De Heer van de machten dienen

De Heer van de machten dienen
Christelijke politiek: minder theoretiseren, meer christelijke pragmatiek

Op zeker moment kregen christenen in de wereld macht. Niet alleen hadden ze dat niet voorzien, het leek wel alsof het Nieuwe Testament dat ook niet voorzien had. Ze gingen nadenken: wat moeten we met deze nieuwe realiteit? In theorie en praktijk. En, trouw aan hun principes, probeerden ze de Bijbel daarbij als richtsnoer te nemen. Dit denkproces, deze discussie, gaat door tot op vandaag; we zijn er nog niet uit. Recente bijdragen van Ad de Bruijne, die in de lijn van eerder werk van hem verder gaan, hebben de discussie opnieuw doen oplaaien.

Bevrijding

Een van de begrippen die in de discussie een rol speelt, is ‘aeon’: er wordt onderscheid gemaakt tussen deze aeon, waarin we nu leven, en de nieuwe, toekomstige, na de jongste dag. In ouder en gewoner spraakgebruik: deze wereld en de toekomstige wereld. Dat onderscheid is heel reëel; het is bijbels. Maar het is niet absoluut. Over beide regeert God in Christus. In de huidige werkt hij toe naar de toekomstige. Deze wereld gaat niet alleen voorbij; de schepping zal zelf bevrijd worden en zucht daar nu verlangend naar (Romeinen 8). We moeten ook in rekening brengen dat ‘de wereld’ in het Nieuwe Testament vaak betekent: de zondige wereld. Die gaat voorbij, maar de geschapen wereld maakt God nieuw.
Een ander sleutelbegrip is ‘koninkrijk van God’. Gezegd wordt: het koninkrijk van God is nu alleen in de hemel; wat de aarde betreft is het een zaak van de toekomst. Ook deze tegenstelling lijkt me te absoluut. Christus is koning; hij regeert; nu al. Hij heeft alle macht in hemel en op aarde. “Hoog boven alle hemelse vorsten en heersers, alle machten en krachten en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld maar ook in de toekomstige” (Efeze 1: 21). Vergelijk (Kolossenzen 1: 16): “…Alles …in de hemel en alles op aarde, het zichtbare en het onzichtbare, vorsten en heersers, machten en krachten” ; wij zouden eraan toevoegen – en dat kan – hetzij engelenmachten, hetzij aardse machten.

De kerk in de geschapen werkelijkheid

Er worden nog meer onderscheidingen in de begripsvorming gebruikt die mijns inziens te strak zijn. Er wordt bijvoorbeeld met nadruk gesteld dat de kerk niet bij deze geschapen werkelijkheid hoort, maar bij het toekomstige, komende, koninkrijk van God. Dat onderscheid heeft wel zin; de intentie van de schrijvers verdient honorering. Maar hier wordt de geschapen werkelijkheid te star opgevat. De geschapen werkelijkheid heeft een geschiedenis, tot op vandaag en in de toekomst. Die is niet meer hetzelfde als voor de zondeval. Het is de wereld waarover God nu regeert. In die wereld heeft de kerk een plaats; zeker, een unieke plaats, maar toch, ze is met al haar vezels in deze wereld, en kan wat dat betreft in talloze opzichten met andere aardse gemeenschappen worden vergeleken. De geschapen werkelijkheid zal verlost worden, zagen we, en de kerk is de verzameling van de kinderen van God, de burgers van het koninkrijk, die als beeld van God in die wereld zullen staan, als Adam en Eva destijds. Daar ziet de schepping reikhalzend naar uit (Romeinen 8).

De overheid

Iets dergelijks geldt van de overheid. De Bruijne verwijst veel naar O’Donovan, over wie zijn proefschrift gaat. Deze komt ervoor op dat de overheid uniek is. Dat is ongetwijfeld zo, maar – als ik even met het woord mag spelen – daarin is de overheid niet uniek. Het gezin is ook uniek. God is Koning; hij is ook Vader. Het is zinvol om je voor te stellen dat het overheidsgezag zich ontwikkeld heeft uit het vaderlijk gezag, dat van de ‘pater familias’. Een overheid met een vaderlijke houding, kwaliteiten en optreden waarderen we vaak. De school, het bedrijf en de vereniging zijn wat minder uniek, maar toch hebben die ook weer heel eigen karaktertrekken die niet uitwisselbaar zijn met andere gemeenschappen.
Het unieke van de overheid zou zijn dat haar terrein dat van ‘rechtzettende oordelen’ is. Maar daarin is de overheid niet uniek. Iedereen die gezag draagt, of het nu ouders zijn, een kerkenraad of een gemeenteraad, een leraar in de klas of de directeur van een bedrijf, moet rechtzettende oordelen vellen. Ook al is een gemeenschap of een orgaan uniek, dat betekent nog niet dat zo’n groep niet met andere vergeleken kan worden.

Christus en de overheden

Nu zegt De Bruijne – en in dit beperkte opzicht sluit hij zich aan bij de doperse traditie, maar evengoed bij de allerminst doperse O’Donovan: de aardse overheden behoren typisch bij deze aeon; ze zijn voorlopig. Straks, als het koninkrijk van God ook op aarde komt, moeten die overheden hun macht afstaan aan Christus.
Dat is betrekkelijk. De macht van Christus en die van aardse overheden staan niet per definitie in spanning met elkaar. We denken terug aan Efeze 1 en Kolossenzen 1. Christus is koning niet alleen in scherp onderscheid van aardse koningen, of er tegenover of in concurrentie ermee, maar er boven. Vooral laatstgenoemd hoofdstuk legt een nauw verband tussen schepping en verlossing, en tussen de wereld (‘alles’) en de gemeente, en dat verband ligt in Christus.
Straks zal niet alleen Christus koning zijn, maar wij zullen allemaal als koningen heersen; onder hem, uiteraard. En nu – en daar gaat het nu om – kan een overheid zich ook aan Christus onderwerpen; net zo goed als een huisvader of de directeur van een fabriek. En daarbij maakt het in principe niet uit of het om een persoon gaat, bijvoorbeeld keizer Constantijn, of om bijvoorbeeld een driemanschap of een grotere overheid. En als dat doorwerkt, kan het tot een christelijke staat komen, zoals de geschiedenis leert, al vertoont die nooit een ‘reincultuur’. Een christelijke staat is net zo goed mogelijk als een christelijk gezin of een christelijke organisatie.
Willen wij de plaats van de kerk in de wereld bepalen, dan moeten we niet uitgaan van de wereld, deze tijdelijke werkelijkheid, als het meest fundamentele oriëntatiepunt. Het meest fundamentele oriëntatiepunt is God, Vader en Zoon, de Heer en zijn wereld en wat hij daarmee bezig is te doen.
Van daaruit gezien is de kerk in de wereld niet marginaal, maar centraal. Christus is het hoofd boven alles, en de kerk is zijn lichaam. Zij is ‘het domein van hem die alles in allen domineert’ (Efeze 1: 23; de vertaling van de woordspeling is van H. Berkhof). Zij looft haar Heer samen met heel de schepping (Openbaring 4). De goddelozen zijn zo weg, maar de rechtvaardigen zullen de aarde bezitten en blijvende vrede (Psalm 37). Nu, tijdelijk, zijn we als christenen hier vreemdelingen; maar we zijn de nieuwe mensheid.

Goed doen

En dan nu van de plaatsbepaling naar de ethiek. Wat moeten we als christenen in de wereld doen? Ik zou daarvoor het uitgangspunt willen nemen in de eerste brief van Petrus: goed doen. De meest fundamentele tegenstelling in deze wereld is niet die tussen deze en de toekomstige wereld, of tussen de kerk en de staat. De meest fundamentele tegenstelling is die tussen goed en kwaad. Tussen wat God goed vindt en wat hij wil, en wat niet.
De basisvraag is ook niet: wat moet de kerk doen en wat de politiek? Daaraan vooraf gaat de meer algemene vraag wat wij als christenen in de wereld moeten doen. De basisvraag is ook niet of we daarbij meer of minder bescheiden of terughoudend moeten zijn.  Ieder heeft z’n eigen roeping. De kerk moet Gods woord verkondigen, vrij, onverveerd. Zij moet niet op de stoel van de politicus gaan zitten. Ze moet op haar hoede zijn voor bindingen die haar profetenmond bezoedelen. Ze moet oog hebben voor de specifieke moeite en gevaren van het politieke ambacht.
En aan de andere kant: als een christen zich geroepen ziet tot een politieke functie, dan moet hij dat werk met overgave doen, en proberen zo veel mogelijk te bereiken van wat naar zijn christelijke overtuiging goed is voor de samenleving. Weliswaar raakt hij dan in de krochten van het machtsspel en zal hij moeilijke afwegingen moeten maken, en dan zullen zijn medechristenen wel eens hun wenkbrauwen fronsen; maar hij moet in dat eerbaar christelijk beroep naar zijn eigen zuiver christelijk inzicht zo professioneel mogelijk in handelen.

De stijl van Christus

De vraag doemt dan op: wat als christenen veel macht krijgen? Mag je dan, en moet je dan, de wet van God aan niet-christenen opleggen? Dat is de discussie tussen theocratie en pluraliteit (of tolerantie, of verdraagzaamheid).
Ook hier is begripsmatige verheldering nodig. We zijn geneigd strak te onderscheiden tussen de kerk, die alleen moet prediken en zich verre moet houden van machtsuitoefening, en aan de andere kant de overheid, die het zwaard draagt.
Is die tegenstelling wel zo groot? Zeker, kerk en overheid beschikken in hun ambt over heel verschillende middelen. Toch is er ook een overeenkomst: kerk en politiek moeten uitgaan van de stijl van Gods koningschap, van zijn regering. Dat is de stijl van Christus.
Dat is niet, aan de ene kant: rücksichtslos wetten opleggen en die met dwang handhaven. Zodra je de helft plus één hebt in een democratie, alle zwembaden op zondag sluiten. Dat is ook niet, aan de andere kant: alleen maar verkondigen en de reactie helemaal in de vrijheid van de hoorders laten. Wie niet horen wil naar: “God redt ons leven, dus pleeg geen moord”, moet voelen.

Invloed uitoefenen

Christus regeert met zijn evangelie. De boodschap dat hij, die zich vernederde, Heer is. Evangelie met daaruit voortvloeiend – en nooit los daarvan – een wet.
Hij is erop uit, mensen te overtuigen. Nog algemener gezegd: mensen te beïnvloeden. In dat ambt komen de kerk en de staat overeen. De politiek moet mensen overtuigen: deze kant moet het op, met jouw gedrag en met de verhouding tussen rijk en arm, met de samenleving. Werk daaraan mee, draag daaraan bij, dat moet echt! Ze heeft de macht om dat ook af te dwingen.
De kerk heeft ook macht, zij het op een heel andere manier. Zij verkondigt het evangelie, inclusief die daaruit voortvloeiende wet. Zij maakt ook expliciet dat, als dat in de wind geslagen wordt, het de verkeerde kant op gaat met de wereld. Niet zozeer omdat die wet op de schepping past (dat ook wel, maar dat is soms moeilijk hard te maken), maar omdat het het woord is van hem die nu over die wereld regeert, en omdat het hem echt menens is. En de Heer verbindt aan dat woord consequenties. En niet alleen op de jongste dag. Als een groot deel van de bevolking zich tot Christus bekeert, kan het niet anders of dat heeft een positieve invloed op de samenleving.
De kerk hoeft geen aardse macht te begeren en is daar niet op uit. Maar als christenen macht krijgen, moeten ze daar niet voor terugdeinzen. We hoeven de positie van christenen aan de rand van de samenleving niet te idealiseren en ook niet te canoniseren. Dat we in een postchristelijke tijd leven, is geen wet die we ons hoeven te laten opleggen.

Soorten van macht

Macht is niet vies. Macht is er in allerlei soorten. Er is overheidsmacht, die keizer Constantijn tot z’n beschikking had. Er is geestelijke macht. Er is ook bijvoorbeeld sociale macht: christenen kunnen behoren tot aristocratische en invloedrijke kringen, zoals Ambrosius van Milaan en Groen van Prinsterer. Er is ook economische macht: door de kerkgeschiedenis heen hebben rijke christenen invloed uitgeoefend met behulp van wat zij bezaten. Er is, om nog een voorbeeld te noemen, deskundigheidsmacht: als een christen veel inzicht heeft op een bepaald gebied, of dat nu politiek, economie of opvoeding is, kan hij door zijn optreden of via boeken en andere media invloed hebben. Zo kunnen ook in de politiek een of twee christenen in een volksvertegenwoordiging door hun optreden een onevenredig grote invloed hebben. Macht kun je niet alleen gebruiken om te heersen; macht kun je net zo goed gebruiken om te dienen.
En of je als christenen nu weinig of veel macht hebt, de grondregel van Petrus voor christenen, goed doen, geldt in alle omstandigheden. Als minderheid of als meerderheid. In een christelijke, Constantijnse era of in een tijd van secularisatie. Als verlicht despoot, als edelvrouw in een aristocratie, of als partijlid of volksvertegenwoordiger in een democratie.

‘Secularisatie’?

Daarom moeten we niet zo vreselijk veel energie steken in beschouwingen over secularisatie, alsof daardoor nu opeens alles anders geworden is of wordt. We hoeven niet te bejammeren dat de macht van vroeger verloren is gegaan, de verworvenheden van vroeger krampachtig proberen vast te houden, of te proclameren dat de macht van vroeger nooit terug zal of mag komen.
Op dit punt wil ik pleiten voor meer ruimte voor christelijke pragmatiek in onze politieke positiebepaling. Peil heel pragmatisch welke mogelijkheden je nu, in je eigen situatie, hebt om goed te doen. Dat deden Constantijn en Ambrosius. Dat deden Willem van Oranje en Groen van Prinsterer. Dat kunnen wij nu ook doen. Goed doen, wel te verstaan, wat je doelen én wat je middelen betreft. In het aangeven van een richting, het ontwikkelen en expliciteren van een visie, en in je inspanningen om mensen daarheen mee te nemen.

Een paar vuistregels

Laat ik, als theoloog, dus van de buitenkant, het belangrijkste mogen samenvatten in een paar simpele regels voor broeders en zusters politici.
Geloof dat Christus Heer is, hier en nu, over de wereld en de samenleving waar je voor werkt. Laat dat geloof je diepste motivatie zijn om het goede te zoeken voor land en volk, ook als je in het politieke spel die motivatie niet altijd zo kunt uiten als je zou willen. Kom op voor gerechtigheid omdat God gerechtigheid wil. Dien omdat Christus kwam om te dienen. Kom op voor barmhartigheid omdat jouw Heer barmhartig is.
Zoek het goede voor de samenleving, niet alleen in je doelen, maar ook in je middelen, je stijl, zoals je vasthoudendheid en wellevendheid.
Zoek vrijmoedig de instemming en medewerking van niet-christenen voor de doelen die jij als nastrevenswaard beschouwt: zij behoren tot de wereld waarover Christus regeert, al erkennen ze Hem (nog) niet.
Als je die instemming en medewerking krijgt, is dat te danken aan de Heer. Een oordeel over de innerlijke houding van die mensen tegenover hem is daarbij niet aan de orde.
Sluit nooit uit dat er niet-gelovige collega’s van je tot geloof kunnen komen, misschien wel mee dank zij jouw integere arbeid in christelijke stijl.
Word niet trots als je macht krijgt en misbruik die niet, maar deins er ook niet voor terug. Gebruik die dienstbaar.
Kom er rond voor uit dat je als christen je best zult doen om de samenleving te beïnvloeden in de richting die jij voor die samenleving het beste vindt. Net zo goed als liberalen en socialisten dat zullen doen.
Ga onder de indruk van de secularisatie niet met gebogen hoofd en schouders lopen. Christus is Heer, nu net zo goed als vroeger.
Voorkom de indruk dat je erop uit bent om jouw geprivilegieerde positie als christelijke groep, uit het verleden, vast te houden. Of, in het algemeen, dat je uit bent op een bevoorrechte positie voor een christelijk volksdeel of christelijke instituties. Maak duidelijk dat je het belang van de hele samenleving, en iedere groepering daarin, op het oog hebt.

Slotopmerkingen

Ik denk niet dat ik in mijn conclusies voor de praktijk van christelijke politiek ver afwijk van wat De Bruijne voor ogen staat. Ik denk wel dat het mogelijk is om wat theoretische ballast, die zich in de loop van de eeuwen heeft opgestapeld, van onze schouders af te zetten.
Misschien heeft Tim Keller gelijk, dat christelijke jongeren vanuit verschillende tradities van politieke theorie geneigd zijn elkaar te naderen. ‘I want to be in their number’, met deze notities.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *