan is vooral de naam van de filosoof Kant verbonden. De menselijke kennis is niet meer een afspiegeling van de werkelijkheid; de subjectiviteit van de mens speelt een veel grotere rol. Daardoor kwam het menselijk kennen op grotere afstand te staan van het goddelijk kennen.

(4) Tegelijkertijd was het atheïsme opgekomen. De mens stond niet meer in het verlengde van God; veeleer waren God en mens concurrenten. De mens, die zijn verstand gebruikt, maakt zich vrij van het gezag van een alleen wijze God. Het werd duidelijk dat de mens niet van nature een besef van God of het goddelijke heeft, zoals de gereformeerden altijd hadden volgehouden. De mens als ‘beeld van God’ was op zichzelf komen te staan; God was achter hem verdwenen.

Afgronden

(5) Ook waar christelijke theologie bleef spreken over God, werd dit spreken problematisch. De dialectische theologie riep dat God de ‘gans Andere’ is. De hermeneutiek wierp vraagtekens op over de duidelijkheid van de Schrift. Wij maken ons allemaal een eigen beeld van God, dat vaak bepaald is door onze eigen situatie en voorkeuren; wie zal zeggen welke werkelijkheid daaraan beantwoordt? Het beeld van God is kameleontisch; het is mistig. God verdwijnt achter onze beelden.

(6) De psychologie veranderde. Zij werd niet meer geleid door de filosofie, maar door inzichten die voortkwamen uit de medische praktijk, zoals de visie van Freud, en uit empirisch onderzoek. Het beeld van de mens als geestelijk, redelijk, zedelijk wezen brokkelde af. De mens is met al zijn vezels aan het lichamelijke en aardse gebonden en wordt erdoor bepaald. Er zijn in de mens duistere afgronden. Zo’n mens lijkt toch niet op God?

(7) De verschuiving van de zijnsanalogie naar de aandacht voor het functioneren van de mens loopt opvallend parallel met een algemene ontwikkeling in het klimaat van denken en wetenschap. Werden tot nu toe dingen, inclusief de mens, beschouwd en gedefinieerd naar hun wezen en hun eigenschappen, nu verschoof de aandacht naar hoe mensen en dingen functioneren.

Puin

Niet al deze factoren hebben overal hetzelfde gewicht. Naast de dialectische theologie bleven meer liberale theologische denkwijzen doorwerken. Gereformeerde theologen hielden, zoals bekend, vast aan de ‘staat der rechtheid’. Toch werden ook zij beïnvloed door denkwijzen in hun tijd, zoals het veranderende mensbeeld en de aandacht voor het functioneren.

Is de mens nu nog het beeld van God? K. Schilder, en in navolging van hem G.C. Berkouwer, zeggen van niet. Het spreken over ‘het beeld van God in ruimere en in engere zin’ is niet houdbaar. Het onderscheid doet nogal theoretisch aan, om niet te zeggen scholastisch. Het blijkt in de praktijk te leiden tot eindeloos ingewikkeld onderscheiden en daarbij tot verwarring en willekeur.

De mens heeft door de zondeval opgehouden als beeld van God te functioneren; hij heeft opgehouden God af te beelden, te vertegenwoordigen. Het beeld van God is vergruisd. Er zijn nog wel wat restjes van zijn oorsprong over: restjes van besef van God; restjes van het oorspronkelijke beeld. Maar daar kan nooit iets goeds uit voortkomen. We moeten van beeldresten geen restbeeld maken. Het beeld van God is iets van het verleden en van de toekomst, als het hersteld zal zijn.

Velema maakt voorzichtig bezwaar tegen deze benadering. Hij vindt die eenzijdig. Ook bij de uitwerking van J. Kamphuis houdt hij zijn reserves. Heeft het beeld van God alleen betrekking op het functioneren van de mens en niet ook op het zijn? Tegelijkertijd wil hij de gereformeerde lijn doortrekken. Hij spreekt daarom van het beeld van God in een negatieve modus.

Verder

Als we nu terugkijken naar Henk Middelman, dan zullen we allemaal vinden dat hij vooruit is gegaan, en dat fijn vinden voor hem en voor zijn omgeving, zijn gezin en zijn medewerkers. Maar de theologie heeft niet zo veel over hem te melden. Hij blijft een mens van na de zondeval. Sinds de crisis aan het begin van de twintigste eeuw zullen we moeilijk nog het beeld van God in hem kunnen zien. Hij moet geloven; dat is alles wat we kunnen zeggen.

Zonder te bestrijden dat dat uiterst wenselijk zou zijn, vind ik deze conclusie toch niet bevredigend. Niet voor zijn hulpverleners en hun theorie, en niet voor ons met onze gewone menselijke ogen en oordeelsvermogen. Kunnen we verder komen? Ik wil het volgende keer proberen.

2.  ALS BEELD VAN GOD BENADEREN

Is de mens nog beeld van God? De neiging om deze vraag met nee te beantwoorden is in onze tijd groot.

Dat heeft verschillende redenen. Het denkklimaat van de twintigste eeuw in het algemeen werd bij uitstek ongunstig voor een positief antwoord. Het is twijfelachtig of God bestaat en zo ja, of we hem wel kunnen kennen. En dan heeft het geen zin om over de mens als beeld van God te spreken. Het is onwaarschijnlijk dat de mens oorspronkelijk een goed schepsel van God was. Wij zijn ‘beneden’ alleen; wij hebben geen toegang tot een ‘boven’ waaraan wij zouden beantwoorden.

Daarnaast is er in de twintigste eeuw de typisch gereformeerde ontkenning, die zich overigens beroept op Calvijn. De mens is door de zondeval bedorven. Het beeld is vergruisd. De mens beeldt God niet meer af.

Herstel

Er klinken echter ook andere tonen. Gereformeerden geloven immers in het herstel van het beeld van God door de verlossing in Christus. Dat is nu aan de gang! Weliswaar alleen in de gelovigen. Uit het beeld van God kan immers de relatie tot God niet weggedacht worden. Het Nieuwe Testament spreekt over kinderen van God. Dat is in het beeld van God zijn inbegrepen.

De verloste mens gaat opnieuw het beeld van God vertonen. Hij gaat weer doen waar hij oorspronkelijk voor geschapen was: werken aan de vervulling van het ‘cultuurmandaat’ van Genesis 1 (en 2); regeren over de schepping. K. Schilder, die dit naar voren bracht, keerde zich scherp kritisch tegen A. Kuypers visie van de ‘algemene genade’, die een geweldige cultuurontplooiing zag in de geschiedenis van de mensheid in het algemeen. Bij K. Schilder zijn de tonen gedempter; maar het is dezelfde muziek[i]: de mens ontplooit de wereld!

Gaat het hier wel alleen over christenen? De overheid heeft de taak om in het publieke leven de naam van God groot te maken. Zij moet de Tien Geboden als uitgangspunt nemen voor haar beleid. Dat geldt ook voor overheidspersonen die zelf niet gelovig zijn. Zij heeft daarin de samenleving voor te gaan. Dan zal men merken dat Gods geboden passen bij de schepping[ii]. De mens gaat weer dingen doen die passen bij de paradijsmens!

Aanknopingspunt

Er zijn ook andere stemmen die proberen een blijvende relatie tussen de mens en God onder woorden te brengen. Prof. J. van Bruggen wijst erop bij zijn bespreking van Romeinen 1: 18 e.v.: De mens kent God uit zijn openbaring in de schepping. Er is niet alleen de ‘algemene openbaring’, maar ook de ‘natuurlijke Godskennis’. Dit was ontkend door de dialectische theologie. Maar – als ik even persoonlijk mag formuleren – het is ook een ander geluid dan ik in gereformeerde context geleerd had.

Naast deze passage uit Romeinen is hoofdstuk 2: 14v. altijd een aanleiding geweest om te bespreken of er niet toch iets positiefs te zeggen is over innerlijk en gedrag van niet-gelovige mensen.

In het denken over de zending zijn zulke noties uitgewerkt. In de zending kom je bij allerlei volken vormen van religieus besef tegen. En zijn er misschien ook in een atheïstische cultuur, ondanks de schijn van het tegendeel, toch religieuze noties te vinden? Het gaat erom of er in de mens iets is waar je in het missionaire contact en gesprek bij kunt aanknopen – een ‘aanknopingspunt’, wat Karl Barth heftig heeft bestreden. De missioloog J.H. Bavinck heeft dat religieuze besef uitgewerkt in vijf punten: de totaliteitsbeleving, het normbesef, de betrokkenheid op een hogere macht, de verlossingsbehoefte en de levensleiding. Het gaat hier vooral over het innerlijk leven van de mens.

We raken hier dezelfde materie waar we in de middeleeuwse theologie ook al mee in aanraking kwamen. Wil het mogelijk zijn om met niet-christenen te communiceren over God en godsdienst, dan moeten die mensen toch kunnen begrijpen – niet alleen rationeel maar ook dieper – waar je het over hebt? Er is toch ruimte voor apologetiek, een verdediging van het christelijk geloof in gesprek met niet-gelovigen; dan moet daar toch ook een mogelijkheid voor zijn? Op de een of andere manier is het schepsel mens, hoe opstandig ook, niet helemaal los van zijn Schepper.

Handen thuis!

Laten we kijken naar enkele bijbelgedeelten die gaan over het beeld van God en de gevallen mens. Vooraf dit: er zijn allerlei pogingen gedaan om, op taalkundige en exegetische gronden, de relatie tussen mens en beeld van God in Genesis 1 minder direct te maken: de mens zou alleen maar gemaakt zijn ‘in’ het beeld van God, of iets dergelijks. Maar die stranden. Er staat wel degelijk dat de mens geschapen is als het evenbeeld van God. Hij lijkt op God.

Genesis 9: 6 grijpt daarop terug: “Wie bloed van mensen vergiet, diens bloed wordt door mensen vergoten, want God heeft de mens als zijn evenbeeld gemaakt”. En later Jakobus 3: 9: “Met onze tong zegenen we onze Heer en Vader, en we vervloeken er mensen mee die God heeft geschapen als zijn evenbeeld”.

Deze beide teksten zeggen niet dat de mens na de zondeval nog steeds het beeld van God is. Daar is terecht op gewezen. Maar wat zeggen ze wél? Wij moeten er terdege rekening mee houden dat de mensen als Gods evenbeeld geschapen zijn. Als we geneigd zijn om mensen kwaad te doen, met de daad of met woorden, dan moet dit besef ons ervan weerhouden. Handen af! Zip your lip! Het gaat hier niet over hoe de mens nu nog is. Hij of zij kan wel bitter weinig van het beeld van God meer vertonen. Dat maakt ons inderdaad misschien wel bitter. Maar kijk uit! Zie achter die mens, boven die mens, God die hem of haar geschapen heeft. Heb oog voor het beeld van God, zoals hij deze mens bedoeld heeft! Zie als het ware die contouren om hem of haar heen. Hou daar voortdurend rekening mee. We hebben hier een beoordelings- en bejegeningsnorm. Zo moeten we deze mens zien, en zo moeten we hem of haar behandelen, tegemoet treden.

Ik ga nu naar Psalm 8. Hier horen we de echo van Genesis 1. “U hebt hem bijna een god gemaakt, / hem gekroond met glans en glorie, / hem toevertrouwd het werk van uw handen / en alles aan zijn voeten gelegd…” Gaat het hier alleen over de mens voor de zondeval? Heeft de dichter het niet over de mens van zijn tijd, de mensen om hem heen, misschien inclusief zichzelf? De mens heeft nog steeds die geweldige positie, van onderkoning! In wezen dezelfde gedachte vinden we in Psalm 144.

Iets overgebleven

Met deze inzichten gaan we terug naar de dogmatiek. De gereformeerde theologie heeft altijd de verdorvenheid van de menselijke natuur benadrukt. Er is nog maar weinig van het beeld van God in de mens over! Daarmee heeft de christelijke leer de wacht gehouden tegen alle humanisme, alle menselijke hoogmoed. Zij heeft de eeuwen door benadrukt dat de mens reddeloos verloren is als hij niet verlost wordt door Christus. Aan hem, aan God alleen, de eer! Dat heeft Augustinus zich diep gerealiseerd en verdedigd tegenover Pelagius. Dat is de kwintessens van de leer van de uitverkiezing. Dat is ook gedurende de Middeleeuwen nooit helemaal vergeten. Dat heeft Luther volgehouden tegenover Erasmus, en Calvijn opnieuw met zijn eigen gaven uiteengezet.

Tegen deze achtergrond lezen we in de Dordtse Leerregels: “Wel is er na de zondeval nog iets van het licht der natuur in de mens overgebleven. Hierdoor behoudt hij enige kennis van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tussen wat past en niet past en ook geeft hij er wel enigszins blijk van zich fatsoenlijk en ordelijk te willen gedragen. Maar…”

Dit belijdenisgeschrift debatteert met de Remonstranten. Het wil dat eerlijk doen; het wil het betoog van de Remonstrant, de humanist, de pelagiaan enzovoort, recht doen. Vandaar deze concessieve zinnen. Dit is wat maximaal van de gevallen mens gezegd kan worden. Het lijkt misschien heel wat. Toch moet er niet hoog van opgegeven worden. Het direct volgende ‘maar’ is essentieel. Dit alles helpt de mens niet in de richting van verlossing. Hij gaat er alleen maar de verkeerde kant mee op. Alleen God kan verlossen!

Tegen deze achtergrond moeten we de ontkenning van Schilder lezen dat de gevallen mens nog het beeld van God zou zijn.

Hoofdstukken van de dogmatiek

Er speelt nog meer bij Schilder. De mens is geschapen om het beeld van God te zijn, om als zodanig te functioneren. Als je daarvan uitgaat kun je makkelijker zeggen dat de mens na de zondeval niet meer het beeld van God is: hij functioneert niet meer als zodanig.

Maar terecht maakt Velema daar bezwaar tegen. In Genesis 1 staat het anders. De mens is het evenbeeld van God, niet alleen in zijn functioneren, maar ook in zijn zijn.

We hoorden de Dordtse Leerregels over de mens spreken in een betoog over het bederf door de zonde. In de leer over de mens als beeld van God, waarvan nog maar weinig overgebleven is, wordt eigenlijk weer dezelfde redeneergang gevolgd. Hetzelfde geldt voor de leer over hoe de mens God kent. Nee, het is helemaal mis – maar er is toch nog iets over. Ja, er is nog wel iets – maar nee, dat beweegt zich nooit in de goede richting. In elk hoofdstuk van de dogmatiek putten theologen zich opnieuw uit om goede formuleringen te vinden. Is dat, op de keper beschouwd, methodisch wel zo handig? Als we de leer van de zonde besproken hebben (waar het probleem in de eerste plaats thuis hoort), kunnen we in de leer over de mens dan niet gewoon daarnaar verwijzen?

Lichaam

En is de notie ‘beeld van God’ wel bedoeld om deze werkelijkheid uit te drukken? Is de mens alleen evenbeeld van God op geestelijk gebied, zijn oorspronkelijke gerechtigheid en zijn latere religieus-zedelijke bederf? Is hij niet ook evenbeeld van God in zijn geschapen bestaan zoals hij aan de rest van de schepping verbonden is, zijn lichamelijk, animaal-vegetatief functioneren? Is hij in het eerste opzicht gecorrumpeerd door de zonde, in het tweede opzicht is hij onderworpen aan de vloek die het gevolg is van de zonde, verbonden aan de schepping die aan de vruchteloosheid onderworpen is.

We hoorden hoe tegenwoordig in de gereformeerde theologie zonder moeite wordt aangenomen dat het lichamelijk bestaan van de mens ook tot het beeld van God behoort. Maar die notie wordt weinig uitgewerkt, concreet gemaakt. Het lijkt wel of de theologen zich er weinig rekenschap van geven wat dat inhoudt; alsof ze daar niet veel belangstelling voor hebben.

Verootmoediging en waardering

Wat beogen we eigenlijk als we zeggen dat de mens evenbeeld van God is (of niet meer)? Is dat alleen maar een objectieve constatering van de werkelijkheid? Zoiets als: Beatrix is koningin der Nederlanden? We zagen al dat de stelling meer impliceert: ze heeft een tendens. Geweldig, wat een hoge positie! Hoe is het mogelijk? Wat is God schitterend dat hij dit heeft gedaan! (Psalm 8). Pas op, respect, handen af! Het is een beschouwings- en bejegeningsnorm.

Als we het bederf van de mens door de zonde belijden, dan heeft dat ook een tendens, maar dan een heel andere: we verootmoedigen ons voor God (en sporen anderen aan om dat ook te doen); we geven eer aan hem, de enige die alles kan doen, en doet, om ons te verlossen. Dit is géén beschouwings- en bejegeningsnorm. Het is niet aan ons om mensen met wie we te maken krijgen te oordelen: Jij bent totaal bedorven door de zonde!

Vroegere gereformeerde theologen bewonderden filosofen als Plato; soms droomden ze er zelfs van om in het hiernamaals met ze over levensvragen te discussiëren (blijkbaar niet bang voor een onoverkomelijke kloof). Calvijn erkende dat de ene Romeinse keizer meer waardering verdiende dan de andere. Wij hebben bewondering voor figuren als Pericles, Ashoka, Tie Jen-Tsjie, Gandhi, Mandela, Willem Drees, Václav Havel, Bhumibol, Aung San Suu Kyi, Bruno Walter, Irvin Yalom. We zijn blij met wat zij deden of voor de samenleving, voor hun medemensen. We onderkennen en waarderen integriteit, visie, rechtvaardigheid, moed, vriendelijkheid, empathie, hulpvaardigheid, barmhartigheid, opofferingsgezindheid (het beeld van God de Zoon in mensen). En dan oordelen we niet in de trant van: zulke mensen ‘geven er wel enigszins blijk van zich fatsoenlijk en ordelijk te willen gedragen, máár…’ – gevolgd door afkammende geringschatting. Kortom, ook al geloven we dat ze door de zonde bedorven zijn, we merken trekken van het beeld van God in onze medemensen op en daarnaar beoordelen we ze.

De beide stellingen: ‘De mens is evenbeeld van God’ en ‘de mens is door de zonde bedorven’ staan niet op een lijn. Het zijn wel allebei belijdenisuitspraken, maar ze behoren toch tot verschillende subcategorieën. We kunnen ze niet in elkaar schuiven of tegen elkaar wegstrepen.

De wereld valt mee

Daarmee komen we bij een volgend terrein: dat van de dagelijkse ervaring. Als het over het (even-)beeld van God gaat, zal toch onze waarneming aan de orde komen. Problemen met de christelijke belijdenis van de zondige aard van de mens zijn telkens opnieuw opgekomen vanuit deze realiteit. De wereld valt zo vaak mee. (Ik weet dat deze uitdrukking klinkt naar ketterij, maar we kunnen hem ook rechtzinnig toepassen.) Je schaakvriend helpt je twee keer per week een lange avond door te komen. Een tante heeft je beide ouders liefdevol verzorgd tot hun dood toe en je daarna in haar gezin opgenomen. Een ondernemer geeft duizenden werk en ziet ook nog toe op de huisvesting van hun gezinnen; een heel stadje is naar hem genoemd.

Op verschillende manieren hebben ook gereformeerde theologen geprobeerd deze realiteit in hun theologie een plaats te geven. A. Kuyper ontwikkelde zijn visie van de ‘gemene gratie’, de ‘algemene genade’ – allerminst een nieuw begrip in de gereformeerde theologie; ook Calvijn sprak ervan. Schilder opponeerde er fel tegen, maar Prof. J. Douma heeft met zijn dissertatie het begrip weer, voorzichtig en met alle zekeringen omgeven, maar toch beslist, een plaats gegeven.

Een ander begrip is ‘weerhouding’. De term is ontleend aan 2 Thessalonicenzen 2: 6 en 7. God houdt het kwaad nog in toom, zodat het niet in volle hevigheid uitbarst. Daaraan is het te danken dat ook ongelovigen nog vaak meevallen. Deze benadering – die we vinden bij Schilder, maar ook bij anderen – is veel ‘zuiniger’. Achter de realiteit van de weerhouding zien we niet zozeer een genadige als wel een boze God, die zijn boosheid nog inhoudt om die in een latere fase volledig te ontladen in het ont-ketenen van de machten van het kwaad.

God zij dank!

De overeenkomst tussen beide benaderingen is dat van het meevallen van de wereld God de eer krijgt. Niet de mens en zijn natuur, maar God.

Daarbij wil ik me aansluiten. Hoe je het ook noemt, er is veel moois in de wereld, ook aan mensen, en dat is aan God te danken. We kunnen het zo, algemeen, uitdrukken: het is zijn regering, zijn voorzienigheid.

Als we dat goed benadrukken, neemt dat veel spanning uit de discussie weg. We hoeven dan niet te bespreken hoeveel goeds er nog in de mens is overgebleven. We hoeven niet toe te geven dat de mens ‘van nature’ meevalt. We hoeven geen stap te doen, ook niet met tegenzin, in de richting van pelagianen en humanisten.

De mens is, zolang hij in deze wereld is, hoe bedorven hij ook is, nooit los van zijn Schepper; nooit los van God en zijn regering; hoe weinig hij dat ook toegeeft, voelt, beseft of weet.

Dank zij Gods regering, zijn voorzienigheid, zien we in veel mensen, gelovigen en ongelovigen, het beeld van God. Nooit ongebroken; altijd beschadigd, op z’n minst met krassen en deuken. Maar toch.

God is goed voor deze wereld. Hij werkt aan het herstel. Hij doet dat in Christus. Hij heeft de wereld liefgehad. Hij heeft nog geen gedane zaak gemaakt met wereld en mensheid en ze aan de ondergang prijsgegeven. Hij heeft er nog een plan mee. Daardoor kunnen we met volle teugen genieten van de natuur, en ademloos zijn voor de wonderen van moleculen, neurotransmitters, en sterrenstelsels. We zijn diep onder de indruk van de schilderijen van Van Gogh en de gebouwen van Lloyd Wright. Wat is de schepping toch prachtig!

Als dat geldt van de natuur, dan ook van de mens, die daartoe behoort. De mens naar zijn natuur: “U was het die mijn nieren vormde, / die mij weefde in de buik van mijn moeder. / Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan, / wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt…” (Psalm 139). Dat geldt voor mij en mijn medemensen. Zoals wij functioneren, de genen en de cellen, het bewegingsapparaat en het zenuwstelsel, de glanzende huid en de stralende ogen, de receptoren in de hersenen en de vlinders in de buik, het geheugen en de veerkracht – magnifiek! Het geldt ook voor de mens naar zijn functioneren in de wereld, met zijn cultuur: “U hebt hem bijna een god gemaakt, / hem gekroond met glans en glorie, / hem toevertrouwd het werk van uw handen / en alles aan zijn voeten gelegd!” (Psalm 8).

Daardoor kunnen we zelfs met atheïsten, zowel als met moslims, over God praten – ik zeg het heel voorzichtig – zonder van tevoren te hoeven wanhopen aan wederzijds verstaan (of ‘begrip’; maar dat klinkt tegenwoordig al weer zo geladen). Daardoor is zending en evangelisatie mogelijk, en apologetiek. Het woord God is nog algemeen gangbaar, en over het algemeen kunnen mensen zich er nog iets bij voorstellen. En de mens en zijn wereld bieden volop aanleiding om dit gesprek te voeren, om het voort te zetten.

Uitzicht

Wij zijn geneigd om dan er bij te zeggen: ‘nog’. Wat is er nog veel te genieten! Maar we kunnen het ook omdraaien. Wat is er nu al veel te genieten! Stel je voor hoe het zal zijn als het allemaal klaar is!

“Goed is de HEER voor alles en allen, / hij ontfermt zich over heel zijn schepping” (Psalm 145: 9). “Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen” (Mattheüs 5: 45).

3.  BEELD VAN GOD OF MENSENTAAL?

Hoe kan de mens nu het evenbeeld van God zijn? De mens is een lichamelijk wezen, en God is geest! Weliswaar wordt in de bijbel ook gesproken van Gods ogen, zijn hand en arm, en zelfs van zijn ingewanden. Maar dat is toch maar bij wijze van spreken? Theologisch gezegd: dat zijn ‘antropomorfismen’: ‘mensvormige’ manieren van spreken over God.

Betekent dat dat we dat moeten laten liggen als we spreken over de mens als beeld van God? Of is er toch een diepere analogie tussen Gods ogen en onze ogen; Gods hart en ons hart? Over die vraag gaat dit artikel.

 God is zo verheven, dat wij hem onmogelijk kunnen kennen zoals hij is. Hij gaat ons begrip ver te boven. Maar hij komt naar ons toe. Hij houdt rekening met onze beperktheid van begrip. In zijn spreken past hij zich aan ons aan, zodat wij toch kunnen begrijpen wat hij zegt. Bekend is een uitdrukking van Calvijn: God babbelt met ons. Zoals een volwassene met een klein kind.

Opluchting

Mensen zijn hardnekkig geneigd om zichzelf een beeld van God te vormen. Weer een uitdrukking van Calvijn (hij wordt in zulke betogen vaak aangehaald): de mens is een echte beeldenfabriek.

De oude Grieken bijvoorbeeld stelden zich hun goden op de Olympus voor als mensen, behept met alle menselijke zwakheden: ze waren luimig, maakten ruzie met elkaar, bedrogen elkaar en konden bedrogen worden, ze bedreven overspel onder elkaar en met mensen. Al voor de komst van het christendom was er ontevredenheid over deze godsvoorstellingen: je wilt eerbied voor goden hebben en dat kan op deze manier niet. De christelijke prediking betekende ook wat dit betreft een grote opluchting. Christelijke denkers spotten met heidense goden; hun God was veel verhevener!

Wij staan daarin naast ze. God is eindeloos verheven. Nog steeds hebben wij om ons heen, ook in de christelijke wereld, beelden van God die hem naar beneden halen. Er is bijvoorbeeld gezegd: God is, volgens de bijbel, mensvormig; hij heeft een lichaam; zo is hij echt onze bondgenoot. Er wordt ook vaak gezegd: God staat ook machteloos tegenover ons lijden en tegenover wat wij elkaar aandoen, net als wij. De mens projecteert zijn verlangens en zijn angsten op zijn God. Bekend is ook het beeld van God als je beste vriend.

Filosofie

De benadering van de eerste generaties christenen had echter ook een gevaar in zich: dat God abstract werd. Ze namen iets te onkritisch filosofische ideeën over God over – wat in feite net zo goed beelden zijn! Op zich is het onvermijdelijk en niet verkeerd, dat je, als je gaat spreken over God, gebruik maakt van begrippen en denkmethoden die gangbaar zijn in je omgeving, in de traditie waarin je je scholing hebt genoten. Maar ze waren daar niet altijd kritisch en voorzichtig genoeg in. Nog eeuwen later was het een grote ontdekking voor Pascal: “De God van Abraham, Isaak en Jakob, niet van de filosofen!”

Sporen hiervan vinden we nog in de gereformeerde theologie. Artikel 1 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, ook al sta je van harte achter wat daar beleden wordt, begint toch wel op grote afstand van de levende taal van de Bijbel, waardoor wij God leren kennen. Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat God onveranderlijk is, terwijl de bijbel talloze keren vaker zegt dat hij trouw is – uiteindelijk is (ongeveer?) hetzelfde bedoeld, maar ‘onveranderlijk’ klinkt veel abstracter, afstandelijker. De Bijbel begint met te spreken over wat God doet. Dat is de hoofdlijn. En als er gesproken wordt over hoe hij is, dan zegt hij bijvoorbeeld zelf, als hij zijn eigen naam uitroept, dus in de kern: “De HEER ! De HEER ! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig…” (Exodus 34: 6). Zo klinkt het doorlopend; “Liefdevol en genadig is de HEER, / hij blijft geduldig en groot is zijn trouw” (Ps. 103: 8, bekend van de avondmaalsviering). Dat vinden we uiteraard ook terug in de Geloofsbelijdenis, maar later pas, geleidelijk ontvouwd.

Calvijn, in het begin van zijn Institutie (boek 1, hoofdstuk 10), werpt de vraag op hoe wij God gekend zouden hebben als de zondeval er niet geweest was. Die vraag brengt ons gemakkelijk in speculatief, filosofisch vaarwater, ook al is dat duidelijk absoluut niet de bedoeling van Calvijn. Vervolgens zet hij wel wat eenzijdig in bij de onzichtbaarheid van God. Dat was actueel in de strijd over de beelden in de kerk, maar het bracht hem wel in de buurt de Grieks en Romeinse filosofische kritiek op de populaire godsdienst.

Later werd het gebruikelijk om, vóór de eigenschappen van God, zijn namen te bespreken. Dan omzeil je dit probleem. Maar oorspronkelijk was dit toch de aanpak: door de deur van de filosofie kwam je de ‘theologie’ (in strikte zin: leer over God) binnen. K. Schilder is zijn hele loopbaan als hoogleraar in zijn colleges dogmatiek bezig gebleven met een lange lijst van dit soort eigenschappen van God, uit het eerste deel van artikel 1.

Criteria

Het begrip ‘antropomorfisme’ is niet zonder problemen, die niet altijd onder ogen worden gezien. Het is niet duidelijk waar de grenzen liggen van het mensvormig spreken in de Bijbel. Is Gods ‘berouw’ wel een antropomorfisme, maar zijn liefde niet? En zijn toorn dan? Zijn kijken wel, maar zijn spreken niet? En als gezegd wordt dat hij een vuur is?

Bijbelse uitdrukkingen worden vaak beschouwd als ‘bij wijze van spreken’. Daar tegenover staat dan het ‘eigenlijke’ spreken: hoe God echt is. Maar hoe bepaal je of een uitspraak tot de ene of de andere categorie behoort? Het gaat ongeveer zo: als God zegt: “Het berouwt mij dat ik Saul tot koning heb aangesteld”, dan is dat antropomorf: alsof God spijt kan hebben zoals een mens. Maar als er staat: “God is geen mens, geen mensenkind, dat hem iets berouwen zou”, dan is dat ‘eigenlijk’, ‘strikt genomen’ (Latijn: ‘stricto sensu’). Wij zouden moeten voortschrijden naar een meer wetenschappelijke manier van spreken over God. Wat is hier het criterium? Het lijkt erop dat een traditioneel filosofisch Godsbeeld hier een krachtig woordje meespreekt.

Het risico is dat we woorden in de Bijbel tussen hoge komma’s gaan zetten: het staat er wel zo, maar eigenlijk is het niet zo. Er staat wel dat God iets deed met zijn machtige hand, maar eigenlijk heeft hij geen hand. Het gevaar is (wat scherp gezegd) dat de ontwikkelde Bijbellezer als het ware over de tekst van de Bijbel heen God zelf een knipoog meent te kunnen geven: Het staat er wel zo, voor de gewone mensen, maar u en ik, wij weten eigenlijk beter!

Het gevaar dreigt dat God terugwijkt achter zijn woord. Dat is inderdaad een bepaalde traditie geworden in de beschouwing van God: het ‘apofatische’ spreken over God: je kunt eigenlijk alleen maar zeggen hoe hij niet is; men had een voorliefde voor de woorden die met ‘on-‘ beginnen. God is zo groot dat wij hem eigenlijk niet kunnen kennen. We vinden dat in de mystiek en in de Oosters-orthodoxe theologie.

God-vormig

In het vervolg wil ik déze stellingname toelichten:

Om onszelf als evenbeeld van God te verstaan, moeten we bij God beginnen. Wat hij over zichzelf zegt, is (om zo te zeggen) ‘eigenlijk’; bij ons is het afgeleid. Wij weerspiegelen hem, wij zijn een afglans van hem. God grijpt bijvoorbeeld echt in met zijn hand; hij heeft ons, als zijn evenbeeld, geschapen met een menselijke, lichamelijke hand. We mogen onszelf zien als ‘theomorf’: ‘God-vormig’, ‘god-beeldig’. Dat ondervangt problemen van het spreken over antropomorfisme.

Ik pretendeer niet dat deze gedachte origineel is, maar ik wil die verder toepassen en vruchtbaar maken voor ons onderwerp: de mens als beeld van God.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen antropomorfismen, waarin God in de vorm van een mens wordt voorgesteld, en ‘antropopathismen’, waarin God wordt voorgesteld alsof hij menselijke emoties heeft. Nu wij het vergrootglas op het onderwerp leggen, is er aanleiding om meer categorieën te onderscheiden. Ik begin bij de eenvoudigste en ga geleidelijk naar die waarover meer gezegd moet worden. Elk onderdeel geeft eigen mogelijkheden om de ‘godbeeldigheid’ van de mens te belichten.

(1) Lichaamsdelen, organen. Ik noemde al het voorbeeld van Gods hand. Lang niet altijd is het orgaan en zijn vorm in focus; het gaat meestal over de functie. Zo spreken wij ook over ‘handwerk’ en ‘eigenhandig’. God heeft zijn volk verlost “met sterke hand en opgeheven arm” (Deuteronomium 5: 15, in de tweede versie van de Tien Geboden): dat kunnen we opvatten als: ‘met grote kracht’. Maar beeldspraak – zo wordt tegenwoordig weer benadrukt in de literatuurwetenschap – heeft wel een meerwaarde boven de begripsmatige weergave. Een beeld voegt iets toe. Gods ogen gaan rond over heel de aarde (Zacharia 4: 10). Er is zelfs sprake van zijn “ingewanden”; in de vertaling komt dat niet terug: “de liefdevolle barmhartigheid van onze God” (Lukas 1: 78), in het Grieks: Gods ingewanden van barmhartigheid. God “neigt zijn oor”, zei de vertaling 1951; in de NBV is het geworden: Hij luistert (Psalm 116: 2).

Deze God heeft ons naar zijn evenbeeld geschapen: met ogen om goed in de gaten te houden wat er allemaal gebeurt; met armen en handen om in te grijpen, voeten om op te treden, een mond (vergelijk Deuteronomium 8: 3) om te spreken, een hart (vergelijk Hosea 11: 8) zodat we zouden liefhebben. Zo zijn wij toebereid om te “heersen” (Genesis 1). Op die manier zijn wij bedoeld om zijn evenbeeld te zijn!

Zitten

(2) Gestalte, lichaamshouding. God zit op zijn troon. Doorlopend, tot en met het laatste Bijbelboek,  krijgen we hem zo te zien. Weliswaar vaak in visioenen: van Jesaja, Ezechiël, Daniël en Johannes. Maar het valt op hoe duidelijk en consequent deze voorstellingen zijn. Er is een zekere terughoudendheid, waaruit blijkt dat het niet zomaar over een mens gaat. Maar de gestalte die we te zien krijgen is duidelijk eerder menselijk dan iets anders. En als God absoluut niet gewild zou hebben dat we hem ons zo zouden voorstellen, dan zou hij zich niet zo indringend zo geopenbaard hebben. Hebben wij niet, als wij ‘naar de troon der genade gaan’ (Hebreeën 4: 16), onze Vader zo voor ogen? En, al liggen wij dan diep geknield (?), het helpt ons om daarna rustig te zitten. De Koning zit, majesteitelijk. In de onderkoning kun je dat herkennen.

(3) Daden. We hebben het daar al over gehad toen het over de hand en de arm ging. Dit is een duidelijk voorbeeld van de stelling dat we moeilijk een grens kunnen trekken tussen beschrijvende, feitelijke taal en beeldende, ‘antropomorfe’ taal. God leidde zijn volk uit Egypte – die openbaring heeft David voor ogen als hij in Psalm 18 tekent: “Hij bood hulp (NV ’51: reikte) van omhoog, greep mij vast / en trok mij op uit de woeste wateren, / ontrukte mij aan mijn machtige vijand”. Is dit menselijk spreken, of vertoont God hier (impliciet) een voorbeeld voor ons?

Uniek

(4) Eigenschappen. De theologie begon vaak met een bespreking van Gods eigenschappen; soms sprak men liever van zijn deugden of volkomenheden. In een vorig artikel kwamen we al in aanraking met het onderscheid tussen de ‘mededeelbare en onmededeelbare eigenschappen’ van God. De theologie was geneigd te beginnen met die eigenschappen van God die niet aan de mens ‘meegedeeld’ konden worden, waarin God absoluut verschilt van de mens: zijn onafhankelijk bestaan, onveranderlijkheid, onmetelijkheid (je hoort nog de echo van de wiskundige benadering die de filosofie kenmerkte bijvoorbeeld bij Thales en Aristoteles!), eeuwigheid, alomtegenwoordigheid en uniciteit. Tegenwoordig is die onderscheiding overigens niet meer gangbaar.

Eigenlijk is het een vreemd spraakgebruik. Als God een schepsel wil maken als zijn evenbeeld, zijn er dan eigenschappen van hem die hij niet zou kunnen ‘meedelen’, meegeven? Zou iets voor de Here te wonderlijk zijn? Hij is uniek – de mens is een uniek schepsel en ieder mens is uniek. Hij is onveranderlijk – hij geeft het aan mensen om stabiel, evenwichtig te zijn, zich niet uit het lood te laten brengen. Hij is eeuwig; hij geeft ons eeuwig leven (wat wij van oorsprong niet hadden).

God heeft heerlijkheid (Hebreeuws: ‘kabod’, gewicht), uitstraling; NBV: majesteit – de mens heeft uitstraling. Een mens kan, alleen al door z’n verschijning, gezag inboezemen.

God is alomtegenwoordig – hij geeft het aan ons om verschillende situaties tegelijk in de gaten te houden en in onze overwegingen mee te nemen. Paulus kan in de geest ergens anders zijn (1 Korinte 5: 3v, Kolossenzen 2: 5). Het is niet hetzelfde; dat is altijd zo: er blijft oneindig groot verschil tussen God en mens, Schepper en schepsel. Maar als we bij God beginnen, kunnen we, gelovig en nederig, zijn evenbeeld in ons proberen te herkennen. Want zo heeft hij ons bedoeld.

God is volkomen wijs – hij geeft ons wijsheid. Hij is niet in het heel groot wat wij in het klein zijn; geen superlatief van ons. We moeten de omgekeerde route bewandelen, bij hem beginnen; dat werkt wel: als we zijn wijsheid bewonderen en ons daaraan toevertrouwen, dan zullen wij ook wijs zijn.

Genadig

(5) Attitude. “Genadig en liefdevol is de HEER, / hij blijft geduldig en groot is zijn trouw” (Psalm 145: 8). Als de Bijbel spreekt over hoe God is, dan legt hij meestal de nadruk op die eigenschappen die attitudes aanduiden: basishoudingen, die als het ware de overgang vormen tussen eigenschappen en daden, eigenschappen en emoties; basishoudingen naar ons, mensen, toe, die in de geschiedenis hebben geleid en telkens weer leiden tot daden van hem, en dan ook verwachtingen scheppen! Het behoeft geen betoog dat de Bijbel ons, mensen, deze attitudes doorlopend aanbeveelt. Zo zullen we kinderen zijn van onze Vader in de hemel (Mattheüs 5: 45, 48)!

(6) Emotie. God is barmhartig: dat is een attitude, maar het impliceert medelijden. Hoe vaak lezen we niet dat de HEER medelijden kreeg. Maar we lezen ook vaak dat hij ontstak in woede (NV ’51: de toorn des HEREN ontbrandde). “Mijn hart wordt verscheurd, / door barmhartigheid word ik bewogen” (Hosea 11: 8): boosheid en medelijden strijden in Gods hart. “Hij kreeg er spijt van dat hij mensen had gemaakt en voelde zich diep gekwetst” (Genesis 6: 6). “Ik betreur het dat ik Saul koning heb gemaakt” (1 Samuël 15: 11).

Gevoelens zijn daden, inwendige daden: reacties op een bepaalde situatie. Gevoelens zijn tijdelijk; net als alle daden vinden ze plaats op een bepaald moment in de geschiedenis. Alleen om deze reden al kan men niet spreken van een eeuwige toorn in God. Boosheid is een emotie, anders dan liefde: dat laatste impliceert ook emotie, maar het omvat veel meer; het is ook een attitude; het is niet slechts tijdelijk; liefde impliceert trouw. “Zijn woede duurt een oogwenk, / zijn liefde een leven lang” (Psalm 30; vergelijk Psalm 103). Is dat niet het voorbeeld voor ons? Je mag boos worden, daar kan een goede reden voor zijn. – Ten onrechte waren we geneigd bij God, in onderscheid van mensen, het woord boosheid te vermijden en van toorn te spreken; het is hetzelfde. De NBV heeft dat hersteld. – Maar je moet je boosheid beheersen, en op tijd weer laten zakken: “Als u boos wordt, zondig dan niet: laat de zon niet ondergaan over uw boosheid” (Efeze 4: 25; al gauw volgt: “Vergeef elkaar”).

Onderkoeld

Men heeft wel vaak geaarzeld om God emoties toe te schrijven. Men vond dat te menselijk. Het is nog niet zo lang geleden dat ik bij een jonge theoloog las dat God geen gevoelens heeft. Zou het er misschien ook mee te maken hebben dat theologen, althans bij het theologiseren, vaak emotioneel wat onderkoeld zijn? Vond men dat je boven je emoties behoort te staan? Vond men het niet chic? Uit reactie tegen het overweldigd worden door gevoelens en ze de vrije loop laten? Omdat het moeilijk is om ermee om te gaan? Schaamde men zich ervoor? En… heeft men dergelijke gedachten en gevoelens op God geprojecteerd?

Ongetwijfeld heeft het filosofische godsbeeld een rol gespeeld. Emoties vond men in strijd met de onveranderlijkheid van God. Vandaar dat ik begon, ter verheldering, met: gevoelens zijn daden. Niemand zal God daden ontzeggen. Het is wel zinvol dat men bestreden heeft dat er affecten in God zijn. Dat zou betekenen dat God bewogen kan worden door factoren van buitenaf die hij niet in de hand heeft. Dat is menselijk: wij zijn, vanaf de schepping, in een situatie geplaatst die wij niet in de hand hebben. Dat op God te projecteren zou in strijd zijn met Gods almacht, zijn soevereiniteit. Dan zouden wij niet altijd op hem kunnen rekenen. Maar er zijn wel emoties in God. Hij is de levende. Hij laat zich bewegen, en dan wordt hij ook bewogen.

In onze tijd, waarin het gevoel zo centraal staat, is het bijzonder belangrijk om over Gods gevoelens te spreken. Daar geeft de bijbel overvloedig aanleiding voor. En dan is er heel wat meer te zeggen dan ‘liefde’; het is veel veelkleuriger. Zo kunnen we beter God als de levende zien, en aanvoelen. En in dat licht onszelf verder leren kennen.

In ons midden

(7) Spreken en communicatie. Je zou het ook als een antropomorfisme kunnen beschouwen als gezegd wordt dat God spreekt. Heeft hij een mond? Stembanden, waarmee hij geluidsgolven in trilling brengt? Toch denk ik dat niemand van ons zo ver zou willen gaan. God spreekt echt. Meer in het algemeen: hij communiceert met ons. Hij is met zijn levende woord in ons midden. Hij spreekt ons aan, nu. Hij luistert ook naar ons en reageert daarop. Hij doet wat hij zegt. Daar is hij nu mee bezig.

Toch heeft dat vergaande consequenties, juist in onze tijd. Communicatie is een modebegrip. Communicatie werd bijna vergoddelijkt; het stond soms bijna gelijk aan verlossing: als je maar met elkaar communiceert, zal het goed gaan in je samenleven; patiënten zullen erdoor genezen. Communicatie kon tot religieuze ervaring leiden. Maar daarbij werd God nooit rechtstreeks als partner in de communicatie gezien, die zijn eigen zienswijze inbrengt, zijn eigen gevoelens heeft en uit. Hij kon alleen indirect aanwezig zijn, door middel van de inbreng van mensen.

Helder

Een ander onderwerp dat volop in de belangstelling staat is hermeneutiek. Hier bestaat het risico dat Bijbellezen wordt versmald tot het interpreteren van teksten uit een ver verleden, met alle culturele en persoonlijke ruis die daarbij kan optreden. Het is iets anders als we in de Bijbel, hoe oud ook, de levende stem van God horen waarmee hij ook vandaag nog tot ons spreekt.

Vaak wordt de Bijbel aangeduid als ‘Gods woord in mensentaal’. De suggestie die daarin besloten ligt is dat de Bijbel hoogstens Gods woord kan zijn in een aan het menselijk niveau aangepaste en daardoor gecodeerde en versluierde vorm, alleen al omdat die in talen en ‘talen’ (begripskaders) van mensen tot ons komt. Het is waar dat taal tot de geschapen, aardse werkelijkheid behoort, en bovendien voortdurend door mensen wordt (om-)gevormd. Bovendien kennen we de ervaring dat de taal ontoereikend lijkt om precies uit te drukken wat we bedoelen. Zou dat voor God ook zo zijn?

Zou het niet Gods eigen taal zijn, waarin hij tot mensen gesproken heeft en nog steeds tot ons spreekt? In de zin dat hij in staat was adequaat uit te drukken wat hij wilde zeggen en dat ook inderdaad heeft gedaan? Ligt er een antropomorfe sluier over het woord van God of is het zijn duidelijke openbaring die een helder licht verspreidt?

Kunnen wij in ons spreken ook het evenbeeld van God in ons herkennen? “Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee” (Mattheüs 5: 37). “Spreekt iemand, laten het woorden zijn als van God” (1 Petrus 4: 11, vertaling NV ’51).

Oer-Vader

(8) Namen, persoonstitels. Deze lijst pretendeert niet volledig te zijn, maar het is passend om af te sluiten met Gods naam: Vader. Ook hier zijn redenen aanwezig om van een antropomorfisme te spreken. Het is duidelijk een term uit onze primaire menselijke belevingswereld. God verbindt aan zijn naam Vader menselijke beelden: “…Die Efraïm leerde lopen / en hem op mijn arm nam” (Hosea 11: 3). Laten we proberen enig begrip op te brengen voor de moslims, die ervoor terugdeinzen om God Vader te noemen.

Toch zullen we zelf niet zo ver willen gaan. God is Vader; hij in de allereerste plaats; hij is de ‘oer-Vader’ (ongetwijfeld is er tegen die uitdrukking wel iets in te brengen, maar in argeloos spraakgebruik wil ik me die niet laten ontnemen). Al van de schepping af! Hij is de vader “van elke gemeenschap in de hemelsferen en op aarde” (Efeze 3: 15; NV ’51 “naar wie alle geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt”; Grieks: pater – patria). Naar zijn evenbeeld kunnen mensen op aarde vader zijn – in zekere zin misschien wel het hoogste ambt. Achter hen staat hij. Dat is actueel in een wereld waarin het vaderschap is uitgehold tot verwekkerschap, of vaders weinig aan hun kinderen mee te geven hebben.

4.  HET BEELD VAN GOD ONTMOETEN

Wat betekent het als we zeggen dat de mens het evenbeeld van God is? Om die vraag te beantwoorden moeten we bij God beginnen. Als we hem kennen, zullen we ook onszelf kennen. Naarmate we groeien in kennis van hem, zullen we ook onszelf steeds meer leren kennen.

Dat heeft Calvijn al gezegd. Dat is niet alleen een kwestie van theorie; van theologiseren, van dogmatiek. Het gaat om een geestelijke houding.

De mens is het evenbeeld van God, dat betekent een afspiegeling, een afstraling, een afglans. Als wij Gods gelaat zien, het straalt ons toe, en wij kijken naar hem, dan gaan wij die glans weerkaatsen; wij gaan ook stralen. Zo wordt het geschilderd in 2 Korinte 3 en 4. In het Oude Testament gebeurde dat met Mozes, toen hij bij God op de berg was en daarna weer beneden kwam bij de Israëlieten. Nu gebeurt het met ons – zegt Paulus –, nu de glans van God in Christus naar ons toe straalt. Het gebeurt door het woord van God: de apostolische prediking straalt de glans van Christus uit.

Op elkaar gaan lijken

Zo gezien is het evenbeeld van God is niet iets statisch, zoals een beeldhouwwerk of een schilderij. Gods beeld vertonen is een dynamisch proces. Er gebeurt zoiets als men vaak signaleert bij een ouder echtpaar: doordat ze in een lang leven met elkaar gewend zijn om dingen te zien door elkaars ogen, dingen op dezelfde manier benaderen, samen dingen verwerken en blijdschap en zorgen delen, gaan ze op elkaar lijken, in hun gezicht, hun blik, hun uitstraling.

Als wij God zien zitten op zijn troon, dan geeft ons dat rust en stabiliteit. Als wij zien hoe hij zorgzaam zijn zon laat opgaan en het laat regenen over alle mensen, rechtvaardig of slecht, zijn schepselen hoort roepen om voedsel en het ze geeft, dan worden wij ook zorgzaam. Als wij zien hoe hij, in de loop van de bijbelse geschiedenis, medelijden heeft met zijn volk en het verlost, zullen wij ook barmhartig zijn. Als wij zien hoe Christus zich overgaf om ons te vergeven, zullen wij ook onze naaste liefhebben en vergevingsgezind zijn. Wij zullen (opnieuw) het evenbeeld van God worden, zijn beeld gaan vertonen. Daarin zijn we dus met onze hele persoon betrokken.

Blijven kijken

Zo zullen we dan ook onze medemens gaan zien: in het licht van God, zoals we hem uit zijn woord hebben leren kennen. Waar een niet-gelovige waarnemer alleen maar een bekwame ondernemer ziet die een verstandig HR-beleid voert (‘human resources management’, het beheren van menselijk kapitaal), zullen wij iemand zien die voor zijn deel regeert over Gods wereld en hart heeft voor zijn mensen. En zo zullen we hem dan ook behandelen: als een schepsel van God, door hem als zijn evenbeeld gemaakt. Als we zien dat er aan dat evenbeeld van God veel mankeert, zullen we hem helpen om dat weer meer te worden, meer te gaan vertonen.

Zo zullen we dan ook onszelf zien en behandelen. Als we de liefde van de Heer hebben aangenomen, zullen we zorgvuldig met onszelf omgaan.

Dit gaat dus alleen goed in een voortdurend proces van naar God blijven kijken; gelovig Bijbellezen. Daarin zien we niet alleen God zelf, maar ook mensen optreden. Ook daardoor worden we gevoelig voor wat evenbeeld van God is en wat niet. De mens David was het evenbeeld van God, bijna doorlopend. Waar we in het verleden vaak op zoek waren naar ‘typen van Christus’ in het Oude Testament – het wordt nog steeds gedaan –, zouden we net zo goed de ‘bijbelheiligen’ kunnen bespreken onder het gezichtspunt van hun beeld van God zijn.

Achter de leerstelling

De stelling: de mens is het evenbeeld van God, of: hij is het niet (meer), is in deze benadering niet een objectieve uitspraak. Ik pleit ervoor, dogmatische uitspraken niet zonder meer te beschouwen als objectieve stellingen over de werkelijkheid, die al of niet waar zijn, waar sterker of minder Schriftbewijs en argumenten voor aan te voeren zijn. Er is een dimensie meer. Wat is de status van zo’n uitspraak? Wat voor basishouding vooronderstelt die? Hoe staat iemand die dat zegt in de wereld, of zou die in de wereld moeten staan? In deze zin bespraken we in het tweede artikel de leerstellingen over de mens als beeld van God en over onze verdorvenheid: twee dogma’s in verschillende toonsoorten.

De mens is het evenbeeld van God, of: hij is het niet (meer), is een geloofsuitspraak. Zo’n uitspraak kun je niet alleen maar rationeel of academisch doen. Daar zijn we met hart en ziel bij betrokken. We bewonderen God om zijn schepping. We zijn teleurgesteld over het bederf. We weten ons geroepen om zelf evenbeeld van God te zijn, en zetten ons daarvoor in. We proberen fair te zijn in ons oordeel, rechtvaardig en tegelijk barmhartig. We hebben hoop.

Het is ook niet alleen maar een algemeen oordeel over ‘de mens’, de mensen, vanuit een helikopterperspectief. We spreken over concrete mensen, die we in deze wereld ontmoeten, met wie wij te maken hebben, met wie we samenleven, en over wie het in het nieuws gaat, die wij in de media zien en horen.

Ontmoeten

In deze benadering kunnen we de mensen niet zonder meer indelen in gelovigen en ongelovigen. In de praktijk is dat zeker een zinvolle onderscheiding. We hebben te maken met de gemeente van Christus, waartoe we behoren, en met ‘buitenstaanders’. Maar we kunnen in deze wereld niet alle mensen in een van beide categorieën indelen (er zijn ‘veel wolven binnen, veel schapen buiten’). En het is geen statisch onderscheid, eens en voor altijd. Het Oude Testament spreekt van rechtvaardigen en goddelozen binnen het volk van God. Te vaak is in de theologie alles benaderd vanuit de onderscheiding uitverkorenen – niet uitverkorenen. Dat heeft tot moeizame discussies en aporieën geleid (is er ‘algemene genade’, ja of nee? Wil God eigenlijk wel dat alle mensen behouden worden? Kun je wel in evangelisatie en zending, tegen een gemengd gehoor, zeggen: God heeft u lief? Heeft God de wereld liefgehad, of alleen de zijnen?)

Maar in de praktijk van deze wereld hebben we te maken met sterke en gekneusde mensen, bevoorrechte en verwaarloosde mensen, toegankelijke en gesloten mensen, mensen waar je veel aan hebt en mensen die je hulp nodig hebben, mensen met verantwoordelijkheidsbesef en onmogelijke mensen. We hebben te maken met hartelijk meelevende mensen die later het spoor helemaal bijster kunnen raken, en met buitenstaanders die nog tot geloof kunnen komen. We doorgronden niet wat er omgaat in het hart van deze mens. In het algemeen, en in het bijzonder wat z’n verhouding tot God betreft. We overzien niet z’n verzet, z’n afweer, of z’n liefde, z’n trouw en volharding, of z’n worsteling met z’n Schepper.

Hoe kijken wij?

Ook wat we belijden over de uitverkiezing zijn, zoals in de Dordtse Leerregels duidelijk wordt aangegeven, geloofsuitspraken, die wij doen, op grond van Gods woord, ootmoedig, met blijdschap en tot onze troost. (Zoals mensen die die belijdenis ontkennen en bestrijden, dat evenmin objectief doen.) Weliswaar zijn het uitspraken over categorieën mensen, in het licht van Gods besluit, maar het zijn geen objectieve uitspraken over de concrete mensen die wij tegenkomen en dan in twee soorten zouden verdelen.

Het gaat over de vraag: hoe zien wij mensen? Zien wij ze, moeten wij ze zien, als evenbeeld van God? Die vraag gaat over ons, over onze ogen, over hoe wij kijken (en moeten kijken). En over onze houding, hoe wij mensen benaderen (en moeten benaderen).

De vraag: kun je spreken over de mens als beeld van God zonder zijn verhouding tot God daarbij te betrekken, is dan ook abstract en in z’n algemeenheid moeilijk te beantwoorden. Veel hangt af van de context en het doel van ons betoog. Wij kunnen over de mens als evenbeeld van God alleen spreken vanuit een levende relatie die wíj met God hebben.

Op weg naar de vernieuwing

Verder heb ik er in deze artikelen voor gepleit om de leer over de mens als beeld van God los te maken van de starre koppeling aan de leer over de zonde. Er zijn, na de zondeval, nog zekere gaven van God in de mens overgebleven. Hoezeer die ook worden misbruikt, en onvoldoende zijn om terug te komen bij God in een nieuw leven, dat is geen reden om die gaven van God te minimaliseren,erop af te dingen of ze te belasten met voortdurende ‘maars’.

Dan wordt het mogelijk om in zondige mensen, van wie we niet precies weten hoe ze tegenover God staan, toch nog het beeld van God te zien. En omgekeerd, om mensen als rechtvaardigen te beschouwen ook als we maar weinig van het beeld van God meer in ze zien. Ik denk aan de ene misdadiger aan het kruis; of de biddende tollenaar in de tempel uit het verhaal van Jezus.

In de leer over de mens als beeld van God moeten we niet blijven staan bij schepping en zondeval. We moeten ook het perspectief van de verlossing erin betrekken. Nogmaals, niet alleen voor een bepaalde categorie van individuen. We hebben hoop voor mensen: ze kunnen nog weer (meer) het beeld van God gaan vertonen. God gaat de wereld vernieuwen, en in die vernieuwing kunnen de mensen die wij ontmoeten betrokken zijn of nog worden. We treden mensen open tegemoet.

Waarneming

Op deze manier wordt het mogelijk om onze waarneming te betrekken in ons spreken over het beeld van God. De vraag in het eerste artikel: Kunnen we zeggen dat Henk Middelman in zijn crisis minder het beeld van God vertoonde en na zijn herstel meer, kunnen we bevestigend beantwoorden. Het is verantwoord dat menswetenschappen en de theorie van hulpverlening en zorg het concept van de mens als beeld van God gebruiken – na de zondeval dus, en ook afgedacht van of die mens in Christus gelooft of niet. We mogen in iemand die ons vriendelijk tegemoet treedt en hulpvaardig is, het beeld van God opmerken.

We mogen ook lichamelijke aspecten in het ‘beeld van God’ betrekken. Zoals we zagen wordt wel erkend dat die erbij horen, maar wordt dat weinig uitgewerkt. We bewonderen het beeld van God in een gezond iemand met een veerkrachtige tred en dynamische uitstraling. We mogen het betreuren dat iemand die invalide of in coma of apathisch op bed ligt, zo weinig meer het beeld van God vertoont.

De geloofstaal over de mens als evenbeeld van God komt dichter bij onze praktijk te staan. Wij hebben veel meer vertrouwen in mensen dan op grond van onze belijdenis over de verdorvenheid van de menselijke natuur verantwoord zou zijn. Waar baseren we dat vertrouwen op? We vallen toch niet terug op Adam Smith: we rekenen erop dat onze medemens handelt uit welbegrepen eigenbelang, namelijk dat hij ook in de toekomst weer goede zaken met ons wil doen?

Uiterlijk en innerlijk

Hiermee wil natuurlijk niet gesuggereerd zijn om mensen maar naïef positief te beoordelen, op grond van uiterlijk of eerste indruk. Achter een aantrekkelijk uiterlijk of gedrag kan een bedorven innerlijk schuilgaan (Psalm 41: 7, 55: 21, 62: 4). Zoals we ook omgekeerd in een afzichtelijk lichaam een hart van goud kunnen vinden. Als we dat niet al intuïtief wisten, of als we er toe neigen dat over het hoofd te zien, dan zal de Bijbel ons dat leren.

Toch kunnen we uiterlijk en innerlijk, lichamelijk en geestelijk, lichaam en ziel, niet van elkaar scheiden. De Bijbel wijst ons daar ook op (bijvoorbeeld Spreuken 16: 30; 30: 13). Het evenbeeld van God vinden we niet in het innerlijk en daarnaast ook in het uiterlijk. Beeld van God is de ene mens, met zijn oogopslag en zijn overwegingen, zijn hormonen en zijn stabiliteit. De mens wordt als evenbeeld van God niet minder gecompliceerd. “Wat ik vond is dit: de mens is een eenvoudig schepsel. Zo is hij door God gemaakt [blijkbaar was dat in Predikers tijd voor een verstandig waarnemer toegankelijk], maar hij heeft talloze gedachtespinsels” (Prediker 7: 29). De inzichten van psychologie en andere menswetenschappen en de waarnemingen in de klinische praktijk helpen om het ‘evenbeeld van God’ verder in te vullen.

We moeten dan ook niet het beeld van God voornamelijk in het innerlijk, of in het geestelijke zoeken. Er wordt nog steeds gesproken van ‘de mens als beelddrager Gods’. Alsof het beeld van God iets hogers zou zijn dat van buitenaf bij de mens komt en dat hij dan bij zich of in zich kan hebben. Dat misverstand is voldoende bestreden, maar het spraakgebruik is hardnekkig. De mens is niet beelddrager van God; hij is het beeld van God. Misschien dat, als we gewend raken aan de NBV, die spreekt van het ‘evenbeeld’ van God, dit misverstandwekkende spraakgebruik geleidelijk zal verdwijnen.

Waarderen

De hier voorgestelde benadering maakt het ons mogelijk om de mens als evenbeeld van God te zien en tegemoet te treden zoals we dat spontaan in het gewone gezonde leven doen. Om wat we waarderen ook goed te noemen. Het is niet gezegd dat ons oordeel gemiddeld positiever zal uitvallen. Het kan zijn dat mensen die op het eerste gezicht een prettige indruk maken, tegenvallen als we de hoge norm van het evenbeeld van God aanleggen. Maar we hoeven onze bijbelse visie op de mens niet los te koppelen van onze waarneming en ons oordeel in het dagelijks samenleven. We hoeven ook niet, op grond van onze belijdenis van onze verdorvenheid door de zonde, rond te lopen met een nurkse, pessimistische of cynische mensvisie. Misschien moeten we zelfs ons best doen die indruk te vermijden. Ook als we betreuren dat we het echte evenbeeld van God maar zo zelden tegenkomen, is er, als we toch trekken ervan in onze medemensen herkennen, des te meer reden om blij te zijn. Wie een mens – zuiver – bewondert, eert diens Maker.

Analogie

Het is onvermijdelijk, en ook niet verkeerd, dat ons mensbeeld beïnvloed wordt door het klimaat en de denkwijzen van onze eigen tijd. Zoiets zei ik al in het vorige artikel toen het over de eerste christenen ging; het geldt evengoed voor ons. Maar wie in de ruimte van de kerk van alle eeuwen leeft, zal z’n blik niet laten vernauwen door de waan van de dag. Het evenbeeld van God impliceert een zekere analogie tussen God en mens. Dat hoeven we niet twintigste-eeuws te beperken tot een analogie in functioneren. Ook al kunnen we niet terug naar de naïeve kennisopvatting van de Middeleeuwen, toch hoeven we de ‘zijnsanalogie’ niet bij het afval te zetten.

De hier bepleite benadering zou je, als je een etiket wilt, kunnen aanduiden als een ‘verschijningsanalogie’. Wie het interesseert, kan op de achtergrond zien dat ik geleerd heb van het fenomenologisch denken, dat een krachtige stroming was in mijn vormingsjaren, en van eigentijdse inzichten over hoe de mens, ook met zijn waarnemen, denken en oordelen, in de wereld staat. Ik heb wel geargumenteerd dat deze benadering past bij wat we in de Bijbel lezen over het evenbeeld van God, en een weg wijst door dogmatische probleemstellingen heen.

In omgekeerde richting

Bij God beginnen, hebben we bepleit, en in zijn licht onszelf en onze medemensen kennen. We pasten dat bijvoorbeeld toe op medelijden en op boosheid. Als we die weg blijven volgen, kunnen we soms voorzichtig ook in omgekeerde richting denken: vanuit de mens naar God toe. In het vorige artikel zijn bij het spreken over emoties bij God inzichten verwerkt over wat in het algemeen, bij personen, emoties zijn. Als we nadenken over communicatie tussen God en ons, zijn moderne inzichten over communicatie tussen mensen verhelderend. Nog een voorbeeld: Heeft God humor? Een bekend humorist onder ons heeft daarop afgedongen. Ik denk dat op bijbelse gronden verdedigd kan worden van wel; maar ook: hoe kan God ons met humor geschapen hebben, in onze kijk op apen, struisvogels, ezels, hanen en pauwen, en op mensen, als hij zelf geen humor heeft? Van mens naar God – voorzichtig: als de benadering vanuit God, zoals we hem uit de bijbel kennen, maar de leiding houdt.

In de praktijk werkt het vaak al zo: ook gereformeerden beschouwen mensen van nu als beeld van God. Laat de gereformeerde theologie dat ook doen, maar dan op haar eigen manier – zorgvuldig gefundeerd. Daar heb ik een bijdrage aan willen leveren.

AANTEKENINGEN

Net als vorige keer, over de leer van de erfzonde, geef ik weer in dit blad aantekeningen bij mijn artikelen in De Reformatie over de leer van de mens als het beeld van God (De Reformatie …). Deze keer volg ik de vier artikelen niet op de voet, maar orden de notities meer thematisch.

Over God

De leer over God is – niet verrassend – van belang voor de leer over zijn beeld. In de dogmatische bespreking, onderverdeeld in hoofdstukken, komt dat niet altijd uit de verf.

De historische gegevens over de leer over God ontleen ik aan  J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, Kampen 1992, p. 126vv. Wat betreft de mededeelbare en onmededeelbare eigenschappen heb ik de indeling gebruikt van L. Berkhof, Systematic Theology, Edinburgh (1958, reprint 2000), p. 57ff. Er zijn ook andere indelingen. Tussen haakjes: in de jaren dat ik in India werkte viel me op hoe de gereformeerde theologie buiten Nederland er anders uitziet dan zoals wij ze hebben leren kennen. Dat geldt niet alleen in de Derde Wereld maar voor de Engelstalige wereld in het algemeen. Het boek van L. Berkhof, dat bij ons als sterk verouderd geldt, wordt nog steeds herdrukt. Je merkt hoe sterk je beïnvloed bent door K. Schilder, en in het buitenland vind je dat zo niet terug. A Kuyper en H. Bavinck, die voor ons oud zijn, worden in de Engelstalige wereld gretig gelezen en bestudeerd. De vertaling van Bavincks vierdelige dogmatiek in het Engels is onlangs gereedgekomen.

Van God naar mens

In de leer over God wordt veelal ook aandacht besteed aan de vraag of en in hoeverre wij mensen hem kunnen kennen, en zo ja hoe. Daarbij komt de vraag aan de orde of God gekend wordt, en kan worden, buiten de bijbel om. Trefwoorden zijn ‘algemene openbaring’, ‘natuurlijke Godskennis’ en ‘aanknopingspunt’. Met name de beide laatste begrippen zijn van belang voor onze visie op de mens.

De exegese van Prof. Van Bruggen over Romeinen 1: 18vv. is te vinden in zijn commentaar Romeinen, Kampen 2006 (CNT), vooral de excurs op p. 251vv.: “God is openbaar in de schepping”. J.H. Bavinck heeft geschreven over het religieus besef bij de ‘natuurlijke mens’ in zijn Religieus besef en christelijk geloof, Kampen 1949. Zie over zijn visie ook P.J. Visser, Bemoeienis en getuigenis, Zoetermeer 1997 (diss.), p. 129vv. Op de achtergrond van mijn uiteenzetting staat de gedachte: als er in de mens nog Godsbesef aanwezig is, dan is dat een element van het beeld van God in de mens.

In het derde artikel, over het ‘antropomorfe’ spreken in de bijbel, sla ik een brug tussen het spreken over God en het spreken over de mens als zijn beeld (‘Beeld van God of mensentaal?’). Over het antropomorfisme volgens K. Schilder zie ook J. de Jong, Accommodatio Dei, Kampen 1990 (diss.).

De opvatting dat God mensvormig is en als zodanig onze Bondgenoot, vinden we bij H. Kuitert, De mensvormigheid Gods. Kampen 1962 (diss.).

Wat houdt het beeld van God (in de mens) in?

Ik heb voor de mens als beeld van God het woord ‘weerspiegeling’ gebruikt. Dat is vaak gedaan. K. Schilder wijst dit af: het is niet specifiek voor de mens; heel de schepping weerspiegelt Gods heerlijkheid. Als dit bezwaar hout zou snijden, zou het ook gelden tegen Hebreeën 1, waar Christus wordt genoemd “de afstraling zijner (n.l. Gods) heerlijkheid” (NV 51). Het een sluit het ander niet uit. Er is sprake van weerspiegeling in verschillende gradatie en zin.

De mens is het beeld van God niet alleen geestelijk, maar ook in z’n lichamelijke verschijning. Schilder vermeldt al dat dit inzicht gangbaar is. F.J. Pop, Bijbelse woorden en hun geheim. 3e druk. ’s-Gravenhage 1972, p. 43: “De hele mens in de totaliteit van zijn verschijning”. “Zoals hij terstond na zijn schepping rechtop op deze aarde staat”. Merkwaardig is dat dat niet méér wordt uitgewerkt. Hebben theologen minder belangstelling voor de buitenkant? Of minder feeling ervoor?

Is de gevallen mens nog het beeld van God?

Het spreken over het beeld van God in ruimer en enger zin was in de gereformeerde theologie gangbaar. We vinden het nog, uitvoerig, bij A.A. Hoekema, Created in Gods Image, Grand Rapids 1986, p. 68ff. Hier krijgt men ook een indruk van hoe gecompliceerd en verwarrend deze onderscheiding werkt, waardoor ze weinig overtuigt. Ooit heb ik het als tentamenstof aan m’n studenten opgegeven, maar ik kon het zelf ook niet op een rijtje houden.

De bedoeling van de onderscheiding is duidelijk, namelijk om een probleem op te lossen. De mens heeft aan de ene kant z’n gerechtigheid en heiligheid verloren, de uitnemende geestelijke gaven waarmee hij begiftigd was, maar is aan de andere kant wel mens gebleven. De manier waarop K. Schilder dit oplost is niet overtuigend. Hij vat in feite de uitdrukking in Genesis 1 zo op alsof er staat dat de mens gemaakt is tot Gods beeld, om (van meet af aan) Gods beeld te zijn. Maar er staat: als Gods (even-)beeld.

W.H. Velema, in Van Genderen en Velema, a.w. (het hoofdstuk over de mens is van de hand van Velema), komt er ook niet uit: de mens is mens gebleven, maar “in een negatieve modus” (p. 304). Dit doet denken aan het ‘wanbeeld’ bij Van der Zee, dat Schilder op scherpe, soms ironische toon aan de kant schuift. Dat is voor mij niet het laatste woord. Ik wil maar zeggen dat Velema’s oplossing niet nieuw is. Wat zwaarder weegt: ik kan me er niets bij voorstellen; ik weet niet wat het meer is dan een woordenspel.

J. Kamphuis, Uit verlies winst, Barneveld 1985, sluit zich aan bij de gereformeerde traditie dat de gevallen mens niet meer het beeld van God is. Hij keert zich daarmee tegen de opvatting dat het beeld van God onverliesbaar is. Ik zou zeggen: tussen deze twee uitersten zit nog heel veel in. Kamphuis schrijft: De scherven zijn scherven van de oorspronkelijke spiegel; maar we moeten niet uit scherven een spiegel bijeen fantaseren. Het beeld herinnert aan de gedachte dat de mens als beeld van God een weerspiegeling van God is. Ik zou zeggen: een scherf weerspiegelt nog wel. Vooral als de oorspronkelijke lichtbron sterk is. Het beeld van God, hoe gebroken ook veelal, is nog wel in mensen herkenbaar.

Christus en herstel

Christus is het beeld van God. In de artikelen heb ik er maar even op gezinspeeld omdat meer niet nodig was voor het betoog, maar aan hem zullen we ons telkens opnieuw moeten oriënteren voor deze leer. Hij is het, geestelijk en lichamelijk.

Door hem worden we hersteld, naar het beeld van God, (of) naar zijn beeld, dat van Christus. Het is klassiek om te verwijzen – ik heb dat ook gedaan – naar de twee nieuwtestamentische plaatsen waar sprake is van gerechtigheid, heiligheid en kennis, en van daaruit ook het beeld van God bij de schepping in te vullen.

Bedacht dient te worden dat zo’n vermelding, of opsomming – gerechtigheid en heiligheid – niet uitputtend of limitatief bedoeld is. De beide termen, die elkaar in ieder geval ten dele overlappen, zijn niet bedoeld als een schematisch totaaloverzicht voor een leer over de mens. Ze zeggen ook niet dat andere aspecten van het mens-zijn buiten het beeld van God vallen.

Evenmin is geïmpliceerd dat buiten het herstel in Christus (praktisch) niets meer van het beeld van God te vinden is. Psalm 8 is wel vervuld in Christus (Hebr. 2: 6-9), hij is het brandpunt ervan, maar de psalm maar is toch algemeen gesteld en beperkt zich niet tot de kinderen van God.

Als we zeggen dat er in de wereld nog veel van het beeld van God over is, is dat geen tendens naar heilsuniversalisme en relativeert het niet de noodzaak van verlossing en herstel door Christus. Veeleer roept het om dat herstel: wat zou het zonde zijn als al dat moois in de wereld, ook in mensen, verspild werd en verloren ging!

We krijgen bij onze benadering ruimte om buiten Christus veel goeds in mensen te erkennen, bijvoorbeeld in de jood Natanaël, maar ook in de niet-joden Cornelius (vgl. P.H.R. van Houwelingen, Johannes, Kampen 1997, p. 102, op Joh. 3: 21) en de landvoogd van Cyprus Sergius Paulus, “een verstandig man” (Hand. 13: 7).

Overigens kunnen we bij het beeld van God in mensen in de bijbel ook denken aan de ‘man Gods’ (heel vaak in het Oude Testament) en de ‘mens van God’ (2 Tim. 3: 17).

God en wereld

Teveel alles vanuit de uitverkiezing benaderen is bekend als de zwakheid van het zogenaamde ‘ultra-calvinisme’, waaraan ook A. Kuyper zich niet geheel heeft ontworsteld. Het doet zich echter m.i. ook in breder verband voor. In de context van deze bespreking is relevant de discussie over de zgn. ‘algemene genade’. De vraagstelling: is er ook genade voor verworpenen?, gaat uit van de voorstelling dat genade er met name, en in principe, voor de uitverkorenen is. Het probleemveld als geheel kan hier niet besproken worden. Het lijkt me echter niet juist om Gods genade bij voorbaat te beperken tot individuen. Ik heb in de Reformatie-artikelen enkele teksten aangehaald waarbij God barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid wordt genoemd, en goed voor al zijn schepselen. Is het niet wat gezocht om van al deze deugden er één, namelijk genade, uit te zonderen als alleen de uitverkorenen ten goede komend? Als mensen bestemd zijn om uiteindelijk verloren te gaan, impliceert dat dan dat God nooit de spons, of de delete-knop, hanteert met betrekking tot hun zonden? De ‘zuinigheid’ waar dat toe leidt zien we bijvoorbeeld in Schilders bespreking van Jezus’ kruiswoord “Vader, vergeef het hun…” (Lukas 23: 34; Christus in zijn lijden, I[II], 2e druk, Kampen 1952, p. 109vv): het wordt bij hem: Stel het oordeel over hen uit. J. Douma heeft in zijn dissertatie Algemene genade (diss.), Goes 1966, stellig, maar ook voorzichtig, op grond van enkele Bijbelplaatsen, verdedigd dat er ‘algemene genade’ is. (Reeds daarvoor was in het toenmalige Kampen enige moed nodig.) Maar de vraagstelling kan breder getrokken worden. Wanneer het gaat over tweeërlei bestemming, veroordeling en vernieuwing, moet niet alleen gedacht worden aan twee categorieën individuen, maar aan de wereld, Gods wereld, de schepping. Hiermee komen we bij het volgende onderdeel.

Hoop (verkondiging en eschatologie)

We moeten “naar de mensen toe”, schrijft J. Kamphuis in de inleiding van zijn genoemd werk (p. 6). Hij bepleit een eschatologisch uitzicht voor het beeld van God: ‘Het komende koninkrijk’ (ondertitel). Het heeft “kosmische dimensies” (p. 53). Daarbij sluit ik me van harte aan. Alleen zou ik het wat anders willen uitwerken: die vernieuwing gaat in deze bedeling niet alleen over het spoor van de gelovigen (of uitverkorenen). Het gaat ook over wat zij in deze wereld aan goeds waarnemen, genieten en waar ze  de vruchten van plukken, ook waar het betreft goede dingen in andere mensen.

Dat is een motief voor een open houding naar die andere mensen toe. Een open houding, die bijdraagt aan een klimaat waarin verkondiging mogelijk is, maar dan zo breed mogelijk: ook duiding, toepassing, het bijdragen tot de verdere hervorming van anderen naar het beeld van God. Impliciet zegt de christelijke hulpverlener tegen Henk Middelman uit de casus: Zo word je meer het beeld van God. En hij hoopt dat de ogen van zijn cliënt zullen opengaan.

Ten onrechte zouden we uit de leer van de uitverkiezing deze conclusie trekken: de wereld wordt geoordeeld, individuen worden gered. Oordeel is algemeen, verlossing is uitzondering. Het is eerder zo: individuen sterven, de mensheid keert weer tot stof, de aarde vergaat (met de hemel): individueel, algemeen-menselijk en kosmisch. God heeft de wereld liefgehad, niet alleen individuen. Individuen worden gered, én de schepping zal bevrijd worden (Rom. 8). Daartoe behoort ook de structuur van het menselijk bestaan, de humaniteit, het beeld van God. Alleen: het genieten daarvan is voorbehouden aan degenen die in Christus zijn. Ik verwacht niet dat we Plato op de nieuwe aarde zullen ontmoeten, maar wel typisch platonische denk- en verbeeldingskracht. Niet Gandhi, maar wel Gandhi’s rechtvaardigheid, menselijkheid, integriteit en toewijding.

[i] J. Douma.

[ii] Dit was de politieke visie van het Gereformeerd Politiek Verbond, waaraan vooral de naam van A.J. Verbrugh verbonden is.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *