Brieven uit India

Van 2003 tot 2008 woonde ik met mijn gezin in Dehra Dun, India, een vrij grote en snel gegroeide stad ten noorden van Delhi, waar de Gangesvlakte begon op te lopen naar de ‘heuvels’, die uiteindelijk overgingen in de Himalaya.

Ik was uitgezonden door De Verre Naasten en doceerde theologie aan het Presbyterian Theological Seminary (PTS). Ik was lid van de ‘faculty’, de dagelijkse leiding. De faculty gaf niet alleen leiding aan het onderwijs, maar ook aan het dagelijks leven op de campus. Ik was voorzitter van het ‘Spiritual Life Committee’, dat voor het seminarie de ‘worship’ regelde. Ook was ik als ‘academic advisor’ persoonlijk begeleider van enkele studenten. Onze kinderen gingen naar een Indiase christelijke school.

Al vrij gauw begon ik maandelijkse rondzendbrieven te sturen, via e-mail, aan familie, vrienden en bekenden. Een aantal ervan werden gepubliceerd in de Gereformeerde Kerkbode van Groningen, Friesland en Drenthe. In deze brieven probeerde ik het ‘thuisfront’ een indruk te geven van ons leven en onze belevenissen daar.

Inhoud
1 – lerarendag
2 – aardbeving
3 – bruiloft
Een seminarie als een eiland
00 – EHA
4 – verjaardag
5 – getuigenis
6 – gebedsdag
7 – sfeer
8 – heilshistorie
9 – Rajnish
10 – Onafhankelijkheidsdag
11 – rijk en arm
12 – debat
13 – schoenpoetser
14 – Assam
15 – Assam kerst
16 – Heilige Geest
17 – wat ik mis
18 – leren
19 – getuigenissen
20 – aanpassen
21 – sappelaars
22 – thesis
23 – bouwerij
24 – Bangkok
25 – Bangalore
26 – Amerika
27 – huwelijkskeuze
28 – religie
29 – kerk
29 bis – terug
31 – onzekerheid
32 – verdraagzaamheid en vervolging
Geen visum
… [evangelist onder moslims]
afscheid
motief

 

Brief uit India 1 – lerarendag

Ruim twee maanden nadat we hier weer aangekomen zijn, is voor het eerst de temperatuur, ’s nachts, beneden de 26 graden gezakt. De temperatuur daalt vooral tijdens hevige regen. Als het weer droog wordt en de zon komt erbij, is het al gauw weer boven de 30 graden overdag. Er worden veel paraplu’s gebruikt, ook over en weer geleend. Alleen die Nederlanders
dragen zelfs bij deze temperaturen wel eens regenkleding. Er zijn wel veel Indiers die onder een zeil wonen, vaak niet meer dan een soort brede regenjas.

Kort geleden was het Teachers’ Day: lerarendag. Dat is een Indiase instelling. Ooit heeft een president, zelf een beroemd hoogleraar in het Hindoeisme, zijn verjaardag tot lerarendag laten uitroepen. Op scholen worden speciale programma’s georganiseerd. Tabita kwam thuis met het
verhaal van een toneelstukje, waarin in een klas tijdens een aardbeving de leraar flauwgevallen was en de leerlingen, denkend dat hij dood was, een voor een bedroefd bij zijn tafeltje kwamen vertellen hoeveel hij voor ze betekend had. Dat is de sfeer. In de kranten komen advertenties met zwaar overdreven, sentimentele lofprijzingen aan het adres van de leraar, en de gelegenheidstoespraken door studenten zijn ook gezwollen.

Ook op PTS horen we zulke dingen aan, maar de toon is christelijk gematigd. De toespraken duren kort en wij als docenten – met het administratief personeel – moeten op het podium komen en, na een cadeautje te hebben gekregen, gekke stukjes doen zodat de zaal kan lachen.
Tabita had voor mij iets speciaals gemaakt: “Want u bent ook teacher!” In haar mooiste jurk kwam ze het mij in m’n kantoor brengen. Bij het avondeten heeft ze voor me gedanst, geimproviseerd, in Indiase stijl. Als oude fan van volksdansen was ik apentrots op m’n dochter. Gezagsverhoudingen zijn in India steiler dan in Nederland. Dat zit in de traditionele Indiase cultuur, maar de Engelsen, die hier twee eeuwen hebben geheerst, hebben dat stevig bevorderd.
Daar komt bij dat het in India een groot voorrecht is om onderwijs te mogen volgen. Er is onvoldoende aandacht besteed aan basisonderwijs. Regeringsscholen zijn zo beroerd van kwaliteit – leraren ko men vaak niet eens opdagen – dat mensen hun kinderen naar privescholen sturen. Gezien de grote vraag, is er daar ook veel kaf onder het koren: iedereen begint maar ergens in een hok een schooltje. De brand in een school in het zuiden, zo’n jaar geleden, waarbij een kleine honderd kinderen omkwamen, was daar een gevolg van. Er zijn altijd meer aanmeldingen dan plaatsen. Scholen kunnen een straf regiem aanhouden. Er is een grote drang om hogerop te komen, want beneden loert altijd de armoede. Hoger onderwijs is vaak wel van goede kwaliteit, maar ook daar zijn te weinig plaatsen. Onlangs zijn er maatregelen afgekondigd om het examensysteem voor de 16- tot 18-jarigen te verlichten: de druk was echt ongezond. Wie het maken, vertonen vaak een elitaire houding en gedrag.
Ook op PTS te mogen studeren is een voorrecht. De studenten zijn zich dat heel goed bewust.

 

Brief uit India 2 – aardbeving

In Nederland is er dus ook een lerarendag, begreep ik uit de reacties. Hartelijk dank aan degenen die reageerden!

Iemand vroeg: Hoe hebben jullie de aardbeving beleefd? Daar wil ik nu graag wat over vertellen.

Wij hebben de aardbeving hier gevoeld. Veel mensen niet, omdat ze in beweging waren; ik ook niet, ik was druk bezig m’n koffers te pakken om naar een conferentie te gaan. Maar mijn gezin heeft het wel gevoeld. Niet iedereen had direct in de gaten wat er precies gebeurde. Op de campus renden studenten de gebouwen uit naar het grasveld. Veel mensen in de stad zijn naar de Parade Ground gegaan. Een aardbeving is in deze omgeving niet totaal onbekend. De aardbeving in de deelstaat Gujarat in 2001 ligt nog vers in het geheugen; naar aanleiding daarvan is een van de gebouwen op de campus toen van steunberen voorzien. Men weet wat men moet doen: naar open terrein gaan. Op scholen wordt er les over gegeven; Tabita wist het ook: We moeten onder tafel gaan zitten; dat voorkomt dat er puin op je valt.

De ramp was heel snel in het nieuws, maar de volle omvang ervan drong pas twee dagen later tot me door. Ik was op een conferentie van artsen en medische studenten. Daar werd gevraagd om vrijwilligers om naar het rampgebied te gaan. Van de ongeveer 250 aanwezigen gaven meer dan tien zich spontaan op. De EHA (‘Emmanuel Hospital Association’, waar ik aan verbonden ben), die daar vertegenwoordigd was, heeft sinds kort een afdeling ‘disaster management’. Dat houdt in dat ze op professionele manier op de situatie kunnen inspelen en hulp verlenen.

De ramp deed denken aan de tsunami, zo’n negen maanden geleden. Die ramp was groter van omvang. Ik was kort daarna in het rampgebied; daar werd een conferentie van ons ‘Reformed Presbyterian’ kerkverband gehouden. We hebben puinhopen gezien, een dorpsbewoner horen vertellen, en de kerken besloten een collecte te houden. De organisatie ‘Redt een kind’ werd bekwaam geacht om goede hulp te verlenen. Na de overstroming in New Orleans hield een Amerikaanse collega hier een bewogen bijbelmeditatie in de dagelijkse ochtendwijding.

Deze keer waren er niet zulke intense reacties. Een kerk heeft een deel van een zondagse collecteopbrengst bestemd voor de hulpverlening. Er zijn meer christelijke organisaties in het hulpgebied actief, zoals ‘World Vision’ en ‘Discipleship Center’ (die laatste, gevestigd in New Delhi, is me verder onbekend). Er is wel veel voor de getroffenen gebeden.

Een vriend van ons hier, die arts is, is van plan met een team mee naar een rampgebied te gaan. Zijn vrouw zou als enige vrouw met het team meegaan om hulp te verlenen aan vrouwen. Hij heeft Saskia gevraagd om op hun drie kinderen te passen. Dat soort dingen doet Saskia wel vaker. Het is haar nederige bijdrage, die best veeleisend kan zijn en die veel anderen weigeren.

Naderhand berichtten de media veel over wat er misgaat in de hulpverlening als gevolg van menselijke fouten. Veel hulpverlening vindt plaats zonder coordinatie; de mensen vechten letterlijk om de spullen. Rijken en mensen met connecties krijgen ruimschoots hulpgoederen; een deel verdwijnt vermoedelijk op de zwarte markt. Armen weten de weg niet of worden overgeslagen. De regering van India heeft hulp aangeboden, onder andere in de vorm van dringend nodige helikopters, maar de regering van Pakistan wil ze niet toelaten uit angst voor spionage. Wat preventie betreft: huiseigenaren investeren meestal liever in zichtbare luxe dan in onzichtbare veiligheid.

Dat soort dingen is ver van het bed van de studenten. Als ze al tijd hebben om de krant te lezen of gelegenheid om t.v. te kijken, gaat hun aandacht uit naar sport. Ze zijn niet opgevoed om het wereldnieuws te volgen. Ze hebben de eerste vijf dagen over de gebeurtenissen gepraat, daarna niet meer. Wel is er angst: deskundigen voorspellen dat er nog meer en grotere aardbevingen zullen volgen in Noord-India. Onze vallei, waarin Dehra Dun ligt, is speciaal bedreigd. Alleen kan niemand zeggen wanneer dat zal plaatsvinden.

Ook al wonen wij hier, wij zijn bevoorrecht: wij wonen in een goed gebouwd huis, zijn rijk, en leven in een gemeenschap. Tegelijkertijd is ons leven niet afhankelijk van natuurkrachten in de aardkorst, maar in de hand van onze Heer. De aarde zal vooral beven als Hij komt.

Brief uit India 3 – bruiloft

Ook deze keer kreeg ik minstens een reactie, maar helaas kan ik die niet lezen. Onze telefoonlijn is al anderhalve week defect, en mijn provider heeft problemen met zijn website. Excuus!

We zijn naar een Indiase bruiloft geweest. De broer van Saroj (spreek uit: Saroodzj, onze vrouwelijke kok) ging trouwen. Een vriend heeft ons gereden in zijn oude Ambassador, een statige sedan model jaren ’50. We zaten er met z’n negenen in, echt Indiaas.

Een grote tent was opgericht. De vloer bestond uit op de gras- en zandgrond neergelegde tapijten. In het eerste gedeelte stonden stoelen achter elkaar opgesteld als in een gehoorzaal of kerkruimte. De vader van de bruidegom en van Saroj kwam ons vriendelijk begroeten. Tijdens het wachten kregen we koffie en een warm balletje; niet te versmaden, want het was erg koud.  Gisteren was de trouwerij zelf geweest, nu was alleen de party. Er dreunde oorverdovende muziek uit de luidsprekers, afgewisseld door dito live muziek. Het was een voordeel dat onze oren op bruiloften in het noorden van Nederland al wat gehard waren. Kinderen, onder wie Ludger, begonnen spontaan te dansen. Door de opening in het voorhangsel zagen we in het andere deel van de tent het eten opgesteld worden.

Na ruim een uur wachten kwamen de bruidegom en de bruid binnen. Hij lachte overmoedig als een echte bruidegom, zij keek verlegen strak naar de grond. Toen ze een poosje op hun tronen zaten, begon er iemand een cadeau te geven. Dat was voor ons het sein om te volgen. Lang niet iedereen deed het en het is me niet duidelijk geworden of veel mensen wel een cadeau bij zich hadden. Het bruidspaar wou met Ludger op de video.

Daarna ging iedereen naar de etensruimte. Daar, bij het buffet, was het een enorm gedrang. Nu kreeg ik pas in de gaten hoeveel mensen er waren: zeker honderdvijftig. Er was nauwelijks sprake van een rij en helemaal niet van op elkaar wachten; iedereen pakte wat hij of zij krijgen kon. De man van Saroj leidde ons naar de rij schalen aan de andere kant; het gaf het prettige gevoel van een speciale behandeling, maar ik betwijfel of het sneller ging. Het was een typisch Noord-Indiase maaltijd; voor ons besef wat eentonig, maar het verveelt mij nooit. We aten staande; daar zijn we ook aan gewend; Tabita en Ludger konden een van de weinige tafels gebruiken. De man van Saroj beduidde ons aldoor iets op vriendelijke manier; ik dacht dat hij wou weten of we nog meer wilden; dat kwam me bekend voor; maar ik ben er niet zeker van. Het taalprobleem speelt in zo’n situatie een rol, maar nooit onoverkomelijk. In ieder geval is hij een goede gastheer; hij werkt in een hotel en is daar vast geschikt voor.

Als nagerecht waren er de klassieke zoete ballen met zoete saus. Ik kreeg geen tijd om ze op te eten. De man van Saroj leidde ons naar het bruidspaar. Ik moest achter ze gaan staan, tussen de beide rugleuningen doorkijkend. Maar waar moet ik dan m’n toetje laten? Hij pakte het van mij aan. Hij beduidde mij voortdurend dat ik… hoger moest? Lager? Tenslotte kwam hij naar ons toe en legde mijn hand op het hoofd van de bruidegom en Saskia’s hand op dat van de bruid. Zo werden we op de video gezet; natuurlijk met Ludger erbij.

Klaar. Een vriendelijk woord van mij, vast niet verstaan, ontlokte de bruid toch een glimlachje. Kon ik nu mijn toetje terugkrijgen?, vroeg ik de man van Saroj, terwijl onze groep al naar de uitgang liep. Het toetje was kennelijk verdwenen; de man van Saroj begreep mij verkeerd, beduidde mij naar de uitgang te gaan en goot daar uit een kan water over mijn handen, waarna hij me een kleine handdoek aanbood. Ook nooit weg na een Indiase maaltijd.

Dit was een christelijke bruiloft. Op een hindoe-bruiloft is de muziek nog veel harder. Dit was een bruiloft van arme mensen; het moet ze een vermogen gekost hebben. Ik heb nog geen reden om te klagen, zoals anderen van onze cultuur, dat al dit soort feesten bij elkaar zo veel tijd kosten. Ik heb me aldoor een speciale gast gevoeld; de vraag of ik daar als Westerling wel zo blij mee was heb ik al gauw aan de kant geschoven.

 

Een seminarie als een eiland

PTS is een eiland. Alleen al van de buitenkant gezien. Het is een terrein met een strenge muur eromheen. De voorpoort wordt dag en nacht bewaakt en de achterpoort moet door de gebruikers elke keer weer op slot worden gedaan. Binnen de muur zijn, behalve de gebouwen, grote bomen die schaduw geven en een aangenaam klimaat. Buiten is het veel kaler.

Binnen de muur is een hardwerkende christelijke gemeenschap, goed georganiseerd en gedisciplineerd, met een strikt rooster, herkenbaar aan het regelmatig luiden van de bel; ’s nachts worden de uren geluid, met de hand, door de nachtwaker. De campus ligt op een rustige plek. Buiten is de hectiek van de stad; buiten zijn ook de mensen die niet veel te doen hebben, die werkloos zijn, of die het traditionele Indiase, weinig gemotiveerde levensritme hebben. Daar zijn rijke villa’s en daar zijn bedelaars. Daar is het vuil. Daar zijn heiligdommen en religieuze centra, grote en kleine, van verschillende Indiase godsdiensten, al zijn er ook verscheidene kerken en kerkjes, soms in woonhuizen. ’s Nachts is er vaak, vnuit het trouwcentrum, de oorverdovende muziek van een hindoe-trouwerij, en van tijd tot tijd het lawaai van een hindoeistische feestdag.

Kortom, het seminarie is een oase van rust, reinheid en regelmaat, en van christelijk samenleven.

Nu is het in India niet zo bijzonder dat een school een internaat is op een omheinde campus. Studenten, ook jonge kinderen al, gaan vaak ver van huis naar school. Vaak gaan ze maar een keer per jaar naar hun ouders. Veiligheid is dan een vereiste, en personeel, zoals een bewaker, is niet duur.

Maar ook figuurlijk is het seminarie een eiland. En dan bedoel ik: een eiland in heel India. Er zijn honderden en nog eens honderden christelijke theologische opleidingen, op alle mogelijke niveau’s. Maar veel ervan zijn vrijzinnig. Er worden vooral praktische vakken gegeven.

Daarnaast is er veel christendom dat sterk gekleurd is door de pinksterbeweging. Hier wordt de bijbel vaak oppervlakkig gehanteerd. Vaak is de afstand tot de volkse religiositeit niet groot: de religieuze beleving staat centraal, en er is veel geloof in geesten en in wondergenezingen.

Weliswaar zijn er ook heel wat kerken en seminaries die presbyeriaans heten. Maar meestal heeft dat begrip weinig inhoud meer. Weliswaar zijn er heel wat ‘evangelical’ seminaries. Ook PTS rekent zich daar toe. Wij zouden zeggen: ‘bijbelgetrouw’.

Want het begrip gereformeerd (‘reformed’) is hier nauwelijks bekend; het zegt vrijwel niemand iets.

Hier op PTS wordt de gereformeerde belijdenis hoog gehouden; de drie Formulieren van Eenheid en de Westminster belijdenissen. Niet alleen als vaandel; het onderwijs in de gereformeerde leer neemt een belangrijke plaats in op het lesrooster. Dat is het hoofdvak dat ik doceer: ‘theologie’ of dogmatiek. Ik heb vorig jaar mogen meewerken aan een uitgave van de belijdenisgeschriften in boekvorm, in de eerste plaats bedoeld voor gebruik in de klas.

Daarmee verbonden is diepgaande studie van de bijbel.

Die diepgang is het die studenten uit het hele land, en ook uit omringende landen, aantrekt. Ook wie al evangelisch was, of charismatisch, of traditioneel-kerkelijk, ervaart deze training in bijbelinzicht en leer als een verdieping. Dat willen ze graag straks uitdragen, waar ook in Zuid-Azie.

Daarin is PTS als seminarie, met een heel kleine groep kerken achter zich, uniek.

Een druppel op een gloeiende plaat? Of een zaadje dat tot wel honderdvoudig vrucht kan dragen? Dat laten we, biddend en werkend, aan de Here over.

 

Brief uit India 00 – EHA

Vorige keer schreef ik dat ik verbonden ben aan EHA (Emmanuel Hospital Association). Hoe zit dat precies?

EHA is een samenwerkingsverband van christelijke ziekenhuizen; over het algemeen zijn het voormalige zendingsziekenhuizen. De organisatie doet onder andere aan preventieve gezondheidszorg en ontwikkelingswerk in de omgeving van de ziekenhuizen. Daarbij worden aan patienten en bevolking christelijke woorden en waarden overgedragen. Achtergrond hiervan is het inzicht dat al deze dingen met elkaar samenhangen!

De Verre Naasten werkt al een aantal jaren met EHA samen; met name sponsort DVN een van de ziekenhuizen en de projecten er omheen.

Via DVN ben ik bij EHA terechtgekomen. Ik ben daar (onbezoldigd) in dienst als ‘ethisch consulent’. Dat betekent dat ik op het gebied van medische ethiek adviezen en cursussen moet geven.

Wat doe ik in de praktijk? EHA werkt met een andere organisatie samen in het nog jonge IMM: Institute of Medical Mission. Deze club geeft aan jonge artsen en medische studenten cursussen christelijke vorming. Ik heb dit jaar een jaarvergadering in Delhi bijgewoond waar deze cursussen werden besproken.

Voor een deel doen die cursussen wat voor ons besef de kerk zou moeten doen. Maar die doet dat vaak niet, omdat ze het niet kan of om andere redenen. Veel van deze jonge mensen zijn op latere leeftijd tot bekering gekomen. Maar ook als ze uit een christelijk gezin komen, is er vaak veel minder sprake van inhoudelijke christelijke opvoeding, en nog veel minder van degelijk christelijk onderwijs, catechisatie en jeugdvereniging.

Deze jonge mensen hebben veel belangstelling voor de cursussen, zowel voor de algemene christelijke vorming als voor de meer specifieke onderdelen zoals christelijke medische ethiek. Het werk voorziet in een behoefte aan vorming, maar ook aan pastoraat.

Nu zijn we begonnen een voortgezette cursus, of althans een uitgebreidere cursus op een wat hoger niveau, op te zetten. Daar werk ik aan mee voor het onderdeel medische ethiek.

Kort geleden ben ik naar een conferentie van de partnerorganisatie geweest in Bangalore, Zuid-India. Daar heb ik een aantal workshops bijgewoond van een collega van EHA, een vrouwelijke arts die gespecialiseerd is in ethiek. De bedoeling is dat ik wat vertrouwd raak met de praktijk op het grondvlak.

De ethische problemen in de dagelijkse praktijk van een christelijke arts hier liggen vooral op een terrein dat wij niet tot de medische ethiek zouden rekenen. Het gaat om integriteit en onomkoopbaarheid. Wat doe je als een jonge vrouw om een abortus komt en beweert dat ze verkracht is? Wat doe je als een familielid of een vriend van je je vraagt om een verklaring te tekenen dat hij op die-en-die dag ziek was, of geld nodig heeft voor een behandeling elders, terwijl dat niet zo is? Ziektekostenverzekeringen zijn hier heel weinig geregeld. Wat doe je als je ziekenhuis te dure medicijnen inkoopt omdat daar geld mee te verdienen valt, en van jou verwacht dat je die voorschrijft?

De merendeels jonge mensen die die conferentie bijwoonden zijn zich bewust van de grote invloed die een arts kan uitoefenen; en ze voelen zich geroepen om die verantwoordelijkheid uitgesproken christelijk in te vullen. De frisse, gemotiveerde sfeer heeft indruk op me gemaakt!

Tussen deze vergaderingen door heb ik gestudeerd op het vakgebied en gewerkt aan het ontwikkelen van de cursus. Er blijft genoeg tijd over om m’n lessen te geven aan PTS.

 

Brief uit India 4 – verjaardag

Hartelijk dank voor het meeleven met m’n verjaardag. In gebed, en in felicitaties. Wij zijn hier niet eenzaam, maar toch geldt voor ons nog steeds wat altijd geschreven werd in zendingsblaadjes: het is enorm belangrijk om te weten dat het thuisfront meeleeft, en dat ook te ervaren.

Iemand die altijd trouw meeleeft, schreef dat er tegenwoordig wel erg veel familie, vrienden en bekenden een tijdlang in het buitenland zitten en dat het meeleven dus meer werk is geworden. Dat begrijp ik.

Hoe vier je daar je verjaardag?, vroeg iemand. Op PTS staan docenten en studenten ’s morgens om half elf, in de pauze halverwege het ochtendprogramma, aangetreden voor de mededelingen. ’s Winters op het grasveld in de zon, ’s zomers onder de boom en op de oude veranda in de schaduw. Dan worden ook de verjaardagen meegedeeld. Er wordt voor je gezongen: “Happy birthday to you… God’s blessings on you…” Vervolgens gaat een van de docenten voor in dankzegging en gebed voor deze verjaardag. Daar zijn ze heel goed in.

Intussen heb je zelf voor een tractatie gezorgd, die wordt uitgedeeld. Studenten geven meestal snoepjes; vaak van een B-merk. De meesten zijn arm. Je hebt zo’n 150 stuks nodig.

Ik neem de snoepjes meestal mee voor Tabita en Ludger. De tijd dat we op de campus zelf woonden en de kinderen nog niet naar school gingen, zodat het hele gezin erbij kon zijn, is helaas voorbij.

M’n twee jongste collega’s konden niet nalaten mijzelf te citeren: “Er is veel gelijkheid op PTS, maar op verjaardagen merk je wie er rijk is”. Maar goed, het is leuk om met anderen te delen wat je zelf lekker vindt.

Het is fijn dat er regelmatig verjaardagen zijn. Zonder een hapje bij de thee vind ik een ochtend van 8 tot 1 wel erg lang.

Met het gezin ben ik ’s middags naar een koffietent geweest. Gebak bij de koffie (of thee) thuis, daar komt eigenlijk niet van. Dat komt omdat er eigenlijk geen lekker gebak (vinden wij) te koop is om mee naar huis te nemen. Het lekkere gebak hier moet warm zijn (uit de magnetron) en dat gebruik je dus ter plaatse. Ik ben dol op koude koffie (hier gebruikelijk, voor mij een specialiteit) met warme koek (niet te groot) erbij. En met z’n allen uitgaan is hier voor ons heel betaalbaar. De koffietent waar we geweest zijn is verbonden met een boekhandel, waar ieder gezinslid dan een boekje mag uitzoeken. Zelf heb ik ’s morgens om half zeven al de nodige boeken en andere cadeautjes gekregen.

Deze keer hebben we ’s avonds geen vrienden uitgenodigd. Veel anderen doen het ook niet. Velen werken ook ’s avonds. We worden soms wel uitgenodigd op een vrijdag- of zaterdagavond, maar dan op incidentele basis.

Het is hier heel gebruikelijk om een feestje te vieren met een maaltijd. Die is in buffet-vorm en je eet met je bord op schoot, vaak ook staande. Het is ook gebruikelijk dat er een taart is, die door de jarige wordt aangesneden, en die moet dan aan de naaste familieleden een stuk aangeven rechtstreeks voor het happen; net als een bruidspaar met een bruidstaart doet. Op kinderpartijtjes – Tabita en Ludger worden regelmatig uitgenodigd en hebben er zelf ook wel gehad – krijgen de kinderen een kartonnen wegwerpschoteltje met een koekje en ‘namkeens’, een soort Indiase chips. Vaak moet je erg lang op je hapje en je drankje wachten; maar als je het eenmaal gekregen hebt, is het normaal dat je daarna meteen weggaat.

Er wordt niet veel aan conversatie gedaan. Je concentreert je op je eten.

Ik stel me voor dat wij zo’n beetje de meest verwende vrijgemaakte zendelingen zijn: wij kunnen praktisch alles krijgen. Toch blijft het thuisfront onmisbaar.

Brief uit India 5 – getuigenis

Nieuwe studenten moeten tijdens hun eerste jaar in de ochtendwijding een keer hun ‘getuigenis’ geven: wat de Here in hun leven heeft gedaan, hoe Hij ze bij zich heeft gebracht, wat Hij voor ze betekend heeft. Je kunt het vergelijken met een openbare geloofsbelijdenis, maar dan zelf opgesteld; en het is een verhaal over hun persoonlijke geschiedenis.

Een van mijn taken, als leider van de Commissie Geestelijk Leven, is om die getuigenissen van tevoren met ze door te nemen. Dat vind ik leuk werk.

Ik geef in het begin van het seizoen een uurtje voor allemaal, waarin ik wat suggesties doe om er een persoonlijk en levendig verhaal van te maken. Hun verhalen lijken namelijk vaak erg op elkaar; ze kijken de kunst van anderen af. Ze zijn meestal nog zwak in Engels en zijn al blij als ze hun stukje goed kunnen opschrijven.

Wat vooral opvalt is dat ze allemaal een soort bekeringsverhaal vertellen, ook als ze in een christelijk gezin zijn opgegroeid. “Mijn ouders waren goed voor mij, ik ging naar de kerk en naar zondagschool, maar later ging ik…” – kortom, alles doen wat God verboden heeft. “Totdat ik een keer een evangelische conferentie bezocht en een spreker mij overtuigde van mijn zonde en van Christus’ vergeving; toen ‘aanvaardde ik Christus als mijn persoonlijke verlosser’”. In Nederland was ik al wel met deze ‘getuigenis’-traditie in aanraking gekomen, ook al voordat er een EO was.

Ik praat dat vaak met ze door. Hoe komt het dat je regelmatig in de kerk preken hoorde, maar dat pas die toespraak op die conferentie je tot bekering bracht?

Om te beginnen is het een patroon dat ze normaal vinden; zo hoort het te gaan. Ik hoor er een heel stuk traditionele Amerikaanse evangelische geloofsbeleving in. In m’n cursus over de Heilige Geest heb ik wat lessen aan de Amerikaanse kerkgeschiedenis gewijd, en dan zie je voor je hoe dat is ontstaan. Door de zending is de christelijke cultuur, inclusief de geloofsbeleving, sterk Amerikaans gekleurd.

De achtergrond van zo’n levensverhaal, met de bekering van een christen op latere leeftijd, is vaak een zwak kerkelijk leven. Predikers met weinig opleiding. Een moraliserende prediking, die vooral vertelde hoe je een goed christen moest en kon zijn, in plaats van over geloof en bekering.

Ik heb me uitgedaagd gevoeld om ook m’n eigen getuigenis te geven, en als docent die dat nog niet eerder had gedaan, kwam ik aan de beurt. Ik vertelde van m’n christelijke opvoeding; hoe mijn ouders me al van jongs af aan de Here hebben leren kennen als een levende werkelijkheid in mijn eigen leven. Dat vonden ze hier wel mooi, maar toch ook wel vreemd, geloof ik.

Ik praat nog veel meer met de studenten door als ik hun getuigenis met ze doorneem. Soms is het net een historisch onderzoek of zelfs detectivewerk. Wat bedoel je daarmee? Wat gebeurde er dan? Jullie waren thuis ‘streng orthodoxe Hindoes’; wat hield dat in de praktijk in? Hoe komt het dat je in een kindertehuis werd opgenomen terwijl je beide ouders nog leefden? Je ging met vrienden het verkeerde pad op; wat deed je dan? Natuurlijk moet je terughoudend zijn met dat te vertellen, maar het moet wel inhoud hebben. Na je bekering viel je familie je lastig; wat deden ze dan? Zo leer ik veel over het Indiase leven in de alledaagse, persoonlijke sfeer. Het gaat er natuurlijk nog steeds om dat ze zelf straks met een kleurrijk verhaal komen.

En dan probeer ik ze op toon te leren lezen en spreken. Op school – ik merk het ook aan Tabita – leren ze Engels spreken op een dreun, en dat hoor je in de getuigenissen terug. Spreek langzaam en duidelijk. Je gehoor is beleefd: al verstaan ze er geen woord van, ze zullen nooit roepen: “Harder!” Maak de punten en komma’s hoorbaar. Vooral: druk de emotie uit. “Ik voelde me ellendig toen m’n vader overleed”. Waar zit dat gevoel? Leg je hand op je buik, haal het terug. Ik doe het voor. Anders zal je gehoor zich vervelen.

Kortom, een individuele les in Engels, sociale vaardigheden en spreken in het openbaar. Alles in drie kwartier. En nu vanavond een paar keer hardop oefenen!

Een kleine bijdrage tot hun optreden. Donderdagsmorgens in de ‘chapel’ vertellen ze; soms met humor; soms ontroerend. Het komt over. Zodat de gemeenschap het kan meebeleven, en voor ze, en met ze, kan danken en bidden.

Brief uit India 6 – gebedsdag

Een bijzondere gebeurtenis op PTS, ieder halfjaar weer, is de gebedsdag. Een dag staat helemaal in het teken van gebed.

In de openingssamenkomst richten we ons op God, in zingen, bijbellezing, lofprijzing… Sommigen uiten hun dankbaarheid voor iets bijzonders wat God in de afgelopen tijd in hun leven gedaan heeft. Of sommigen lezen een bijbelvers voor om daarmee hun lof aan God uit te drukken. We bidden de Here om zijn hulp en zegen voor de dag.

Terwijl we allemaal bij elkaar zijn, gaat iemand voor in gebed voor een bepaald thema, een kwartier lang. Meestal is het een docent, die dan een paar studenten inschakelt om het samen met hem te doen, zodat er afwisseling van stemmen is.

We bidden voor het seminarie zelf: voor docenten en studenten, de gezinnen, lessen, studie en examens, en persoonlijk welzijn, gezondheid, en de familieleden ver weg. Voor de ‘faculty’ (de dagelijkse leiding) en het bestuur. Voor nieuwe docenten – gereformeerde docenten zijn moeilijk te krijgen! – en voor de materiele behoeften van de school.

Een ander kwartier bidden we voor de kerk: de plaatselijke kerk, de kerk in India en de andere landen waar studenten vandaan komen. Voor ambtsdragers en evangelisten: voor inzicht in Gods woord, volharding en integriteit (dat laatste is een aangelegen punt in India). Voor broederliefde en eenheid. Voor de vervolgden om het geloof, en voor de kerken in het rijke, vrije Westen (voor u dus). Voor bescherming tegen de aanvallen van de duivel.

We bidden voor de wereld. Voor regeringen en onderhandelaars. Voor oorlogs- en rampgebieden. Voor zieken en onderdrukten. Voor vrede en gerechtigheid. En vooral voor de verbreiding van het evangelie.

Een ander onderdeel is het persoonlijk gebed. Ieder kiest een plekje ergens op het terrein. (Ik zit graag buiten, maar werd de laatste keer lelijk door de muggen gebeten.) Er is een handleidinkje met een paar bijbelgedeelten en aanwijzingen voor gebedspunten: lof, dank voor wat de Here aan jou gegeven heeft (vergeet de geestelijke gaven niet!; dat is een menselijke neiging: gezondheid, goeie cijfers en genoeg geld voorop). Belijd je zonden, vraag om kracht om tegen de zonde te strijden, en om groei in je geestelijk leven.

Dan is er gebed in kleine groepen. Je vertelt een paar punten die je bijzonder bezig houden, en een van de anderen in de groep bidt voor je. De studenten mogen dit in hun eigen taal doen, voorzover er genoeg mensen van een bepaalde taal zijn. Gewoonlijk gebruiken we alleen Engels.

Verder is er twee keer een ‘preek’, gewoonlijk door een spreker van buiten.

Is dat niet erg zwaar: een hele dag gewijd aan gebed? Dat valt erg mee. We beginnen een half uur later dan op gewone werkdagen. Het programma bestaat uit korte onderdelen, van 40 minuten, afgewisseld met pauzes. We doen het in hoofdzaak ’s morgens, met aan het eind van de middag nog een of twee onderdelen. Het is minder zwaar dan een gewone werkdag (tenzij je overblijvende tijd hard gaat werken, natuurlijk).

Je hebt meer tijd en ruimte om voor bepaalde onderwerpen te bidden dan wanneer de voorbede alleen een onderdeel van een kerkdienst is.

Het gebed voor kerk en wereld hebben we toegevoegd; tevoren waren de voorbeden wat eenzijdig voor individuele personen en hun omstandigheden. Het ‘massale gebed’, waarbij iedereen door elkaar voor bepaalde personen bidt, hebben we afgeschaft.

Voor mij is de gebedsdag een rijke en bemoedigende ervaring.

 

Brief uit India 7 – sfeer

Het is hier al een paar maanden warm. Maar elke keer als de temperatuur een poosje boven de 30 graden was, kwam er onweer, gevolgd door regen, en koelde het weer af tot zo’n 28, soms zelfs 24 graden. Dat is vanouds het aantrekkelijke van het klimaat van Dehra Dun, in de heuvels aan de voet van de Himalaya: het is gematigder dan de hoofdstad Delhi met z’n uitersten.

Dat trok aldoor instituten van overheid en onderwijs hier naar toe. Door de bevolkingsexplosie is het klimaat wel achteruitgegaan. Afgelopen jaren begon de zomerhitte eerder en heviger.

Wij wonen in ‘Green Valley’. Het is al lang niet meer zo groen; het wordt steeds meer volgebouwd. Het is wel een dal, bij een rivier met weinig water meer en heel veel vuil. Elke morgen klimmen we de helling op. Boven ligt het grootste gedeelte van PTS. Daar vertrekken de bus en de jeep naar school. Daar heb ik ook m’n werkkamer.

Die hellingen vind ik een van de dingen die de leefomgeving hier afwisselend en levendig maken. Nederland is zo vlak!

En: Nederland is zo schoon! Het is waar: het vuil hier is vaak genant. En ik kom vaak, als ik laat in de middag boodschappen heb gedaan langs de hoofdweg, hoestend thuis vanwege de milieuvervuiling. Toch ben ik al zo aan het vuil gewend, het hoort voor mij zo helemaal bij India, dat ik me niet meer kan voorstellen dat er straks op de nieuwe aarde niet hier en daar een verheerlijkt veldje zal zijn met langs een muur een soort vijver van plastic zakken met vervuld afval. —

Als jullie dit lezen, hebben wij de ‘graduation’ achter de rug. Weer studeert een lichting af. Het is een hele feestweek, met een druk programma dat heel wat organisatie vereist. Het is ook een weemoedig afscheid. Na een paar jaar in een beschermd en geestelijk enorm stimulerend gemeenschapsleven, zwermen de studenten uit naar alle hoeken van India en omringende landen, vaak vele dagen reizen. Ze beginnen aan een ‘ministry’ – ja, daar hebben ze voor gestudeerd, maar het wordt wel een hard leven, vaak eenzaam, vaak in een geestelijk veel meer ingezonken omgeving, met zware verantwoordelijkheid, onderworpen aan strakke leiding van een senior-geestelijke, en met weinig stimulansen. De meesten zullen hier nooit terugkomen, en wij zullen ze nooit weerzien.

Foto’s zijn dan ook erg belangrijk. Niet alleen bij het kerstdiner – iedereen op z’n paasbest – en met ‘graduation’ worden er talloze foto’s genomen; er is zelfs jaarlijks op een bepaalde zondagochtend, voor de kerkdienst, een apart foto-uur. Iedereen wil met je op de foto, in allerlei groepen – het is even leuk, maar het verveelt gauw. Wat moet het vervelend zijn om beroemd te zijn. Maar de studenten willen een zichtbare herinnering mee naar huis nemen: dit komt nooit terug! —

Ludger is pas vier geworden en gaat nu ook naar de grote school, Grace Academy, samen met Tabita. Hij begint al met letters (ook Hindi-letters) en cijfers schrijven; de peuterspeelzaal is daar voorbereidend al mee begonnen.

De kinderen hebben soms heimwee. Tabita naar een school met veel mogelijkheden, waar het minder strak en streng is en waar je allerlei leuke dingen doet. Tabita en Ludger allebei naar het Bosbad Putten – de schaarse zwemgelegenheden hier zijn veel beperkter, al kunnen ze daar ook van genieten. Die lieve kinderen, ze moeten wat over hebben voor de roeping, of het ideaal, van hun vader, gestimuleerd destijds door hun moeder.

We zijn van plan de komende zomervakantie in India te blijven. Opa en oma zullen de kleinkinderen missen; wij iedereen en de DVN-dag. Volgend jaar hopen we weer te komen!

 

Brief uit India 8 – heilshistorie

Afgelopen seizoen mocht ik een cursus geven over een zelfgekozen onderwerp (door de ‘faculty’ goedgekeurd). Het werd: Heilshistorische prediking.

Waarom vind ik dat hier, in de Indiase situatie, zo belangrijk?

1. Veel prediking hier is moralistisch: hoe gedraag je je als een goed christen? Moralisme gedijt door exemplarische prediking. Exemplarische prediking zegt: David was een geloofsheld tegenover Goliat – wij moeten in het geloof ook dapper zijn! Lot deed een verkeerde keus – wij moeten een betere keus doen!

Heilshistorische prediking zegt: God gaf David, de man naar zijn hart, om voor zijn volk te strijden – Hij verlost ons door de grote zoon van David! Abraham raakte Lot kwijt als mogelijke erfgenaam, maar God bleef hem een zoon beloven die Kanaan zou erven!

Moralistische prediking is smal en arm; die predikt de mens en werpt hem terug op zijn eigen gedrag. Heilshistorische prediking is wijd en sterk: die predikt God en wat Hij aan mensen doet.

2. Er is hier veel arminianisme. Veelal onbewust: men weet niet van de gereformeerde leer van de uitverkiezing. Arminianisme ligt aan de basis van veel methodistische zendingsprediking: Dit heeft God voor u gedaan – Kiest u nu voor Hem, neem nu de beslissing! De menselijke keus komt uiteindelijk centraal te staan. Dat hangt met het voorafgaande samen. – Heilshistorische prediking verkondigt de overweldigende genade van God, die uit zichzelf geloof werkt.

3. Veel prediking hier is individualistisch; die gaat over de individuele zondaar die verlost wordt. Heilshistorische prediking gaat over de Heer die zijn kerk bouwt, en mensen in zijn dienst heeft gebruikt met het oog daarop, om aan ons te werken.

4. Veel prediking hier is spiritualistisch; die gaat eenzijdig over geestelijke verlossing. De wereld blijft buiten beeld: het werk in de week, de samenleving, onderdrukking en gerechtigheid, corruptie en integriteit. Heilshistorische prediking gaat over wat God doet in landen en steden, aan mensen en volken, geestelijk, lichamelijk en sociaal, in politiek en samenleving: hoe Hij bouwt aan zijn koninkrijk.

5. Een veel voorkomende preekmethode hier is: de tekst bij langs gaan, bij elk onderdeel een verhaaltje als illustratie vertellen, een conclusie trekken (‘making a point’), en dan overgaan naar het volgende vers. De toepassingen zijn soms gezocht, soms absurd, soms op zich waar. Heilshistorische prediking daarentegen vraagt naar de betekenis en strekking van de passage als geheel, in het verband, uiteindelijk het verband van heel de Schrift.

6. De theologische bagage van veel voorgangers hier is gebrekkig; veel kerken en missionaire organisaties stellen daar geen hoge eisen aan. Heilshistorisch preken is moeilijker; het vraagt dieper Schriftinzicht.

Broeders en zusters in Nederland, wees alstublieft blij met de regelmatige heilshistorische prediking. En bid dat wij van deze erfenis met de mensen hier nog verder mogen delen.

 

Brief uit India 9 – Rajnish

Ds. Rajnish Singh werkt in het dorp Patri. Dat ligt niet ver van de stad Haridwar. Maar het is wel een dorp op het Indiase platteland. Dat is heel wat anders dan een plattelandsdorp in Nederland.

Het water is er verontreinigd. De dominee heeft, als gevolg daarvan, chronische maag- of buikklachten, evenals zijn familieleden. Er is geen electriciteit. Er zijn wel kabels aangelegd, maar gewoonlijk is er geen stroom. Er is geen openbaar vervoer. En de meeste dorpsbewoners zijn zo arm dat ze er ook geen tweewieler op na kunnen houden, een scooter of motor, het gebruikelijke prive-vervoermiddel. Er zijn geen medische voorzieningen. Als je ziek bent, ben je bevoorrecht als je een familielid of andere relatie hebt die zo rijk is dat hij je naar een dokter, een aantal plaatsen verderop, kan rijden. Er is geen school.

Ds. Rajnish (uitspraak: radzj-niesj) is hier begonnen als kerkplanter, zonder gemeente. Nu, nu hij er tweeeneenhalf jaar werkt, zijn er een aantal mensen tot geloof gekomen; veel meer mensen zijn belangstellend en bezoeken regelmatig de kerkdiensten en bijbelstudies. Om een indruk te geven: afgelopen Kerst waren er zo’n 130 mensen bij elkaar.

Die mensen zijn dan wel uit allerlei dorpen uit de omgeving te voet naar de samenkomst gekomen. Het werkterrein omvat in totaal 17 dorpen in een gebied met een middellijn van ongeveer 20 kilometer. Ds. Rajnish beschikt zelf wel over een motor. Hij preekt, op een zondag in verschillende plaatsen. In veel meer dorpen houdt hij regelmatig in de week bijbelstudies en huissamenkomsten en brengt hij huisbezoeken.

Eigenlijk is dominee Rajnish niet voluit dominee. Hij kan wel ‘pastor’ genoemd worden, maar hij is evangelist. Hij is een van de vele afgestudeerden van PTS. Maar in dit kerkverband – onze zusterkerken hier in Noord-India – moet je dan eerst nog een lange weg van zelfstudie en scripties afleggen voor je officieel bevestigd wordt. Ds. Rajnish rijdt regelmatig op zijn motor naar Dehra Dun, zo’n anderhalf uur rijden; meestal naar PTS: voor cursussen en voor zijn persoonlijke studie, ook voor studie voor de voorbereiding van de cursussen die hij geeft; hij maakt dan gebruik van de bibliotheek. Hij bedankte mij voor de uitgave van de gereformeerde belijdenisgeschriften die door PTS is verzorgd; hij gebruikt die voor zijn werk.

Hij werkt onder de ‘Covenant’ kerk, de vrij grote Reformed Presbyterian kerk die op de PTS-campus in Dehra Dun samenkomt en ontstaan is sinds PTS zich hier vestigde. Deze kerk betaalt hem een bescheiden salaris. Het is zelf een arme kerk en ze heeft naast hem nog vier andere evangelisten in dienst. Voor bijzondere ziektekosten – zijn zoon heeft een langdurige behandeling met veel onderzoeken nodig gehad – moet Ds. Rajnish een beroep doen op familieleden (dat is op zich normaal in India), en aangezien die niet toeschietelijk zijn omdat hij christen is geworden terwijl zij hindoe zijn, op andere relaties. Zijn dochter woont, om financiele redenen, bij haar oma, op vele uren rijden afstand. Na vier jaar houdt zijn huidige tractement op; hij wordt dan geacht te kunnen leven van het tractement dat zijn eigen gemeente opbrengt.

Deze broeder voelde zich na zijn bekering (hij is wel derde-generatie-christen) geroepen om zijn geloof uit te dragen naar de arme mensen op het platteland. Dit terwijl hij zelf in een stedelijke omgeving is opgegroeid. Hierin is hij bijzonder. Veel afgestudeerden van PTS schrikken terug voor het primitieve leven op het platteland en willen alleen in een stadse omgeving werken. Velen van hen hebben trouwens het ideaal om door te studeren en dan het pastoraat in te ruilen voor een docentschap theologie.

Ds. Rajnish werkt nu toe naar de aankoop van een stuk grond waar te zijner tijd een kerkgebouw kan worden gebouwd – praktisch helemaal met eigen krachten. Ook heeft hij het ideaal, een christelijke school te stichten in zijn dorp.

Ik heb bijzonder respect voor deze man. Mijn ideaal is dat PTS veel van zulke mensen zal afleveren!

 

Brief uit India 10 – Onafhankelijkheidsdag

Een van de weinige vrije dagen op PTS is India’s Onafhankelijkheidsdag, 15 augustus. Er is dan een speciaal programma. ’s Morgens wordt, met enig officieel vertoon, de vlag gehesen. De studenten staan opgesteld, de mannen in het gelid; ze doen militairen na: een student brult bevelen, hoofdzakelijk “Geeft acht” en “Op de plaats rust”. Dit is serieus. De spreker – deze keer onze eigen ‘principal’, Dr. Chacko; meestal is een spreker van buiten uitgenodigd – wordt naar de vlaggemast geleid en hijst de vlag. Het volkslied wordt gezongen. De nationale ‘pledge’ (gelofte) wordt voorgezegd en door allen nagesproken: “India is mijn land en alle Indiers zijn mijn broeders en zusters… Ik beloof mijn toewijding aan mijn land en volk…”

De Schriftlezing is (praktisch altijd) uit Jeremia 29: “Bid voor het land waar Ik u naar toe laat gaan… Als het hun welgaat, zal het u welgaan…” De spreker geeft uiting aan dankbaarheid voor de vrijheid. Tegelijkertijd is er in India nog veel onvrijheid. Jullie, studenten, zullen geen actievoerders worden; maar evangelieverkondiging is fundamenteel: als mensen tot geloof komen, gaan ze zich als vrije mensen gedragen, zich bewust van hun waardigheid als verloste schepselen van God.

Daarna is er een cultureel programma. De groepen studenten uit de verschillende regio’s en taalgebieden van het grote land, zo’n acht groepen, voeren elk een stukje op, ieder in de eigen regionale stijl. Meestal wordt er gedanst. Het lijkt wel of zo ongeveer iedereen kan (volks-)dansen. (Op Tabita’s school wordt het ook beoefend.) Deze keer worden de aankondigingen begeleid met projecties vanuit de computer, die voor het eerst beschikbaar is.

De Nepali groep (er zijn studenten uit Nepal, maar in een deel van India wordt ook Nepali gesproken) danst in klassieke Oosterse stijl, met de karakteristieke kunstige armbewegingen en handgebaren. Volgens mij maken ze de choreografie zelf, op muziek van een CD.

Sommige dames dragen kleding in speciale kleuren, zodat het eruitziet als een kostuum. Maar Indiase dameskleding is van zichzelf al sierlijk en uiterst geschikt om in te dansen.

De Hindi-groep beeldt in mime situaties uit de samenleving uit. Evangelisatie: een evangelist leest uit de bijbel voor en deelt folders uit. Vervolging: er komen mannen op het toneel die de zojuist nieuw geinteresseerde lezers in elkaar slaan. Dronkenschap: waggelende mannen met flessen in de hand.Geweld: een relletje: vluchtende mensen springen van het podium af het publiek in, gevolgd door mannen met pistolen. De scenes worden afgewisseld door vier danseressen op de hoeken van het podium, terwijl op de achtergrond een studente met de Indiase vlag staat.

De groep uit het noordoosten danst op de ‘beat’ van hun drum (hetzelfde geluid waarbij ze zingen in de eredienst) – een heel eigen stijl, martiaal; de mannen met ontbloot bovenlijf. Twee mannen dansen intussen een meer virtuoze krijgsdans.

De drie Naga’s, uit het uiterste noordoosten, brengen een korte dans, enkel begeleid door hun eigen zang. Ze dragen kleding in de stijl van hun stammen: simpel van snit, maar kunstig, kleurig weefwerk.

De groep uit Kerala, een staat beroemd om z’n boten in de binnenwateren, zit in een nagebouwde boot en zingt een bootlied.

Ik geniet enorm van zulke voorstellingen – tegen kerst is er ook altijd een. Wat een rijkdom aan culturen! Wat een levenslust! Wat een toewijding en enthousiasme moet er in de voorbereiding gestoken zijn! Die studenten, met hun strak gedisciplineerde internaatsleven, altijd op elkaars lip, met de voortdurende druk van hun studie, hun problemen met de taal, het eten en hun gezondheid, en met hun heimwee – zo kunnen ze ook zijn! Als ze iets van deze rijkdom toch eens vruchtbaar konden maken voor hun eredienststijl, en het keurslijf van Amerikaanse kerkliederen openscheuren! Als ze deze rijkdom toch eens levend konden houden tegenover de oprukkende – alweer – Amerikaanse populaire cultuur…

 

Brief uit India 11 – rijk en arm

Er zijn twee India’s. – Zo praten de Indiers er zelf ook over. – Het ene is het India van de ‘middenklasse’. Er worden voor hen steeds duurdere en luxueuzere flats gebouwd. Ze laten ook zelf villa-achtige huizen bouwen. Ze kopen luxe-goederen in steeds luxueuzere winkelcentra. ‘Life-style magazines’ en de t.v.-reclame houden hun een spiegel voor van wat ‘in’ is en wat hun leven kan veraangenamen. Ze kopen steeds duurdere en meer comfortabele auto’s. Ze beleggen en sluiten leningen af. Tijdens de vele – oorspronkelijk religieuze – feesten geven ze heel veel geld uit aan sieraden, andere cadeaus, en vuurwerk. Hun kinderen kopen mobieltjes, die ze al vrij gauw weer ruilen voor de nieuwere modellen met meer mogelijkheden. Ze volgen hogere opleidingen en komen in de betere banen. Deze mensen zijn de consumenten; zij hebben koopkracht. Zij profiteren van India’s flinke economische groei, en omgekeerd stimuleren ze die ook weer door hun consumptieve levenspatroon. Kortom, ze zijn een trouwe weerspiegeling van de overeenkomstige klasse in het Westen. Die is hun ideaal-model. Dit speelt zich vooral in de steden af, maar in toenemende mate ook bij een bovenlaag op het platteland.

Het andere India is dat van de arme plattelandsbevolking en het proletariaat in de steden. Op het platteland zijn heel weinig voorzieningen; ik schreef er eerder over. In de steden leven velen op straat, of onder tentzeil. Fietsriksja-bestuurders slapen ’s nachts op hun vehikel omdat ze niets anders hebben. Mensen hebben geen werk of werk dat nauwelijks betaald wordt. En… ja, officieel wordt het ontkend, maar er is nog steeds een klasse van kastenlozen die latrines zonder spoeling en verstopte riolen moeten schoonmaken. Wc’s met waterspoeling zijn vaak opzettelijk niet aangelegd, om deze mensen sociaal laag te houden. En wie wil met zulke stink-mensen omgaan?

Dit zijn de mensen die vatbaar zijn voor allerlei ziekten maar geen geld hebben voor medische behandeling. Hun kinderen zullen hetzelfde werk doen; scholen, en geld ervoor, ontbreken. Hun slums in de steden kunnen van de ene dag op de andere door de politie worden ontruimd, want ze hebben zich illegaal op het land gevestigd.

Deze tweedeling is voor een belangrijk deel – naast het kastenstelsel – een erfenis van de Britse overheersing. Wie zich de Engelse taal, cultuur en waarden eigen maakten en overheidsbanen kregen, vormden een sociale klasse… In navolging van het Westen wordt het de ‘middenklasse’ genoemd, maar hier is het praktisch de bovenste 15-30 % van de bevolking.

Het wrange is dat deze bovenklasse makkelijk langs hun arme landgenoten heenleeft. Zeker, de overheid wil heus wel het een en ander voor de armen te doen – wat, door corruptie en politieke verhoudingen, moeilijk is. En vele particuliere organisaties zetten zich in voor ontwikkeling en onderwijs; niet alleen christenen maar ook hindoes. Maar over het algemeen kan men hier heel individualistisch leven. Waarom zouden wij geen recht hebben om te genieten van wat we hebben? We zijn gewend aan stroomstoringen, straatvuil en slechte riolering; wat er buiten ons hek gebeurt raakt ons verder niet. Zo zit de wereld – volgens het hindoeisme – nou eenmaal in elkaar.

Mensen als Gandhi en Nehru, de leiders uit de tijd van de onafhankelijkheidsstrijd, waren, als volbloed Indiers, opgeleid in het Westen en doordrenkt met Westerse waarden: de waardigheid van ieder individu; al konden ze politiek weinig voor de armen bereiken. Maar die generatie, met hun waarden, is verleden tijd.

India is een spiegel van de wereld, met haar schrijnende tegenstelling tussen rijk en arm en geringe interesse om daar wezenlijk iets aan te doen.

Wij zijn naar een arm land gegaan, om er wat voor te doen, maar we zijn en blijven hier rijk.

Als jullie aandacht geven aan de Micha-campagne die momenteel in Nederland (en andere landen) loopt en waar in de pers over geschreven wordt, steunen jullie ons in wat ons hier voortdurend bezig houdt. Veel sterker: dan steunen we elkaar in de aandacht voor de politiek van onze Heer, die nog steeds haaks staat op de mensenwereld.

 

Brief uit India 12 – debat

Hervormingsdag wordt op PTS uitgebreid gevierd. Een van de programmapunten is het debat. Dat is een serieuze zaak. De ‘faculty’ stelt zo’n zes weken van tevoren zorgvuldig het onderwerp vast. Het moet een duidelijke, puntige stelling zijn, waar iets voor en iets tegen te zeggen is. Dit jaar was het: “In een situatie van vervolging mag een christen vechten om zichzelf en degenen voor wie hij de zorg heeft te verdedigen”.

Elk van de ‘huizen’ – de PTS-gemeenschap is, voor sportieve en andere competitieve doeleinden, evenredig verdeeld in vier afdelingen – wijst twee studenten als vertegenwoordigers aan: een voorstander en een tegenstander. Het is dus niet de bedoeling dat deze studenten hun eigen mening naar voren brengen; ze moeten een opgegeven standpunt verdedigen.

Dat vereist goede voorbereiding: ze moeten het onderwerp bestuderen om argumenten te verzamelen. Het is de bedoeling dat hun ‘huis’ ze daarbij helpt. Daar kunnen de docenten dus ook aan bijdragen.

Er worden drie personen van buitenaf uitgenodigd om als jury te fungeren. Van tevoren wordt aan iedereen duidelijk aangegeven waar de deelnemers op beoordeeld zullen worden. Om te beginnen de inhoud: is die bijbels en historisch verantwoord en relevant voor de Indiase situatie? Dan de presentatie, de opzet van het betoog, de voordracht; kortom, de overtuigingskracht. Belangrijk is ook de beleefdheid: je mag alleen op de argumenten van de tegenpartij ingaan en die niet persoonlijk aanvallen. Verder wordt er gelet op een verzorgd uiterlijk. Voor elk van de criteria geven de juryleden een bepaald aantal punten. (Het is onvermijdelijk dat soms ‘charismatische’ juryleden worden uitgenodigd, maar we proberen hun neiging om vooral op een vurige presentatie en minder op de inhoud te letten, tegen te gaan.)

Beurtelings krijgen de deelnemers eerst vijf minuten de gelegenheid hun betoog te houden, in volgorde van de ‘huizen’, telkens eerst de voor-, dan de tegenstander. Daarna krijgt ieder, weer in dezelfde volgorde, een minuut de gelegenheid om op de argumentatie van de tegenpartij in te gaan. Een ‘timekeeper’ is aangewezen om een bel te luiden als iemands tijd om is.

Het is een echte wedstrijd: na afloop beraadt de jury zich en deelt vervolgens de winnaars mee, die een prijs krijgen. Het is spannend, vooral natuurlijk voor de deelnemers. De spanning en de tijdsdruk zijn in hun spreken duidelijk merkbaar. Dat leidt meerdere malen tot gelach, zonder dat het serieuze karakter van het onderwerp schade lijdt.

De jury was dit jaar (op mijn aandrang) gevraagd hun beoordeling te argumenteren. Naast veel positieve punten, werd het bijbelgebruik in het debat algemeen zwak gevonden. Dat vond ik ook. Er werden wel veel bijbelteksten aangehaald, maar ze waren niet altijd relevant gekozen en goed toegepast. Exemplarisch bijbelgebruik komt veel voor. PTS-studenten hebben vaak een indrukwekkende bijbelkennis, maar minder bijbelinzicht.

Verder viel het me op dat het begrip ‘vechten’ wel werd uitgewerkt, maar niets werd gezegd over wat ‘vervolging’ inhoudt. Tijdens het juryberaad, als andere aanwezigen gelegenheid krijgen om hun zegje over het onderwerp te zeggen, ben ik daar even op ingegaan. Maar ja, ik heb dan het voordeel dat ik m’n eigen mening kan geven, en bovendien dat ik kan nuanceren. Hoewel ik de argumentatie van de tegenstanders het meest indrukwekkend vond, helde ik toch naar het voor-standpunt over.

Het debat is niet alleen maar een spel. Het wordt beschouwd als een goede oefening in de vaardigheden waar het om gaat. Dat kan later op allerlei manieren van pas komen. Hoewel deze wedstrijd-debat-cultuur in Nederland de afgelopen decennia niet in de mode was, en op ons in veel opzichten vreemd overkomt, zie ik die voordelen wel.

 

Brief uit India 13 – schoenpoetser

Is het niet vreselijk koloniaal om je schoenen te laten poetsen door een schoenpoetser? Is dat niet mensonterend?

Toen ik, zo’n vijftien jaar geleden, te gast was bij ds. P.W. van de Kamp in Brazilie, en we samen langs de schoenpoetsers kwamen, wilde hij zijn schoenen niet laten poetsen: hij vond dat hij, als zendeling, een bepaalde stijl had op te houden. Maar hij had er geen bezwaar tegen dat ik het wel deed.

Schoenen zijn belangrijk. Een amateur-psycholoog besprak ooit met mij de schoen als symbool voor de basis van je bestaan. En mijn vader, de beroepsmilitair, leerde ons de spreuk: “Waarmee poetst de soldaat z’n schoenen? Met ijver en toewijding”.

Er zijn meer dan genoeg schoenpoetsers langs de weg hier; ze zitten zowat op een rij. Hun bedoeninkje ziet er armoedig uit: niet meer dan een kistje, een aantal potjes en een aantal borstels, die merkwaardig genoeg altijd bijna versleten zijn, en naald en draad. Enkelen hebben een zeil boven zich ter bescherming tegen de zon.

Je schoenen laten poetsen is heel goedkoop. Maar de kwaliteit is er dan ook veelal naar. Die mannen poetsen bijvoorbeeld alleen de voorkant van je schoenen; ze bederven de kleur door een verkeerd kleurmengsel te gebruiken; ze borstelen slordig, halfslachtig, zonder inspanning, zodat je het thuis over moet doen of veel schoensmeer aan je broekspijpen krijgt.

Na lang zoeken heb ik een schoenpoetser gevonden die eruit springt. Ik schat hem op begin dertig (de ideale leeftijd voor een man volgens traditionele theologen). Hij is opgewekt en doet zijn werk met kennelijk plezier.

Het maken van het juiste kleurmengsel is kunstenaarswerk. Speciaal voor jouw schoenen komen uit verschillende potjes, netjes naast elkaar op een palet, achtereenvolgens wat schoensmeer, nog wat schoensmeer van een andere kleur, wat kleurpoeder in een donkerder kleur, en wat witte creme, die dan worden gemengd.

Maar deze schoenpoetser doet meer dan gewoon poetsen. Hij keurt zijn werk als een schilder: hier nog een beetje van dit, daar nog wat van dat. Hij borstelt met ijver en toewijding. De randen van de zolen krijgen zonodig een aparte kleurbehandeling met een tandenborstel. Vooral als je om een reparatie vraagt, controleert hij het hele paar schoenen wat eraan moet gebeuren: een beetje lijm hier, een stikseltje daar… Hij geeft een paar schoenen een nieuw leven. Alles met vaardige hand.

Ik heb hem weg zien dansen van zijn plekje (dat kan hij veilig doen, er zit niemand aan z’n spullen) en dansend terug zien komen met een paar speciale veters die in dit geval nodig waren en die hij niet voorradig had. Ik heb me in het begin een keer geschaamd dat ik van tevoren afgedongen had op zijn prijs. Sindsdien geef ik hem altijd een royale fooi.

Dan nog is het goedkoper dan vijftien jaar geleden in Brazilie. Nou kreeg je er daar ook wel iets meer voor. Je werd in een heel grote stoel gezet, je hield je schoenen aan, je kreeg kappen in je schoenen om je sokken te beschermen, en je kreeg een krant in handen (die ik natuurlijk niet kon lezen, maar ik heb me wel laten fotograferen). Hier blijf je staan, en als je je schoenen uittrekt staan er een paar slippers voor je klaar. Evengoed vind ik het ongelooflijk wat je krijgt voor een paar dubbeltjes.

Deze man zit begrijpelijkerwijs op een toplocatie: voor het grootste filiaal van de schoenenwinkel langs de hoofdweg, onder een boom op een pleintje.

Ik schaam me niet hem dit nederige klusje voor me te laten doen (het is, met temperaturen ’s zomers flink boven de dertig graden, ook wel een uitkomst!). We kennen elkaar, en als hij mij vrolijk groet is er geen spoor van onderdanigheid in zijn houding. Hij verdient met dit werk niet alleen z’n inkomen, hij heeft ook z’n beroepstrots. Hij heeft hoogstwaarschijnlijk nog nooit van het cultuurmandaat gehoord, maar hij straalt het wel uit.

 

Brief uit India 14 – Assam

Er zijn geen wasmachines; de was wordt gedaan in de rivier. Er zijn geen koelkasten. Er zijn geen bederfelijke waren te koop in de winkels; geen zuivelproducten behalve wat houdbare melk. Er is geen fornuis; er wordt gekookt op een houtvuur tussen stenen. Tijdens ons bezoek is er een hulp in huis die praktisch niets anders doet dan eten en thee klaarmaken, serveren, afruimen – bijgestaan door de kinderen van het gastgezin – en afwassen. Er is in de meeste huizen niet eens stromend water; water stroomt op bepaalde uren uit openbare kranen langs de weg. Tijdens elke lange donkere avond valt  de stroom een paar keer uit, en dan zijn er geen (dure) ‘invertors’, hoogstens kaarsen en voor sommigen een zaklantaarn.

Maar het is altijd nog beter dan in de plattelandsdorpen in de regio: daar zijn helemaal geen winkels; behalve wat het land zelf oplevert, moet alles aangevoerd worden uit het centrale dorp. Dat moet voor een belangrijk deel te voet; en zo moeten ook de landbouwproducten naar de markt gebracht worden. De problemen met watervoorziening zijn ernstiger, en elektriciteit is er vaak niet..

Dit is Noord-Oost-India, een ‘puist’ aan het land, bewoond door een ander ras, door veel Indiers nauwelijks als landgenoten beschouwd. De armoede is niet alleen materieel; er is ook een gevoel van achterstelling en verwaarlozing: “De regering is corrupt en doet niets voor ons”. Er zijn in deze regio opstandelingen actief, die zich ook met drugssmokkel en -gebruik bezig houden – als je hun gelederen verlaat om af te kicken, ben je je leven niet zeker.

Er is hier volop ontwikkelingswerk te doen.

Grote delen van dit gebied zijn praktisch geheel of in belangrijke mate christelijk, sinds begin twintigste eeuw. De Reformed Presbyterian Church of North East India (RPCNEI), onze zusterkerk, levert een belangrijk percentage van de studenten aan PTS. Deze kerk doet volop aan ontwikkelingswerk. Een belangrijk centrum is Hmarkhawlien (spreek uit Markolien) in Assam. Er is een dagopvangcentrum voor schoolgaande kinderen, dat zorgt voor eten, schooluniformen en huiswerkbegeleiding. Er is een project om in afgelegen dorpen scholen te stichten. Er is een trainingscentrum waar vroegtijdige schoolverlaters beroepsvaardigheden kunnen leren om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Er is een agrarisch trainingscentrum, waar boeren uit de omgeving in cursussen van een of twee weken geavanceerde landbouwmethoden kunnen leren, in een nieuw gebouw, compleet met slaapgelegenheid (waaronder een kamer die aan onze verwende Westerse wensen tegemoet komt), een keuken, twee royale dienstwoningen en twaalf personeelsleden.

Deze projecten zijn er ten dienste van iedereen, ongeacht religie. Maar het is de bevolking wel duidelijk dat dit werk uit de kerk voortkomt. Het maakt, naast het kerkelijk evangelisatiewerk, een belangrijk deel uit van de aantrekkingskracht van dit nog vrij jonge kerkgenootschap. Het vloeit voort uit het verlangen aan de wortel van deze kerk om gereformeerd te zijn in leer en kerkregering, en missionair.

Donors van deze projecten zijn De Verre Naasten en Redt een Kind. Als hier Westerse bezoekers komen – zeldzaam, een bezienswaardigheid – zijn het Nederlanders. Daarnaast wordt samengewerkt met christelijke organisaties in India, die professionele inbreng leveren. De projecten worden gerund door plaatselijke leiders met enthousiasme, expertise en inzicht in de plaatselijke situatie – de donorganisaties maken ernst met partnerschap.

De cultuur hier mag dan nog verder van ons afstaan dan in het redelijk moderne, stedelijke Dehra Dun – toch zijn wij hier ‘thuis’. Vele laatsten, zelfs in India, zijn hier eersten.

De meeste mensen in India werken op het platteland; ze bedrijven de landbouw –  noodgedwongen – intensief en met inzet van het hele gezin. Met wat visie zou het land een agrarisch toeleveringscentrum voor de regio, met name rijke West-Aziatische oliestaten, kunnen worden. Maar – terwijl er wel personeel in het centrale dorp te krijgen is – wie wil er, als onderwijzer of dominee, in een dorp wonen? Ja, er zijn er wel! Maar er is wel veel gebed voor nodig!

Brief uit India 15 – Assam kerst

Traditioneel was er altijd al een winterfeest. De oogst was binnen en er was weinig te doen op het land. Toen de Hmar christenen werden, werd het veranderd in kerst-en-oud-en-nieuw.

Er zijn vele kerkdiensten en samenkomsten – in de twee weken dat wij er waren (onze wintervakantie), welgeteld 21; ik heb ze niet allemaal bijgewoond. Maar in deze cultuur hebben mensen weinig andere afleiding.

Mededelingen in de dienst nemen veel tijd in beslag. Het programma voor de hele periode wordt elke keer weer uitvoerig beschreven, met namenlijsten van degenen die voor de verschillende onderdelen verantwoordelijk zijn. Dit is een orale cultuur! Vaak geeft degene die bijbel leest of voorgaat in gebed een soort meditatie of een getuigenis ter inleiding. Sommige diensten duren een uur, vele bijna twee uur. Er wordt veel gezongen. De melodieen zijn heel eigensoortig, ietwat eentonig maar wel waardig. Gezangen worden vaak herhaald, geheel of gedeeltelijk. Een keer hebben we van een gezang met zes strofen er 23 gezongen, elke keer met refrein! De enige begeleiding is de drum, waarop een beat geslagen wordt, vrij snel (op elke halve tel) en zo hard mogelijk. De drum dreunt door in je lijf. De gezangen zijn rijker van inhoud dan het gemiddelde kerstlied. Een jeugdkoor zingt iets meer Westers getint, prachtig veelstemmig, en dat terwijl bladmuziek in Indiase muziek niet of nauwelijks bekend is.

Op verscheidene dagen is er ’s avonds nog een programma na de dienst, in een speciaal voor deze festiviteiten gebouwd tijdelijk onderkomentje, rond een vuur – er zit een rookgat midden in het dak. Ook hier wordt gezongen, afgewisseld met meditaties, tot middernacht of nog langer.

Op tweede kerstdag breekt er iets. De bijbellezeres kon al bijna niet lezen van het huilen. Tijdens het zingen huilen een aantal vrouwen. Dan wordt er nog ‘massed prayer’ gedaan: alle aanwezigen bidden hardop door elkaar voor van tevoren opgegeven gebedspunten. Een aantal vrouwen, een stuk of zes, houden niet meer op. Ze staan op, huilen, het bidden wordt steeds luider, en op een gegeven moment vallen ze om en gaan op de grond liggen rollen, al huilend en biddend.

Snel schuiven andere aanwezigen een aantal kerkbanken aan de kant, binden de vrouwen de rokken goed vast en bij enkelen de benen samen, en trekken ze de schoenen uit, zodat ze zich niet kunnen verwonden – adekwaat optreden in geval van een epileptische aanval.

Zo’n incident is ongebruikelijk in deze kerk; men begrijpt niet goed wat er aan de hand is en weet niet wat men er van moet vinden. Hoe dan ook, het is ons duidelijk dat het eindeloze zingen, vermoeidheid en slaapgebrek, de voortdurende geestelijke en emotionele spanning, en de drumbeat die uiteindelijk als een drug werkt, hun tol eisen.

Ik dring er er fluisterend bij de kerkleiders op aan dat men er iets aan doet. Een natte washand helpt niet. Met elkaar slagen we erin de drummer, die zelf zo ongeveer in trance is, te laten ophouden. Na afloop praat een van de leiders rustig met de vrouwen na. Ze zeggen dat ze overstelpt werden door blijdschap. Dat lijkt ons hooguit een deel van het verhaal. Saskia en Elma voelden het aan als verdriet en zelfs wanhoop.

De leiders zijn het erover eens dat er onderwijs vanuit de bijbel nodig is. Met alle respect en sympathie voor persoonlijke emoties: “Alles moet tot opbouw gebeuren” en dat is dit niet; het is pijnlijk om mensen zo hun zelfbeheersing te zien verliezen.

Op eerste kerstdag en nieuwjaarsdag wordt er een gezamenlijke maaltijd gehouden op het kerkplein. De eerste keer wordt er een varken geslacht, de tweede keer een koe; we kijken geboeid naar het villen, het verwijderen van de ingewanden, enzovoort. Het is een echt gemeentefeest. Tafels en stoelen zijn niet nodig, ook geen borden en bestek. Op de grond worden bananenbladeren uitgespreid, daarop wordt het vlees en de rijst uitgestort, en de mensen gaan er in groepen van ongeveer zes omheen zitten.

Dit is een zusterkerk. Al versta ik de taal niet en is het cultuurverschil groot, ik voel me er thuis.

 

Brief uit India 16 – Heilige Geest

Hoewel ik de komende paar maanden in Nederland hoop te zijn, wil ik toch graag nog wat vertellen: er is nog een heleboel stof.

Net als in andere delen van de wereld is hier in India de Pinksterbeweging een grote stroming binnen het christendom. Ik ben hier gevraagd een cursus over de Heilige Geest te ontwikkelen. De studenten zijn erg geinteresseerd in het onderwerp. Laat ik er iets over vertellen hoe ik het heb gedaan.

In de eerste plaats bestudeer ik met de studenten een aantal bijbelgedeelten over de Heilige Geest. Te beginnen bij Numeri 11: de zeventig oudsten rondom Mozes, die profeteren. We zien dat de Geest de grote gave is van het nieuwe verbond, geprofeteerd in het oude. Speciale aandacht krijgt Handelingen 2: Pinksteren. Dat is een eenmalig heilsfeit. – In de gezangen hier wordt veel gebeden om de Heilige Geest, maar zelden of nooit gedankt dat Hij gegeven is, dat Hij nu bij ons is. – a We staan lang stil bij 1 Korinte 12-14: de gaven van de Geest, en hoe je ze niet moet gebruiken en hoe wel.

Tegelijkertijd ga ik met ze door de leer heen: in vrijwel elk hoofdstuk heeft de Geest een plaats. Hij is de Geest van de Vader: Hij leert ons de wereld van Vader waarderen en goed gebruiken (1 Timoteus 4: 1-5). Hij is de Geest van de Zoon: Hij deelt de gaven van de Zoon aan ons uit; in een woord samengevat: genade.

Dan laat ik lijnen zien door de Amerikaanse kerkgeschiedenis. Via de zending is dat ook voor een belangrijk deel de achtergrond van de Indiase kerkgeschiedenis. Vanuit het Pietisme en de opwekkingsbewegingen gaan we het ontstaan van de Pinksterbeweging beter begrijpen.

De ‘Candlestand Statement’, opgesteld in IRTT-cursussen met kerkleiders van over de hele wereld, heb ik gebruikt al van voordat de inkt droog was. Het document ademt de geest van een belijdenisgeschrift; de opbouw doet denken aan de Dordtse Leerregels. Warm en zonder reactionaire eenzijdigheid wordt hier de leer van de Heilige Geest beleden, en zijn werk in ons hart en leven en in de kerk – ik zou haast zeggen: bezongen. Pas aan het eind van elk hoofdstuk worden een aantal opvattingen bestreden: bijvoorbeeld de claim dat mensen nog steeds openbaringen krijgen, net zo gezaghebbend als de bijbel. En de boodschap van ‘gezondheid en rijkdom’ (‘health and wealth’) – alsof lijden niet een belangrijke plaats in het christelijk leven kan hebben. Fundamenteel is de visie van het twee-fasen-christendom: alsof je naast gewone christenen een klasse bijzondere christenen hebt die iets extra’s hebben.

Verrassend voor mezelf was de vergelijking van het charismatisch denken met het populaire Hindoeisme, dat op zijn beurt animistische trekken vertoont: de nadruk op beleving als kenmerk van godsdienstigheid, de magische herhaling van klanken, en de voorkeur voor on-alledaagse, wonderbaarlijke verschijnselen.

Er is overigens meer dan de charismatische beweging. We besteden ook aandacht aan oecumenische visies op de Heilige Geest: een vrouwelijke kracht, bevorderaar van de menselijkheid in het algemeen en van het milieu.

Enkele collega-docenten, zowel als studenten, waren eerst Pentecostal. Zij ervaren de gereformeerde leer als een verrijking en verdieping. (Een voorbeeld is het verhaal van Ds. Solanki in Adrian Verbree, In India). Nu gaat de hele bijbel voor ze open. Nu gaat het over het verbond van God, dat het hele leven omvat en vernieuwt, niet alleen het ‘bijzondere’. Ze krijgen oog voor het cultuurmandaat. Ze krijgen bijvoorbeeld belangstelling voor politiek.

 

Brief uit India 17 – wat ik mis

Jullie moeten veel missen, schreef iemand me. Naar aanleiding daarvan een lijstje. Van beide kanten.

Dingen die ik hier in India mis
–          Goed onderhouden, veilige wegen en paden, in het vlakke land, geschikt voor wandelen en fietsen.
–          Schone lucht. Een schoon milieu.
–          Stilte. Hadden we in Twijzel veel meer, en tijdens onze vakantie in Voorthuizen helemaal.
–          Privacy. Iedereen kan hier op elk moment binnenlopen. Maaltijduren worden niet ontzien. Op de campus, waar mijn dagelijks leven zich grotendeels afspeelt, moet ik altijd iedereen (terug-)groeten. En “How are you?” is als je chronisch een beetje depri bent, iets afschuwelijks.
–          Preken. Vooral de voorbereiding, het preek maken. Dat doe ik hier ook wel, maar veel minder.
–          Psalmzang. Er zijn hier wel goede gezangen, maar heel veel zijn eenzijdig en sentimenteel.
–          Het dagelijks leven in de gemeente en het kerkenraadswerk. Theologie op zich blijft een beetje droogzwemmen.
–          Schrijven voor De Reformatie. Het schrijven van ‘Brieven uit India’ is trouwens ook leuk.
–          Hoge, constante kwaliteit van goederen en diensten. Het leven mag hier dan ongeveer vijf keer zo goedkoop zijn (het wordt wel duurder, hier nog sneller), maar meer dan eens denk ik: Ik gaf liever vijf keer zoveel uit voor iets goeds.
–          Het Nederlandse brood. Mals en voedzaam, smakelijk, en in vele variaties.
–          Centrale verwarming (niet meer dan drie maanden per jaar).
–          De gesprekken met familie, vrienden, collega’s, meestal door de telefoon, waarin je nooit van tevoren weet waar het allemaal over zal gaan, maar waar je toch altijd wat aan hebt. Hier zijn zulke gesprekken er ook wel, maar de mensen zijn nooit zulke oude bekenden en het moet altijd in het Engels.

Dingen die ik zal missen als we straks weer in Nederland wonen
–          De geweldige variatie: aan mensentypen, landschappen, en nog veel meer.
–          De relaxtheid: je kunt altijd zonder afspraak bij iemand binnenstappen; die heeft dan altijd tijd voor je. Het is niet altijd efficient. Maar het geeft wel een prioriteit aan: mensen gaan voor. Het is hartelijk.
–          Het gemeenschapsleven van PTS. Je hoeft het niet te idealiseren, maar het zijn wel allemaal mensen die gemotiveerd zijn voor een christelijke samenleving.
–          De dagelijkse omgang met collega-theologen en met gemotiveerde theologische studenten.
–          Weken achter elkaar mooi weer.
–          Inkopen doen zonder protesten van de portemonnee. Warm eten bestellen, idem.
–          Me laten rijden in de spotgoedkope motorriksja’s, of, vooral met het hele gezin, in de betaalbare taxi’s.
–          ‘Sapman’, waar ik bij het boodschappen doen altijd langs kom en waar je voor een paar dubbeltjes een heerlijk glas versgeperst gemengd vruchtensap krijgt.
–          Verse litchi’s; je weet wel, die vruchten die je in Nederland alleen bij de Chinees krijgt, uit blik. Een specialiteit van Dehra Dun.
–          Aardbeien die echt naar aardbeien smaken en niet vooral naar water. Worteltjes die echt naar worteltjes smaken. Tomaten die… Bloemkool die…
–          De vleesgerechten – meestal kip – in pittige saus – ‘curry’ zeggen ze hier, maar er gaan allerlei kruiden in.

 

Brief uit India 18 – leren

Hoe leren studenten? Dat is een elementaire vraag als je onderwijs wilt geven.

Toen ik hier nog niet zo lang was, verzuchtte ik: Het lijkt wel of “studenten er alleen maar in geïnteresseerd zijn om precies voorgekauwd te krijgen hoe ze hoge cijfers kunnen halen”. Gaandeweg ben ik de achtergrond meer gaan begrijpen.

De stijl van het Indiase onderwijs is gebaseerd op stampen. Klassikaal opdreunen van voorgezegde klanken en formules, waarbij nadenken niet nodig is.

Daarbij komt een strenge discipline. Als het kind van vier een letter niet netjes genoeg schrijft, kan het van de hulpjuf met de lineaal een tik op de vingers krijgen (niet van de juf zelf; die is beter opgeleid). Ook ouders kunnen een kind slaan als het bij het huiswerk overhoren een verkeerd antwoord geeft; Tabita heeft het meegemaakt bij een vriendinnetje thuis en was geschokt. Het is niet voldoende een goed antwoord te geven; je moet het antwoord precies zo geven als het je voorgezegd is. En de juf heeft altijd gelijk, ook als ze ongelijk heeft. We merken het van dichtbij aan Tabita. Saskia komt daar af en toe tegen in het geweer. Over het algemeen passen onze kinderen zich behoorlijk goed aan. Ze hebben het voordeel dat hun ouders allebei behoorlijk streng gedisciplineerd opgevoed zijn. We zien er ook wel de positieve kant van; het systeem hier heeft misschien teveel van wat Nederland te weinig heeft. Adrian Verbree erkende dat hij met zijn gezin direkt gillend weg zou lopen. Al met al wordt zelfstandig nadenken zo wel ontmoedigd en originaliteit en creativiteit de kop ingedrukt.

Nog een factor is de enorme prestatiedruk. De ouders werken daar vaak aan mee en zetten de school soms zelfs onder druk om dat te stimuleren. Alles draait om hoge cijfers halen in een overvloed van tests en examens. Er is een sterke competitie. Je moet dat zien in de kontekst van een ontwikkelingsland. Onderwijs krijgen is een groot voorrecht; als je niet voldoende presteert staan er dertig klaar om je plaats in te nemen. In de maatschappij is de koek klein. Straks op de arbeidsmarkt is het dringen. Voor theologen geldt dat minder, maar ook zij krijgen een betere positie alleen met een papiertje. In India, maar ook in andere ontwikkelingslanden, komt het rond examens nogal eens voor dat studenten zelfmoord plegen.

Theologische studenten gaan niet voor topbanen met topinkomens. Maar als ze vanuit zo’n atmosfeer op PTS komen, kunnen ze die natuurlijk niet zomaar van zich afschudden. Ze werken keihard voor cijfers en examens. Dat is op zich positief. Ze hebben ook heus wel een eigen motivatie om de bijbel en de christelijke leer beter te leren kennen en begrijpen.  Maar ze zijn bang om iets anders te doen dan precies wat de docent verwacht. Vaak zie je dan dat ze wel ijverig geleerd hebben maar zonder het goed te begrijpen.

Te strakke discipline is niet bevorderlijk voor zelfstandig werken en zelfdiscipline. Dat leidt er dan ook toe dat ze vaak weinig studeren als er geen test of examen of deadline voor een opdracht ‘dreigt’, of als ze vertrouwen dat het al wel voldoende is.

Ze leren meer voor examens dan voor het leven, in dit geval voor hun toekomstige ‘ministry’. Ze hebben moeite om verworven kennis buiten de cursus toe te passen, of kennis uit verschillende cursussen met elkaar in verband te brengen. Ook dat is een algemeen verschijnsel bij Indiase studenten. In modules als ‘studiemethoden’ of ‘onderwijsmethoden’ kunnen ze goede cijfers halen, zonder dat ze het geleerde ook kunnen toepassen in hun verdere studie of voor de klas op zondagschool.

Aan de andere kant kunnen ze soms heel aardig redeneren, vanuit hun inzicht als christen en ervaring in het kerkelijk leven. En in de praktijk van het lesgeven, het pastorale gesprek of het evangeliseren brengen ze het er vaak best goed af. Maar het ‘objectief’ geleerde en het ‘subjectieve’ of praktische inzicht met elkaar in verband brengen, daar hebben ze moeite mee. Nou ja, dat was bij ons op de jeugdvereniging ook al zo. Er zijn overigens echt wel een aantal rijpere studenten die het beter doen.

Verder zijn er dan nog problemen als bijvoorbeeld de taal: velen hebben moeite met het Engels, vooral in het begin.

Als je deze achtergrond begrijpt, kun je er als docent wat aan gaan doen. Daartoe stimuleren we elkaar ook in de ‘faculty’ en op docentendagen. We komen verder.

 

Brief uit India 19 – getuigenissen

Diraj was nog heel jong toen zijn vader overleed. Hij had twee broers boven zich. Die hadden, volgens de Indiase cultuur, geld moeten verdienen voor het achterblijvende gezin. Er was ook nog een jonger zusje.

Het hele dorp was boeddhistisch. Maar er was ooit een evangelist op doorreis langs gekomen. Hij had een tractaatje op het dak van het huis gelegd. Diraj’ tweede broer las het. Zo kwam hij tot geloof in Christus.

Hij werd in het hele dorp geplaagd met zijn afwijkende geloof, of met de nek aangekeken. De oudste broer – die, alweer volgens de heersende cultuur, een belangrijke gezagspositie in het vaderloze gezin had – joeg hem zelfs het huis uit. Diraj was toen nog te klein om dat te begrijpen. Maar het had hem wel dwars gezeten (hoor ik tussen de regels door; de studenten uiten niet zo makkelijk hun gevoelens, zeker niet in het Engels).

Moeder was erg boos op haar oudste zoon. Jullie zijn allebei zoons van mij, zei ze; jullie zijn me allebei even lief. Nu jij je broer weggejaagd hebt, ga je zelf ook maar.

Zodoende moest Diraj hard werken. ’s Morgens vroeg werkte hij bij een oom. Dan kreeg hij eten en wat geld. Laat in de middag en ’s avonds ging hij bij een buurman werken. Ook daarmee verdiende hij een beetje. Op die manier zag hij zelfs kans om een schoolopleiding te volgen.

Later werd hij nieuwsgierig, wat het toch geweest was wat zijn ene broer zo belangrijk had gevonden dat hij zich ervoor het huis uit had laten sturen. Intussen had zich in het dorp een kleine groep gelovigen gevormd. Hij ging ernaar toe als ze bij elkaar kwamen om de bijbel te bestuderen. Zo kwam ook hij tot geloof.

Zoals zo veel bekeerlingen wilde hij nu ook meewerken aan de verbreiding van het evangelie. Dank zij zijn schoolopleiding was hij nu zover dat hij verder kon gaan leren in theologie. Hij kwam in contact met iemand die aan PTS had gestudeerd. Nu studeert hij er zelf.

 

Sangita – ook zij heet in werkelijkheid anders – kwam, net als Diraj, bij mij om me haar ‘getuigenis’ te laten lezen, voordat ze het zou voorlezen in de ‘chapel’-samenkomst op donderdagmorgen. Haar verhaal riep bij mij dezelfde vraag op als zoveel andere, maar sterker. Je groeide op in een christelijk gezin. Jullie gingen regelmatig naar de kerk. Hoe komt het dan dat je, zoals je ook schrijft, niet van de Here hield?

Tja, de sfeer in huis was weinig hartelijk. Er waren strikte gezagsrelaties, maar geen intimiteit. Na wat doorvragen komt het eigenlijke verhaal eruit: een oudere broer had haar seksueel misbruikt, een paar jaar lang. Daar had ze met niemand over kunnen praten. Het gevolg was dat ze bij Gods vaderliefde niets kon voelen. Pas later had ze daar met een tante over kunnen praten.

Zou ze dat niet in de chapel kunnen vertellen? Wat is er beter dan voor het aangezicht van God met elkaar elkaars werkelijkheid onder ogen te zien? Nee, daar had ze het al met mevrouw Chacko, de vrouw van de ‘principal’, over gehad (verder had ze er hier nog nooit met iemand over gepraat). Ze wist dat in het Westen zoiets wel zou kunnen, maar mevrouw Chacko was het met haar eens dat het in deze cultuur niet kon. Een vrouw wordt er altijd op aangekeken: ze is ‘verontreinigd’.

Ik help Sangita met een formulering waarin het feit niet wordt verteld maar waarin de sfeer zoals zij die ervaren had toch recht wordt gedaan: “Ik groeide op in een sfeer met weinig vertrouwelijkheid en ik kon me bij de liefde van God niets voorstellen”.

Het is prima om er eerlijk over te zijn dat je geen oprecht gelovige was, in je tienerjaren, voordat je Christus van harte aanvaardde. Maar iets anders is, vind ik, dat je best billijk mag zijn in je oordeel over jezelf.

Het zijn de levensverhalen achter de getuigenissen, die ik meer dan eens ontroerend vind.

 

Brief uit India 20 – aanpassen

Na bijna een half jaar is het weer even wennen aan alles wat toch zo bekend is. De warmte: 20 graden meer dan in Nederland; en in deze periode nog vochtig. Het chaotisch door elkaar krioelend verkeer – niemand houdt zich aan de rijstroken, en dat is maar goed ook, anders zou het nog veel trager gaan. Auto’s, autoriksja’s, veel motoren en scooters, maar ook bakfietsen, drie meter hoog en breed geladen met dozen, spijkerbroeken, matrassen (de bestuurder zit voorop) – snel en langzaam verkeer, sterk en zwak, rijk en arm, alles door elkaar. Het zinloze tuteren – als het echt zwaar klinkt is het een vrachtwagen of een bus, die hondsbrutaal iedereen opzij drukt. Alleen stoplichten worden redelijk gehoorzaamd – noodgedwongen, uit lijfsbehoud. Geduld is vereist; het wordt gestimuleerd door lichten die de seconden aftellen tot groen; die beginnen telkens weer bij 90.

De merkwaardige geur van Delhi houdt het midden tussen zand en vuil. Het is niet opdringerig. We komen – met de taxi vanaf het vliegveld naar de beroepsgastheer ds. Solanki – door het regeringscentrum met z’n brede lanen en z’n bomen. Bussen en autoriksja’s rijden op gas en zijn dus weinig vervuilend; daar zijn ze hier trots op.

De volgende dag gaat het ook weer met een taxi naar Dehra Dun. De zakelijke stijl die ik ontwikkeld had tegenover bedelaars ben ik weer ontwend, ik ben weer weekhartiger; en op een kruising, door het open raam van de taxi, koop ik zowaar een speeltje waar Ludger straks plezier aan zal beleven. Een indrukwekkende rij enorme betonnen zuilen wijst op een in aanleg zijnde nieuwe metrolijn. In de voorsteden verrijzen gigantische winkelcentra. Waarom komt het woord ‘protserig’ in mij boven? Dat vond ik destijds van Hoog Catharijne in Utrecht ook.

De ‘snelweg’ Delhi-Dehra Dun is ook in aanleg; dat is urgent. Maar de moesson heeft er alweer veel schade aan gedaan. Voorlopig wisselt het verkeer telkens van de ene in aanleg zijnde rijbaan naar de andere.

In Nederland is geld gewoon handig; je koopt wat je nodig hebt en soms iets wat je prettig vindt. Hier geeft geld een gevoel van macht. Je hebt – naar verhouding – veel meer. Bovendien heerst hier nog de standensamenleving. Taxibestuurders en bedienend personeel hebben een vriendelijke en gedienstige houding. Je wordt, als blanke, als rijke herkend. “Sir, taxi?”, hoor je talloze malen. In het beroemdste zelfbedieningsrestaurant halverwege Delhi-Dehra Dun rent de kelner om je een plaats te wijzen in het airconditioned gedeelte en je te bedienen. Op een goede fooi wordt met kennelijke dankbaarheid gereageerd.

Thuis is het weer wennen aan de beperkingen – waar geld niet tegen helpt. Zorgvuldig onderscheid maken tussen kraan- en drinkwater. Douchen gaat praktisch niet, de warmwaterleiding is verkalkt, we moeten gieten. De moesson, heviger dan andere jaren, heeft kabels beschadigd – de kwaliteit was altijd al matig. Zowel de vaste telefoon als het mobieltje werken niet. Een tijdlang waren er veel stroomstoringen, en de noodvoorziening werkte zwak; de internetverbinding liet het vaak afweten en de tv-kabel idem. Saskia en de kinderen hebben zich er kranig doorheen geslagen. Saskia had er wel iets over gemaild, maar nu ervaar ik het zelf. De kok komt niet altijd opdagen. En haar werk, hoeveel we ons ook de jaren door hebben ingespannen – met hulp van vertrouwde tolken – om duidelijk te maken hoe we het hebben willen en hoe je met spullen omgaat, voldoet nog steeds niet. Een vettige laag olie ligt op alles in de keuken en omgeving – met het overal aanwezige stof erin geplakt. Schoonmaken gebeurt, maar, naar Indiase standaard, in beperkte mate.

Maar intussen: ik hoor hier; ik ben hier weer thuis. Het is fijn om weer als gezin bij elkaar te zijn. In de stad word ik vriendelijk herkend door de winkeliers. De overgang van m’n vrije tuinhuisje in Nunspeet naar de overvolle campus waar je eindeloze keren per dag moet teruggroeten, is enorm. Maar de ontvangst is wel heel hartelijk. Het docententekort is nijpend; ik moet meer uren per week lesgeven dan ooit. Lesmateriaal dat ik eerder ontwikkeld had, blijkt gelukkig nog erg bruikbaar te zijn: behalve vruchtbaar is het nu ook efficient. Docenten worden met respect benaderd. Ik heb weinig tijd gehad om om te schakelen. Het leven gaat verder en ik heb er mijn plaats.

 

Brief uit India 21 – sappelaars

India doet mij vaak denken aan het Nederland van zo’n honderd jaar geleden. Toen was er in ons land ook veel armoede. De verschillen tussen rijk en arm waren veel groter dan nu. Er kwam nog malaria en tuberculose voor. De sociale wetgeving stond nog in de kinderschoenen. Allemaal dingen die je nu in India herkent.

Maar er waren velen – en ook dat herken je nu in India – die niet bij de pakken neerzaten. Met de beperkte mogelijkheden die ze hadden, werkten ze hard om vooruit te komen. Ze investeerden hun zuurverdiende stuivers in voortgezet onderwijs voor hun kinderen, zo dat die in ieder geval een betere toekomst zouden hebben. Er was een emancipatiebeweging aan de gang. Nederland was een land in ontwikkeling – toen we nog niet van ‘ontwikkelingslanden’ spraken.

India is volop in ontwikkeling. De economie groeit goed. In de wereld geldt het land als een opkomende economische gigant. Veel Indiërs genieten merkbaar van de economische groei. En ze zijn er trots op. Steeds meer studenten hebben een mobieltje, soms zelfs een eigen computer. En de Indiase staalkoning Mittal heeft op het punt gestaan onze (voormalige) ‘Hoogovens’ over te nemen!

De Westerse landen zien de opkomst van de nieuwe machten als een bedreiging. Zij proberen van hun kant mensen hiervandaan buiten de deur en buiten de arbeidsmarkt te houden. En de Wereldhandelsorganisatie (WTO) is er weer niet in geslaagd om de tariefmuren te slechten.

We hebben het vaak over de bittere, uitzichtloze armoede in India, en de schrille tegenstelling tussen arm en rijk; en we zullen het er nog wel eens vaker over hebben.

Deze keer hulde aan de sappelaars. De kleine neringdoenden, die elke dag druk bezig zijn met overleven, maar toch ook telkens weer investeren om morgen weer verder te kunnen, als het even kan een beetje beter. De families die kleine winkeltjes drijven, vader, zoons en schoondochters, die allemaal in de zaak de handen uit de mouwen steken. De man die met z’n fiets oud papier ophaalt, de man die met bezems langs de deuren komt, de mannen met de handkarren met groenten, of aardappelen en uien, met hun dagelijkse welluidende roep door de wijk (herinneringen oproepend aan mijn kinderjaren). De mannen en vrouwen die in kleine, arme huisjes wonen, niet meelijwekkend maar ook niet aantrekkelijk. Ze zijn te goed voor ontwikkelingshulp, ze dragen BTW af, en ze nemen met eindeloos geduld de corrupte bureaucratie op de koop toe. Ze dragen bij aan de groei van de economie.

En ze willen graag uitbreiden als het kan. Ze willen graag een iets beter huis, meer elektrische apparaten, geld voor een goede dokter en een betere toekomst voor hun kinderen. Kortom, ze hebben dezelfde ambities als onze (over-)grootouders. Ze willen graag een groter deel van de wereld-koek.

Is dat voor ons een bedreiging? Zouden wij ze dat misgunnen? Ook als wij daarvoor een beetje zouden moeten inschikken?

Als je zending en hulpverlening een warm hart toedraagt, sta je goed voorgesorteerd: je ziet ‘vreemdelingen’ uit ontwikkelingslanden in het licht van de liefde van Christus. Vrijgemaakte jongeren en leeftijdgenoten uit India ontmoeten elkaar. Wie ver waren, worden dichtbij. Broeders en zusters in Nederland: jullie broeders en zusters uit ontwikkelingslanden, nu nog minder welvarend maar hardwerkend, komen eraan!

Brief uit India 22 – thesis

De studenten van de hogere opleiding (MDiv, ‘Master of Divinity’), moeten in hun laatste studiejaar een eindscriptie schrijven. Wij, de docenten, moeten ze daarbij persoonlijk begeleiden. We ‘verdelen’ ze onder elkaar, naar deskundigheid en voorkeur. Omdat ik me voor veel onderwerpen interesseer, heb ik al gauw twee studenten onder m’n hoede.

Eerst mogen ze drie onderwerpen opgeven in volgorde van hun voorkeur. Ze mogen kiezen tussen een studie of een ‘project’. Dat laatste kan bijvoorbeeld gaan over de kerkregering van hun kerk – dan moeten ze vooral veel archiefonderzoek doen –, of over de leer en praktijk van een sekte in de omgeving. Ook als ze een theologisch onderzoek doen, een stuk exegese of een dogmatische studie, moet het speciaal relevant zijn voor de situatie in Zuid-Azië; ze moeten het toepassen.

Na de beslissing van de ‘faculty’ over het uiteindelijke onderwerp begint de persoonlijke begeleiding. De studenten moeten een plan voor hun onderzoek schrijven. Dat vraagt al veel van ze: de meesten hebben nog niet veel idee van wat een methode van onderzoek is, hoe je dat logisch opzet en zinnige vragen stelt. We gaan in de nieuwe opzet van de opleiding meer aandacht besteden aan ‘onderzoek en schrijven’.

Ik vind dit begeleiden leuk werk en steek er nogal wat tijd en energie in: in de loop van een paar maanden zeker zes tot acht gesprekken van elk ongeveer een uur, waar dan de voorbereiding bij komt. Vaak is er vooral in het begin nog wel een taalprobleem. Je moet elkaar leren begrijpen. In het begin luistert de student vaak beleefd instemmend maar schrijft niets op. De een pikt meer op van wat je zegt dan de ander.

Langzamerhand zie je zo’n werkstuk groeien, hoofdstuk voor hoofdstuk. Ik zeg bijvoorbeeld: Je moet naar de belangstellende lezer toe schrijven, die er nog weinig van af weet; je moet het onderwerp inleiden. Je moet het geduld opbrengen je conclusie tot het eind uit te stellen. Dit stuk hoort logischerwijze niet hier, maar daar. Hier val je in herhaling. Met deze conclusie ontkracht je je studie! Dat zijn dan nog alleen formele opmerkingen; natuurlijk hebben we het ook over de inhoud. De student schrijft het hoofdstuk opnieuw en vraagt opnieuw om commentaar. Ze willen graag goed voor de dag komen.

Het is dankbaar werk. De studenten stellen zorgvuldige begeleiding op prijs en zijn blij als ze met behulp daarvan de eindstreep hebben bereikt.

Bijzonder interessant vond ik het onderzoek naar bezetenheid in India. Ik was sceptisch, hoewel niet afwijzend, over het onderwerp. Het is waar, ‘Er zijn meer dingen tussen hemel en aarde…’ Maar de manier waarop tegenwoordig in christelijke kring over ‘occulte belasting’ wordt gesproken, zet volgens mij – nog afgezien van andere, meer theoretische bezwaren – de deur open naar een moderne heksenjacht. Daar komt bij dat er in India veel bijgeloof is, ook onder christenen.

Hoewel India vanouds de naam heeft dat bezetenheid er veel voorkomt, waren er in de literatuur praktisch geen beschrijvingen van gevallen beschikbaar. Het Westen heeft ook hier, in theologische literatuur, een voorsprong. De student, Vijay, heeft daarom dominees geïnterviewd. ‘Bezetenheid’ is inderdaad een afzonderlijk verschijnsel: vreemd gedrag waar artsen, ook psychiaters, geen raad mee weten. Het doet zich vooral voor in het grensgebied van zending en evangelisatie: daar waar het evangelie begint door te dringen in een heidense omgeving; en het heeft met die botsing te maken. De dominees waren het verschijnsel allemaal tegengekomen. Het zijn nuchtere mensen, die niet claimen over bijzondere vermogens te beschikken, maar de gewone, beproefde middelen van het pastoraat gebruiken: het evangelie – uitkomend bijvoorbeeld in de aanwijzing: Doe die afgodsbeelden de deur uit – en gebed.

Vijay vergeleek de verschijnselen met bezetenheid in het Nieuwe Testament. Maar binnen het Nieuwe Testament zelf al zijn de beschreven gevallen te verschillend om duidelijk te kunnen omschrijven wat nu eigenlijk bezetenheid is. Laat staan dat een vergelijking van toen met nu veel oplevert.

Elke student is bijzonder. Twee jaar geleden had ik zowel de begaafdste als de minst begaafde student van de groep. Ook de laatste kreeg een voldoende – de beoordeling gebeurt door de begeleider en een collega. De eerste student studeert nu in Amerika. Vijay verwachten we volgend jaar als collega-docent.

 

Brief uit India 23 – bouwerij

Allereerst: iedereen hartelijk dank voor de verjaardagspost! –

Vlak naast de ingang van de PTS-campus is een huis in aanbouw. De bouwvakkers wonen, met hun gezinnen, op het bouwterrein, in tenten van zwaar plastic. We hebben al vaak zulke bouwvakkerskampen gezien; maar nu kom ik er een paar keer per dag langs en blijf vaak even staan kijken.

Bouwen gebeurt praktisch helemaal met de hand. Bouwmateriaal wordt veelal per tractor met aanhanger aangevoerd. Bakstenen worden eerst opgestapeld langs de straat. De werkers hebben een doek om het hoofd die samen met de schedel een plat vlak vormt. Daarop worden de stenen gestapeld, een voor een, zeven tot tien in totaal; het moet natuurlijk omzichtig gebeuren. Zo worden ze naar de plaats van bestemming gesjouwd. Dat sjouwen gaat het beste als je precies rechtop loopt; zo krijgt hun gang onbewust iets statigs.

Even verderop wordt van grijs zand, dat eerst door een zeef gegooid is, een dijkje in het rond aangelegd; daar wordt water in gestort, en dan begint het mengen. Zo wordt cement gemaakt. Dat wordt in een platte metalen bak geschept, en op dezelfde manier, op het hoofd, gedragen. De werkers helpen elkaar met de bak op het hoofd tillen.

Het hele gezin werkt mee. De kinderen gaan niet naar school. Een meisje van een jaar of zestien sjouwt ook stenen; haar moeder stapelt ze op haar hoofd.

De kleine kinderen, zo tussen de een en acht jaar, spelen op het terrein. De kinderen zien er vuil uit en dragen grauwe, haveloze kleren. Speelgoed is er blijkbaar niet. Twee jongetjes schoppen een stuk van een plastic fles naar elkaar toe. Een meisje van een jaar of twee zit met een schepje bij een emmer bij de cementmaakplek te spelen, dicht bij haar vader die daar aan het werk is.

De moeders wisselen het werk af met aandacht voor de kinderen. Soms gaat er een zitten en neemt een kind aan de borst.

De vrouwen nemen ook de andere huishoudelijke taken waar. Er zit iemand in een van de bomen vlakbij, die takken naar beneden gooit. Daar maakt de vrouw een stapel van om een vuurtje te stoken. Op het vuur wordt eten klaargemaakt, maar het dient ook voor verwarming, want het is winter en koud. ’s Avonds in de schemering kun je de gezinnen met elkaar zien zitten eten.

Intussen rijst het metselwerk hoger en hoger. Als het werk klaar is, zullen de werkers met gezinnen, tenten en al naar een ander project vertrekken. Ze hebben verder geen huis, geen vaste woon- of verblijfplaats.

Het is duidelijk dat er voor de kinderen geen andere toekomst is dan hetzelfde bestaan. Dit is een kaste, die altijd in het beroep blijft. Tegelijkertijd zijn ze familie van elkaar. Als ze dat niet zouden zijn, zouden ze het vanzelf wel worden.

Evengoed zijn ze beter af dan vele werklozen of armen op het platteland. Belangrijker is dat ze, binnen al de beperkingen van hun bestaan, een respectabel beroep uitoefenen en goed werk doen.

Ik ben begonnen met te vragen of ik foto’s mocht maken. Het antwoord kon ik (zoals begrijpelijk is) niet verstaan. Ik heb dat maar positief opgevat. Maar achteraf blijken ze er toch niet zo gelukkig mee te zijn. Ik ben blij dat jullie een verhaaltje zonder plaatje ook op prijs stellen.

Brief uit… 24 – Bangkok

Thailand, deze keer. Bangkok. Dit is een veel welvarender stad dan de Indiase steden. Er zijn veel wolkenkrabbers en weinig bedelaars. Er is veel en veel meer te koop. Het leven is wel wat duurder dan in India, maar nog steeds goedkoop voor ons.
Alles ziet er hier netter uit. Het verkeer is veel meer gedisciplineerd. Men houdt zich algemeen aan de rijstroken.
Thai zijn beleefd en vriendelijk. Ik herken er de boeddhistische levenshouding in. Op het trottoir, tussen de kraampjes door, wachten ze rustig tot tegemoetkomende voetgangers hebben kunnen passeren. De bedelaars zijn minder opdringerig. Sommige bedelen niet eens, maar wachten, zittend aan de kant van het trottoir, af.
Men geeft dingen vaak met twee handen aan. En neemt afscheid met de handen tegen elkaar gevouwen voor het gezicht, een buiging met het hoofd, en een glimlach. In winkels is dat leuk – in India neem je geen afscheid als je een winkel verlaat.
Deze Thaise gewoonte heeft (volgens het boekje voor toeristen) te maken met hun benadering van het leven: het moet leuk zijn. Niet op de Westerse, verwende manier, maar: zonodig maken we het leuk.
De vrouwenkleding is hier heel anders dan in India. Beperkt bedekte borsten zijn van Westerse vrouwen, en blote buiken zie je ook niet – in India worden vetrollen getoond als bewijs van welvaart -, maar boven de knie kan er veel.
De vrouwen, bijvoorbeeld de stewardessen bij Thai Airlines, stralen een mengsel van zedigheid en kwetsbaarheid uit. Ik kan me voorstellen dat dat, samen met de traditionele reputatie van dit land, veel Westerse mannen op het verkeerde been zet. Bezichtiging van het koninklijk paleis en de boeddhistische tempels eist wel gepaste kleding, maar de cultuur van verleiding gaat ook dit land niet voorbij.
In India zijn de zeden strenger. Er komt eerwraak voor; niet alleen onder moslims. Tegelijkertijd is India ook trots op z’n traditie van uitbundige erotiek. Deze tweeslachtigheid is me in India sterk opgevallen; en hier vind ik het, zij het op andere manieren, terug.
Het Indiase consulaat in Bangkok heeft de behandeling van visa-aanvragen uitbesteed aan een Thais bureau. Hier word je ontvangen als een klant, die koning is. Geen urenlange wachttijden, geen zaal propvol met wachtende en elkaar verdringende mensen, zoals in Den Haag (op de ambassade) en in Delhi. Naarmate er meer mensen binnenkomen, gaan er meer loketten open. Nu nog afwachten – tot overmorgen, 3 januari – of we de visa krijgen, want uiteraard gaan de Indiase autoriteiten daarover.
Het is een verademing om in een cultuur te gast te zijn die minder hiërarchisch gestructureerd is, zonder kasten.
We logeren in een echte zendelingenaccommodatie. Ruim opgezet, maar eenvoudig; een niet-commerciële atmosfeer. Veel jonge echtparen met blije gezichten, kleine kinderen (voor wie er veel kinderstoelen en -bedjes beschikbaar zijn en boxen en zelfs een loopstoeltje) en een Amerikaans accent en affect. Vaste maaltijduren, waar je een plaats gewezen wordt bij onbekenden aan tafel en waar de royaal gebouwde, moederlijke Amerikaanse gastvrouw voorgaat in gebed; veel gasten nemen geen deel aan die maaltijden maar gaan hun eigen gang. Er is een ruimte waar je veel zelf kunt maar ook moet doen, van eten in de magnetron opwarmen tot de afwas. Ook van warme en koude dranken (geen alcohol, dat overigens in de stad, anders dan in India, overal verkrijgbaar is) kun je jezelf bedienen; er staat, in goed vertrouwen, een spaarpotje naast voor betaling.
(Nee, kerst hebben we hier niet gevierd, toen waren we net nog in Dehra Dun. De kitsch hebben we nog meegemaakt. Tabita en Ludger hebben de boom afgetuigd.)
Wij moesten hierheen vanwege onze visa, maar het is hier ook goed vakantie houden.
Vanuit de tropen een gezegend 2008 toegewenst.

 

Brief uit India 25 – Bangalore

De trein vertrekt ’s avonds om negen uur uit Delhi. Ik heb een eersteklascoupé van ruim 2 bij 2 meter voor mezelf alleen. Voor deze prijs kun je net zo goed vliegen, maar ik wil dit beleven. Ik krijg nog diner. Daarvoor wordt een speciaal klaptafeltje neergezet, want er zijn veel gerechten. Tot de voorzieningen in de coupé behoort zelfs een wasgelegenheid, die tevoorschijn komt als je je tafelblad optilt. Je wóónt hier. Aan het eind van de gang is een douche, alleen koud.

Dit is een exprestrein, die altijd voorrang krijgt en weinig stopt. Als ik, na een comfortabele nachtrust op het neergeklapte bed tegenover mij ’s morgens wakker word, ben ik niet alleen al ver voorbij Agra, maar ook al voorbij Bhopal – inderdaad, van de ramp met de chemische fabriek destijds. De coupé is airconditioned, uiteraard; pas als ik op een station in de deuropening ga staan, merk ik dat we opeens van de koude Gangesvlakte in het warme Deccanplateau zijn terechtgekomen.

De raampjes zijn klein, iets getint, en niet erg schoon. We rijden door het oosten van de staat Maharashtra. Dit is het binnenland van India, maar verder is er weinig centraals aan. Een deel van het land is woest: rode grond met stug gras en verspreide bomen. Alles ziet er nogal droog uit (maar Nederland is ook wel heel erg groen).

Dan is er bouwland, kleinschalig, met vrij veel bomen en af en toe een dorpje. Hier heeft de tijd stilgestaan. De moderniteit, met boeren die (in deze zelfde staat) zich voor grootschalige landbouw zo diep in de schulden hebben gestoken dat ze de een na de ander zelfmoord plegen, en met te weinig meisjes – dank zij het gebruik van de echoscopietechniek en ook ‘female infanticide’ (doding van meisjesbaby’s) –, is hier nog niet doorgedrongen. Er zijn rijstakkertjes, vierkant, omheind met een dijkje, waar water in staat; er zijn ook dijkjes in aanleg. Als ik hoor en zie hoe arbeidsintensief rijstverbouw is, begrijp ik niet dat het nog steeds gedaan wordt.

De trein heeft er, vergeleken met die tussen Dehra Dun en Delhi die wij vrij vaak gebruiken, flink de vaart in. De enige grote stad, met een modern station, die we aandoen is Secunderabad. Het is dan al avond. Je kunt bijna de hele dag wel zitten wachten op het eten en drinken dat gebracht wordt. Het eten is goed, maar echt Noord-Indiaas: met overgare groenten waar gezondheidsbewuste Westerse vrouwen zich zo aan ergeren, en elke keer praktisch hetzelfde.

De volgende ochtend komen we om half acht in Bangalore aan. Ik ben blij dat ik op het station mijn eigen ontbijt kan kiezen.

Intussen heb ik de jonge kerkelijk werker van onze kerk ontmoet, die uit een andere klas is gestapt. Hij blijkt ook naar de conferentie van de RPF te gaan – de ‘Reformed Presbyterian Fellowship’, een soort kerkverband … [ INCOMPLEET ]

 

Brief uit India 26 – Amerika

Vanuit India ziet de wereld er anders uit dan vanuit Nederland. Laat ik dat duidelijk maken aan de hand van een voorbeeld: Amerika – de Verenigde Staten.

Een Amerikaanse collega en vriendin zei kortgeleden tegen ons dat het haar zo hinderde dat de kranten in India zo anti-Amerikaans waren. Ik begreep haar wel.

De kritiek op Amerika die je hier leest was niet nieuw voor mij; die is in Nederland ook wel bekend. Maar hier klinkt die toch anders.

Om te beginnen is Amerika vanuit India verder weg. Hier wordt de aanloop naar de presidentsverkiezingen ook wel gevolgd, net zo nieuwsgierig als in de Westerse wereld. Maar voor India is de eigen regio veel belangrijker. Pakistan is de naaste buur; het is eigenlijk een afsplitsing van het voormalige ene India, en zo wordt het ook nog steeds gezien. Pakistan is de zwarte broer. Wij zijn een democratie, wij hebben vrijheid, zij niet. Het slepende conflict met Pakistan over Kasjmir ligt nog steeds heel gevoelig; over en weer beschuldigen beide staten elkaar ervan, te stoken in het gebied. De laatste oorlog is nog niet zo lang geleden; wij hebben de veteranen in ons midden – een overbuurman van ons is er een van. Onze militairen zijn natuurlijk helden; de Pakistaanse strijders zijn terroristen.

Een andere buur is China. Daarmee bestaat ook nog een grensconflict, al is dat minder acuut. China wordt met ambivalente gevoelens bekeken. China wordt vaak met India vergeleken: de twee opkomende giganten. Waarom doen de Chinezen het nou beter dan wij (economisch dan; dat is immers de maatstaf van onze wereld)? Kunnen wij misschien (heimelijk) iets van ze leren? Aan de andere kant: China mag dan sterker en efficiënter zijn, wij zijn een democratie, bij ons is er vrijheid, en dat is per saldo veel beter!

Amerika is veel verder weg; niet alleen letterlijk, geografisch, maar ook figuurlijk.

Voor Nederland is Amerika familie. Europa heeft gemeenschappelijke historische wortels met Amerika op het gebied van cultuur en godsdienst. Samen zijn ze ‘het Westen’.

In India zijn wel Westerse waarden zoals democratie, vrijheid en gelijkheid geïmporteerd. Maar India is vanouds overwegend hindoeïstisch en belijdt een fundamentele ongelijkheid tussen mensen. India is er nog niet zeker van of het wel zo gelukkig is met die Westerse waarden.

Voor Nederland is Amerika een vriend. Ze zijn bondgenoten, niet alleen in de NAVO, ook op het gebied van het Midden-Oosten (rare naam, vanuit India gezien!). Nederland is Amerika nog dankbaar voor z’n aandeel in de bevrijding van 1945. Samen behoren ze tot de ‘Eerste Wereld’. India daarentegen behoort tot de Derde Wereld; het heeft zich in het verleden zelfs beschouwd als de leidster van de niet-gebonden landen. Het was (tot 1991) een socialistische staat met een geleide economie; Nehru, de nog steeds vereerde eerste Prime Minister sinds de onafhankelijkheid, had destijds veel bewondering voor het Russische systeem.

Amerikaans ‘imperialisme’ wordt hier met veel groter argwaan bekeken: India was, nog niet zo lang geleden, zelf slachtoffer van Westers (Engels) imperialisme; het staat aan de andere kant! Het is wel verguld dat Amerika een nucleair verdrag met India wil sluiten; maar het staat er ook argwanend tegenover: is het, behalve in het belang van Amerika, ook echt wel in ons belang?

Daar komt bij dat, in verhouding met Nederland, Amerika een groot land is. Vanuit India gezien is dat anders; India is zelf een heel groot land; een zesde deel van de wereldbevolking woont er. India beseft wel dat, als het met de Amerikaanse economie bergafwaarts gaat, dat ook negatieve gevolgen voor India heeft. Maar India heeft een groot binnenland; het is veel meer, en ziet zichzelf ook, traditioneel sinds de onafhankelijkheid, als een economie op zichzelf, en een macht op zichzelf.

Voor het gewone publiek is internationale politiek ver van hun bed. Rijker worden betekent in India: de Amerikanen na-apen – in consumentisme, in de daarbij behorende vrije levensstijl: je doet wat je je kunt veroorloven; in kleding, in naar McDonald’s gaan. In Amerika studeren is het ideaal van veel Indiase jongeren. En voor meisjes is het ideaal om met een ‘groene-kaart-houder’, een man met een onbeperkte verblijfsvergunning in Amerika, te trouwen. Maar dat is allemaal meer eigenbelang dan verbondenheid met Amerika.

Mee dank zij het wonen in India kan ik de wereld van verschillende kanten te bekijken.

 

Brief uit India 27 – huwelijkskeuze

Een van de interessantste onderwerpen om over te discussiëren vinden de studenten de keus van een huwelijkspartner. Dat heeft natuurlijk met hun persoonlijke situatie te maken: de meesten nog zonder verkering, maar net op huwbare leeftijd. In de lessen ethiek (zo’n beetje mijn specialisme; dit semester moest ik er drie modules in geven!) is dat onderwerp op z’n plaats.

India heeft nog volop de traditie van het gearrangeerde huwelijk: de ouders kiezen een partner voor hun kind; de jongere gehoorzaamt. In bepaalde traditionele samenlevingen is het kinderhuwelijk zelfs nog regel. Het is weliswaar bij wet verboden – de wetgeving is, dank zij het Engelse koloniale verleden, sterk beïnvloed door het christelijke Westen –, maar tradities zijn moeilijk bij wet te veranderen.

Een onderwerp apart zijn de ‘matrimonials’: elke week in de krant een hele bijlage vol met huwelijksadvertenties. Verreweg de meeste hebben de vorm van “Partner (‘alliance’) gezocht voor…”

Tegelijkertijd is het ‘liefdeshuwelijk’ sterk in opkomst, vooral onder de middenklasse, die hoger opgeleid en meer wereldwijs is en waar de jongeren meer vrijheid hebben om elkaar te ontmoeten en met elkaar om te gaan.

Er komen ook mengvormen voor. De ouders zoeken een partner voor hun kind, maar laten het paar eerst met elkaar kennismaken om te kijken of het klikt. Ze houden rekening met de wensen van hun kind. Of de jongeren krijgen verkering maar vragen wel om de instemming van hun ouders. (Prof. Douma, in zijn ‘De tien geboden’, vindt dat laatste nog een ‘must’, een zaak van het vijfde gebod.)

Onder de studenten komt, voor zover ik zie, vooral de tussenvorm voor. Het ‘voorstel’ (‘propose’ = een huwelijksvoorstel of aanzoek doen) kan ook door iemand anders gedaan worden die zowel de jongen als het meisje goed kent, bijvoorbeeld een dominee of een vriend.

Ik zeg altijd tegen de studenten dat zij dan het beste hebben van twee werelden: aan de ene kant mag hun persoonlijke voorkeur een rol spelen, aan de andere kant is er ook de inbreng van verstandige volwassenen, die vanuit hun positie een heel andere invalshoek hebben.

Als ze erg enthousiast zijn voor het liefdeshuwelijk, dat het aantrekkelijke heeft van de vrijheid, de moderniteit en het avontuur, wijs ik ze erop dat liefdeshuwelijken – naar de ervaring uit mijn cultuur! – lang niet altijd gelukkig verlopen.

Natuurlijk doen zich ook vaak spanningen voor. Het gebeurt regelmatig dat een jongen en een meisje met elkaar ‘elope’ (hoe zou je dat uit het Engels vertalen?) en voor de rechtbank trouwen. (Het ‘burgerlijk huwelijk’ is in India nog lang niet algemeen; meestal is het een zaak van de gemeenschap en de geestelijke.) De reacties van de familie zijn wisselend, en dat is begrijpelijk. Het komt ook voor dat hindoe-ouders hun kind, dat christen geworden is, niet de vrijheid laten om voor een christelijke partner te kiezen.

Op de campus is de omgang tussen jongens en meisjes aan strenge regels gebonden. Wil een jongen een meisje persoonlijk nader leren kennen, dan mag dat alleen met toestemming en onder toezicht (niet dat we aannemen dat ze zich daar altijd aan zullen houden; sterker: het wordt steeds duidelijker dat ze dat niet doen). Aan de andere kant wordt het onderwerp steeds vrijer besproken. De studentenbijeenkomst over ‘Negen manieren om een aanzoek te doen’ of ‘om verkering te krijgen’ heb ik helaas moeten missen; maar de vooraankondiging van het programma, in de vorm van kleine toneelstukjes, was al vrij en vermakelijk genoeg.

 

Brief uit India 28 – religie

Op het moment dat ik dit schrijf is er nog geen beslissing gevallen over mijn visum. Zodra dat komt, laat ik het jullie weten. Dan zal ik ook wat vertellen over wat voorafging. Deze week komen Saskia en de kinderen op Schiphol aan. De planning is zes weken vakantie.

 

India is een heel religieus land. Het Hindoeïsme zegt dat het 330 miljoen goden kent. Natuurlijk neemt niemand dat getal serieus, maar de hindoe drukt er zijn trots op zijn godsdienst mee uit.

Het is alweer een paar jaar geleden dat ik met Tabita in een ‘autoriksja’ (bromtaxi) zat en ze me wees op de plaatjes van goden waar het hele interieur mee beplakt was. Ze was geschokt: Papa, dat zijn allemaal afgoden! Dat mag toch niet? Even makkelijk (hoewel wat minder vaak) tref je een autoriksja met een sticker ‘Jesus died for you’: een geloofsbelijdenis van een christelijke bestuurder.

Het is over het algemeen niet moeilijk om met mensen een gesprek over God aan te knopen, zeggen de studenten vanuit de praktijk.

En mijn tandarts verwierp de suggestie van m’n vorige tandarts om twee kiezen samen van één kroon te voorzien: “God heeft die kiezen niet voor niets apart gemaakt”.

Onze krant heeft een dagelijkse kolom ‘Sacred Space’, waar religieuze citaten uit alle godsdienstige tradities, klassiek en modern, over een bepaald thema op een rij zijn gezet. Daarnaast is er de rubriek ‘The Speaking Tree’, een religieuze column van telkens andere schrijvers. En in de zondagkrant is er wel zo ongeveer een hele pagina religie.

Er zijn veel religieuze feesten. Sommige duren verscheidene dagen. De school van de kinderen is verplicht op de meeste van die feesten, van de verschillende godsdiensten, een dag vrij te geven.

Als je rond zo’n hindoe-feest bij een hindoe op bezoek komt, wordt je ‘prasad’ aangeboden: een snack die aan de afgoden geofferd is. We hebben op het seminarie een keer een officieel debat gehouden of je dat kunt aannemen of niet. Ik heb de indruk dat in de praktijk niemand het weigert. Je bent gast.

Veel winkeliers hebben een wierookbrandertje in hun winkel. Meer dan een keer per dag gaan ze met een rokend wierookstokje langs al hun koopwaar. Het maakt niet uit of het een hindoe of een Sikh is. Godsdienst belooft welvaart. En gezondheid en macht. Godsdienstige rituelen, ook in huis, worden zorgvuldig en met een serieus vroom gevoel uitgevoerd, en tegelijkertijd schamen hindoes zich er niet voor dat ze ermee op hun eigenbelang uit zijn.

Middenklasse Indiërs – mensen die het te druk hebben voor een gesprek over God – zijn van buiten verwesterd, pragmatisch en consumentistisch, maar innerlijk, en in de huiselijke kring, religieus en onbeschaamd ‘bijgelovig’.

Het kastenstelsel (ik wil er graag nog eens apart over schrijven) loopt merkwaardig door het hindoeïsme heen. Hindoes zijn er trots op dat 85 procent van India hindoeïstisch is. Maar als je niet de groepen meerekent die de heilige geschriften niet mogen reciteren en niet in tempels mogen komen (!) – lagere kasten en kastenlozen – dan zijn het er veel minder.

Het Westen is geïnteresseerd in Indiase religies, en zelfs erdoor geboeid. Maar dan betreft het de godsdienstige tradities en filosofieën van een betrekkelijk kleine bovenlaag.

In de krant en in de boekhandel tref je moderne vormen van Indiase religiositeit aan, yoga en meditatie, die sterk verwesterd zijn – het is hetzelfde spul dat je in Nederland in de boekhandel vindt – en vooral de gestreste middenklasse gemoedsrust willen bieden.

Een Indiër zal er geen enkele moeite mee hebben als je Jezus geweldig vindt. Hij was een unieke goeroe, die zijn leven opofferde voor zijn medemensen. Als je Hem maar niet beschouwt als de Heer, met een claim op ieders leven. Hij was vast wel een van de vele ‘avatars’ (openbaringen) van god; niet de Zoon van God. Gandhi, de vader des vaderlands, had de Bergrede opgenomen in de moraal die hij uitdroeg; maar het kruis hoefde voor hem niet.

De studenten op PTS hebben geen interesse voor Indiase religiositeit. Voor hen is het allemaal afgoderij, allemaal onzin. Evangelisatie heeft heel andere methoden dan een gesprek over hindoeïstische denkbeelden.

 

Brief uit India 29 – kerk

Toen wij – alweer vijf jaar geleden – voor het eerst in India kwamen, waren er net een paar weken daarvoor kerkdiensten in het Engels op zondagmorgen gestart. Tot dan toe was wel een kerk, ontstaan rondom het seminarie, met ’s morgens diensten in vijf verschillende talen, maar alleen ’s avonds in het Engels.

Ds. Ellis, de Australische collega, was gevraagd de gemeenschap van kerkgangers in de Engelse ochtenddiensten te leiden. Hij creëert een open en vriendelijke sfeer, waar al gauw ook christenen van buiten de campus op af kwamen.

Het is in India vrij gebruikelijk dat de liturgie wordt geleid – zo mogelijk – door iemand anders dan de predikant die de preek houdt. Wij hadden al gauw een muziekgroepje van voorzangers met een gitarist, later ook een drummer (gelukkig met bescheiden spel). Tegenwoordig is er ook een meisje van Grace Academy die verdienstelijk keyboard speelt. Voor de Schriftlezingen en de gebeden werden gemeenteleden, afwisselend, gevraagd. Een kindermoment, verzorgd door weer andere gemeenteleden, werd al gauw een vast onderdeel. Op een jaarlijkse ‘gaven-enquete’ kon je opgeven welk onderdeel je wel eens wilde leiden. Meermalen heeft Saskia Schriftlezing of gebed gedaan, andere keren heb ik gepreekt. In het eredienst-foldertje worden de leiders voor de volgende week ingeroosterd.

Een ander vast onderdeel van de dienst is een paar minuten waarin we elkaar begroeten: een stuk of vier mede-kerkgangers om je heen, met een handdruk en (zo werd voorgezegd) “Good morning” en “God bless you”. De stijl is eenvoudig, laagdrempelig, zorgvuldig geregisseerd maar niet ‘gemaakt’ of ‘gewild’.

In het begin ressorteerde deze gemeenschap nog onder de grote kerk. Daar werden wij lid van. Later werd ons lidmaatschap overgeschreven naar de nieuwe ‘Good Shepherd Fellowship’. We behoren, evenals de grote kerk, tot de ‘Nav Jeevan’ (‘Nieuw Leven’) Presbytery (zeg maar: classis; een groter kerkverband hebben we niet).

Na een jaar, toen we definitief in India kwamen wonen, werd ik gevraagd voor het ‘Steering Committee’, waarin ook leiders uit de ‘grote’ kerk zitting hadden. Ik zegde toe voor een jaar. Na twee jaar, toen ik m’n vertrek aankondigde, kwam Mw. Ellis op het idee om het comité te laten bestaan uit alle ‘volledige’ leden (zo’n negen personen). Sindsdien vergaderen we maandelijks op zondagmorgen na de dienst. Terwijl Saskia en ik de vergadering bijwonen, vermaken Tabita en Ludger zich met hun speelkameraadjes op de campus.

De visie van de gemeenschap is om ook Engelstaligen van buiten de campus aan te trekken. Dat zijn meestal mensen uit de middenklasse. Dat lukte. Op de duur beriepen we een part-time dominee, ook een docent, een goede preker, die helaas nu om persoonlijke redenen vertrekt naar het zuiden waar hij vandaan komt. Ook hebben we een jonge afgestudeerde als ‘hulppastor’ – full-time – in dienst genomen, die zich hoofdzakelijk richt op de jeugd: studenten van de vele hogere scholen in Dehra Dun; voor dat werk heeft hij een speciale aanleg.

Het starten van diensten buiten de campus, met een evangelisatiedoel, is tot nu toe nog niet gelukt. Wel sponsoren we een evangelist, die om financiële steun vroeg – maar we geven hem ook begeleiding; ik heb daar destijds op aangedrongen: dat hoort erbij; en dat is ook vastgelegd.

Financieel zijn wij, naar plaatselijke begrippen, een rijke kerk. We beschikken over een avondmaalsservies en een geluidsinstallatie, gesponsord door vrouwenverenigingen in Australië.

Indiërs blijven vaak lid van hun ‘thuiskerk’, waar ze vandaan komen en waar hun familie woont. Dan kunnen ze bij ons gastlid worden. Dat betekent dat we niet genoeg volledige leden hebben om een zelfstandige kerk te worden met eigen gekozen ambtsdragers. Daar komt bij dat veel kerkgangers – niet alleen de studenten – tijdelijk in Dehra Dun gestationeerd zijn en daarna weer vertrekken. Verder zijn er ook nogal wat vlottende bezoekers van de kerkdiensten.

Al ervaren we ook zwakke kanten in ons kerkelijk leven, we zijn blij dat we hier lid kunnen zijn. Het spreekt niet vanzelf dat je, waar je ook heen gaat, een zusterkerk vindt waar je je bij kunt aansluiten.

 

Brief uit India 29 bis – terug

– Saskia en de kinderen hopen 9 juli weer te vertrekken naar India; toeristenvisa zijn aangevraagd voor ze. De kinderen kunnen dan weer naar school. Over mijn werkvisum is dan nog niet beslist, dus ik moet nog wachten. Van eventuele nieuwe ontwikkelingen houden we jullie op de hoogte. –

Wat valt ons op als we na een tijd in India weer terugkomen in Nederland?

In de eerste plaats – maar dat is al vaker beschreven – dat Nederland zo netjes is aangeharkt. Als het vliegtuig overhelt boven Holland zie je allemaal keurig afgebakende kaveltjes naast elkaar. Het kadaster is hier duidelijk in orde en hiaatloos. Nederlanders zijn niet rijk of arm, maar vooral aangepast.

De lucht is schoon en helder (in Dehradun hangt meestal een waas). Dat is te danken aan het frisse, winderige klimaat. De wegen zijn uitstekend. Het verkeer verloopt vlot en soepel. Tussen Delhi en Dehradun moet nog een snelweg aangelegd worden; daar kom je met de auto ook over de doorgaande weg door bebouwde kommen en over verkeersdrempels en je moet met alle mogelijke soorten verkeer rekening houden, zoals voetgangers, ossenwagens en allerlei langzaam verkeer. In Nederland op de snelweg heb je daar geen last van. Je moet zelf ook wel snel zijn. Het Nederlandse wegennet is elitair, een soepel verkeersmechanisme voor meervermogenden.

Nederland is vlak, maar dat is voor ons niet zo bijzonder. Wij wonen zelf wel in de heuvels, maar de reis Delhi-Dehradun gaat grotendeels door de vlakte, merendeels agrarisch gebied. Nederland is wel erg groen. Gras maakt waarschijnlijk een groot deel van de welvaart uit.

Nederland is leger. Het heet dichtbevolkt, maar dat is kennelijk betrekkelijk. De files bestaan uit auto’s, die elk veel plaats innemen en heel weinig inzittenden hebben. Hier zijn niet de scooters met een gezin met vier personen erop.

Nederlanders hebben grote lijven. In India is corpulentie ook bekend, en een teken van welstand. Maar als Nederlanders niet zo ontzettend lang waren – ik zie hier steeds meer vrouwen die langer zijn dan ik (1.84), zou hun dikte nog veel meer opvallen. Nederlanders nemen meer ruimte in. ‘Ik mag er zijn’ straalt hier van de gestalten af. Daarnaast hechten ze veel meer aan hun privacy. Ze houden meer afstand van elkaar. Ze hebben daar ook ruimte voor. Dat is een welvaartsverschijnsel. De huizen zijn groter en herbergen per stuk minder mensen. Zelfs rijtjeshuizen hebben behoorlijke lappen tuin, zowel voor als achter. In India bestaat dat ook, maar daar is het een teken van welstand; hier in Nederland is het gewoon. Indiërs krioelen meer en makkelijker door elkaar; ze wonen, leven, drijven handel en doen niets op kluitjes.

Tabita en Ludger praten veel Engels onder elkaar. We proberen dat in India wel tegen te gaan. Ze vinden het stoerder, maar het is ook gewoon makkelijker voor ze. Van tijd tot tijd vragen ze ons: “Wat is dat (Engels woord) in het Nederlands?” Ook in de grammatica van hun spreektaal lopen ze af en toe wat achter.

Ze zijn hier de eerste drie weken van hun vakantie naar school gegaan, net als vorig jaar, de gereformeerde school in Barneveld. Dat wilden ze graag, daar hebben ze naar uitgekeken. Hier zijn de juf en de meester veel aardiger. Er zijn veel meer leermiddelen, veel kostbaarder, veel moderner ook. En het pedagogisch klimaat is stukken beter. Voor het spelen met een vriendinnetje moet Tabita eerst een afspraak maken. Alweer: vanwege de afstand. Maar ook omdat de kinderen het drukker hebben. In India krioelen de kinderen makkelijker door elkaar.

Nederlanders hebben het druk. Ze hebben haast. Ze zijn efficiënt. Alles is gepland, en daar moet liever niets tussen komen. Indiërs hebben meer tijd; je kunt zonder afspraak bij ze terecht. Omgekeerd moet je er zelf ook meer tijd hebben, wil je iets gedaan krijgen.

Nederlanders mopperen veel. Ze hebben hoge verwachtingen van het leven in het algemeen en de overheid in het bijzonder. Het leven, de samenleving, de wereld is maakbaar. Nederlanders komen op voor hun rechten van de wieg tot het graf. Barmhartigheid is hier een recht. Prima, maar het omgekeerde is ook waar: in bijbels licht is gerechtigheid barmhartigheid, een geschenk van God; dat is hier naar de achtergrond gedrongen.

Nederlandse christenen mopperen makkelijk over de kerk. Heeft dat ermee te maken dat hun welstand ze veeleisender heeft gemaakt? Voor veel Indiase christenen is het evangelie nog nieuw en fris. Je bent blij met geloof en kerk als met een pas gekregen cadeau.

 

Brief ‘uit India’ 31  – Onzekerheid

‘Uit India’ tussen hoge komma’s, inderdaad, dat is zo langzamerhand wel zo realistisch.

Nee, nog geen nieuws over een visum. Er wordt nog voor gewerkt, het heeft nog zin om te wachten, er is nog hoop.

Als er over ongeveer een maand nog geen visum is, moeten we de knoop doorhakken – zo hebben DVN en wij samen besloten. Dan moet Saskia gaan inpakken. Haar visum en dat van de kinderen loopt tot eind december. De kinderen zijn intussen weer redelijk gewend op school en het leven thuis in India gaat z’n gewone gang. Ik zie er eerlijk gezegd wel tegenop dat we echt definitief van India naar Nederland moeten verhuizen. Er is wel, voor dat geval, een huis voor ons beschikbaar in Barneveld waar we voorlopig een paar maanden kunnen wonen.

Wij krijgen een heel klein beetje te ervaren van onzekerheid in het leven onder de macht van instanties, waar talloze mede-wereldbewoners veel meer onder te lijden hebben. Ik preek, her en der in Nederland, over Prediker 5: 7 en 8, en dan preek ik ook voor mezelf. En voor ons wordt er gezorgd, wij ervaren veel hulp en veel meeleven.

De huidige christenvervolging in India is met een incident in de staat Orissa begonnen, maar er lijkt toch ook wel een plan achter te zitten. Huizen en kerkgebouwen worden platgebrand. Mensen worden in vluchtelingenkampen opgevangen. Het geweld is ook naar andere zuidelijke staten overgeslagen.

De godsdienstige spanningen hebben te maken met sociale spanningen. Het zijn vooral dalits, kastenlozen, die tot het christendom worden aangetrokken. Het christendom doet veel voor de ontwikkeling van de bevolking: onderwijs, medische zorg, kindertehuizen. Bovendien, dalits die christen worden stappen daarmee uit het kastensysteem (dat al lang onwettig is maar nog springlevend). Hindoes van hogere kaste zien daardoor hun bevoorrechte positie en hun macht bedreigd. Er is een fundamentalistisch hindoeïsme: een echte Indiër is hindoe. Die beweging probeert z’n politieke macht  te vergroten en anti-bekeringswetten ingevoerd te krijgen, terwijl India momenteel officieel een seculaire, godsdienst-neutrale staat is. Er wordt ook actie gevoerd voor terug-bekeringen.

Dehra Dun ligt niet in de zone van de vervolgingen. Een paar maanden geleden is er wel een evangelist – die wij goed kennen en vanuit onze kerk steunen – afgetuigd. Nu is er een priester vermoord; waarschijnlijk niet om godsdienstige reden. Het zijn incidenten – iets waar Indiërs minder van opkijken dan Nederlanders in hun eigen land, en ook nuchterder onder blijven.

In onze wijk wonen veel christenen, veelal in de goed-verdienende middenklasse; er zijn ook nogal wat (huis-)kerkjes. De wijkbewoners pleiten er nu voor om christelijke activiteiten op te schorten. Saskia schat in dat de mensen zich vooral ongerust maken over hun bezit.

Ik zit intussen nog steeds (al weer voor de derde periode) in Nunspeet. Ouders van een DVN-collega hebben daar achter hun huis een diepe tuin met achterin een blokhut. Voor één persoon groot genoeg, en alles is er. Ik heb m’n dagelijks werk: ik schrijf lesmateriaal voor PTS. Ik hou van dit werk; het is alleen niet zo geschikt om het vijf dagen per week te doen. Bij DVN werken we aan een ‘plan-B’ voor het geval ik het aangevraagde visum niet krijg. Op afstand, in Nederland, kan ik dan nog een poosje met dit werk voor India doorgaan, met misschien te zijner tijd weer eens een reis op basis van een toeristenvisum, om een cursus te geven.

Ik eet kant-en-klaar maaltijden van Albert Heijn en ga meestal later in de middag fietsen of wandelen in  bos en hei. Het begint ’s nachts koud te worden, maar we zijn in India wel veel meer gewend. En als het nodig is, kan ik nog verhuizen naar het al eerder genoemde huis.

Wij leren met de onzekerheid te leven. Saskia heeft een nuchtere, moedige geloofshouding. De Heer zorgt voor ons en leidt ons.

P.S. Ik ben nog steeds bereikbaar onder hetzelfde mobiele telefoonnummer 06-20089400, en e-mailadres piet.houtman@hotmail.com.

 

Brief uit India 32 – verdraagzaamheid en vervolging

– Voorlopig ga ik nog maar even door met deze brieven. Meer uitleg over de afwijzing van m’n visumaanvraag stuur ik op aanvraag via de mail. Ondanks de visumafwijzing blijven we voorlopig nog volop bij India betrokken. –

In Dehra Dun, onze woonplaats, werd een evangelist afgetuigd. In de staat Orissa ontstond, na een moord waarschijnlijk door Maoisten, een relletje waarbij christenen werden gedood; naar aanleiding daarvan werd ook in Dehra Dun een herdenkings- en gebedsdienst gehouden. En dat terwijl India prat gaat op z’n religieuze verdraagzaamheid!

Het woord ‘Hindoeïsme’ betekent gewoon: Indiase godsdienst. Binnen het hindoeïsme kan zo ongeveer alles. Er zijn geen dogma’s; de eeuwen door zijn alle mogelijke religieuze opvattingen discutabel geweest. Dat het boeddhisme, oorspronkelijk gewoon een (ketterse) stroming binnen het hindoeïsme, verboden werd, is een historische uitzondering. Driehonderddertig miljoen goden, daar kunnen er altijd nog wel een paar bij. Godsdiensten van allerlei stammen die altijd in afzondering geleefd hadden, werden in de loop van de tijd in het hindoeïsme opgenomen.

In de rubriek ‘Sacred Space’ in de krant staat zowat elke dag wel een Bijbelvers tussen andere religieuze citaten over een bepaald onderwerp. Het is een broederlijk gezicht.

Met kerst wensen ook hindoes ons een ‘gelukkig kerstfeest’. Of je, omgekeerd, als christen ook ‘gelukkig Diwali’ (een groot hindoeïstisch feest) zegt, daarover verschillen de meningen tussen mijn collega’s.

Steeds meer vieren de aanhangers van verschillende godsdiensten elkaars religieuze feesten. Het gaat dan alleen om het feestvieren, niet om de godsdienstige inhoud. (Net als met Kerst en Pasen in Nederland). Hindoes vieren op hun manier met de moslims mee Ramadan: ze doen niet mee aan het vasten overdag, maar wel aan de overvloedige feestmalen na zonsondergang!

De Indiase middenklasse verdedigt met verve het ‘secularisme’. Dat is iets totaal anders dan ‘secularisatie’ of zelfs atheïsme bij ons. Het betekent dat in de samenleving alle godsdiensten vreedzaam naast elkaar bestaan, en de overheid geen godsdienst begunstigt of achterstelt. Westerse waarden en politieke inzichten hebben hier veel invloed op gehad.

Toch zijn er veel spanningen tussen de godsdienstige groepen. Dat heeft zelfs een aparte Indiase naam: ‘communalisme’. De meeste mensen beseffen wel dat die spanningen in de eerste plaats cultureel en sociaal bepaald zijn. Hindoes en moslims (de twee grootste godsdiensten) hebben vanouds totaal verschillende culturen. De godsdienst wordt er dan, zoals wel vaker, aan gekoppeld om de gemoederen aan te wakkeren. (In het Nederland van vandaag kunnen we dat wel begrijpen.) Er vinden her en der relletjes plaats, er vallen slachtoffers, soms op grote schaal, en soms met heimelijke steun van regionale overheden. De beter opgeleide Indiër kent een lijstje van de ergste in de afgelopen (zeg) dertig jaar.

Een fundamentalistisch hindoeïsme groeit. Het kan politiek geen meerderheid behalen, maar heeft wel grote invloed. Het propageert de idee van het ‘Indiër-zijn’, waartoe dan ook het hindoe-zijn behoort. Niet-hindoes zijn tweederangsburgers en hun loyaliteit is verdacht. Het christendom wordt beschouwd als een Westerse import-godsdienst.

Bijzonder gevoelig ligt het begrip ‘bekering’. Regionale wetten tegen het christendom verbieden vooral bekeringsactiviteiten.

Alle mogelijke godsdienstige opvattingen zijn geaccepteerd, maar o wee als je je laat dopen. Dat wordt beschouwd als verraad aan de groep, de familie, de kaste. Wie christen wordt, moet naar een advocaat of notaris om een acte op te laten maken dat hij of zij in het bezit van volledige geestvermogens en geheel uit vrije wil deze beslissing neemt. Veel jonge christenen worden door hun familie verstoten.

Vanouds heeft het christendom veel aantrekkingskracht gehad op kastenlozen, die op die manier vrij werden, ook van sociale onderdrukking. Indiërs van hogere kasten maken het christendom verdacht als zou het de kastenlozen omkopen met materiële en sociale vooruitgang. Daar zit achter dat de hogere kasten niet graag zien dat kastenlozen zich emanciperen: dat kost hun macht; dan raken zij de arbeidskrachten in de vuile, zware en onaangename beroepen kwijt.

Je begrijpt nu de achtergrond van het feit dat in dit land van religieuze verdraagzaamheid vervolging om het geloof voorkomt!

 

Geen visum

Eindelijk is het dan definitief: ik krijg geen werkvisum voor India. Heel jammer.

De formele reden is dat ik de visumregels heb overtreden. Vorig jaar had ik een journalistenvisum aangevraagd, en toen dat na maanden wachten niet kwam, ben ik op een toeristenvisum gegaan. Maar dan mag je officieel niet werken in India en dat heb ik wel gedaan. (Voor Saskia en de kinderen gold dat niet, vandaar dat die telkens weer toeristenvisa konden krijgen.)

De jaren daarvoor kreeg ik een werkvisum als ethisch consulent voor EHA. Die organisatie wilde de overeenkomst in 2006 niet verlengen: een werker die niet woont in een plaats waar een ziekenhuis van hen staat vonden ze tegenover de overheid niet meer plausibel. Toen zijn de problemen begonnen.

We hebben gedaan wat we konden, met het inzicht waar we over beschikten. De stille diplomatie heb ik in m’n rondzendbrieven stil gehouden; achteraf kan ik er wel wat over vertellen. Dit jaar heeft Joël Voordewind, Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie met buitenland in zijn portefeuille, een goed woordje voor ons gedaan bij de visa-ambtenaar op de Indiase ambassade in Den Haag. Ook het ministerie van Buitenlandse Zaken werkte mee. Het duurde lang. De vakanties spelen een rol, maar ook de langzame ambtelijke molens. Ik ben in het begin zelf twee keer alleen naar Den Haag geweest, daarna met Pieter Messelink van DVN, en nog een keer met m’n Indiase baas, Dr. Chacko, principal van PTS, die toen in Nederland was. Het heette dat onderzocht werd of mijn baan ook door een Indiër vervuld kon worden; en later, dat dat niet het geval bleek te zijn. Maar dat verhaal liep op niets uit. We hoorden het allemaal via-via. Tegen mij zei de ambtenaar niets, alleen: Waarom gaat u hier in Nederland niet aan het werk? In India zitten de kerken vol, hier lopen ze leeg! Ook in India werden relaties ingeschakeld. Officieel beleid is dat je alleen een werkvisum kunt krijgen als je voor de hele breedte van de bevolking werkt en niet voor een bepaalde groep. EHA voldeed daaraan; voor PTS is dat veel moeilijker duidelijk te maken.

India is een trots land: het wil niet als een ontwikkelingsland worden beschouwd. Dat collega’s, studenten en kerken daar dringend behoefte hadden aan mijn bijdrage aan het theologisch onderwijs, telt niet mee. Bovendien is er hindoeïstisch fundamentalisme – ik schreef er in ander verband al over – dat geen christelijke invloed wil. In ambtenarenkringen is dat sterk vertegenwoordigd. Mijn collega uit Australië, ds. Ellis, kreeg op basis van dezelfde aanvraag als ik heb gedaan wel een visum: op de consulaire dienst daar heeft men een andere benadering.

Ik denk nog steeds dat het aanvragen van een toeristenvisum vorig jaar (uiteraard met DVN als eindbeslisser achter me) verantwoord was. Ik heb nog een seizoen m’n bijdrage kunnen leveren. In een half jaar tijd heb ik twee semesters gedraaid. Voor het gezin betekende het continuïteit: we konden er blijven wonen; de kinderen konden naar school.

Maar nu is het afgelopen. Jullie begrijpen dat we daar erg teleurgesteld over zijn; al hebben we het wel zien aankomen. Het avontuur is voorbij. Saskia moet nu beginnen met inpakken en een verhuizer inschakelen. De banden die daar gelegd zijn moeten worden losgemaakt. De kinderen zijn daar ook verdrietig over. Saskia blijft nog tot 27 december met ze in India. Ik ga (vanaf 17 oktober) van Nunspeet naar Barneveld. Daar hebben we een gezinswoning, vriendelijk aangeboden, tot 1 april 2009.

  – Adresgegevens: Wethouder van Thiellaan 45, 3771 KX Barneveld. Tel. 0342-492356. Mobiel blijft 06-20089400. We blijven ook bereikbaar op onze beide e-mailadressen. Piet: piet.houtman@hotmail.com. Saskia: houtmanalkema@hotmail.com. –

Met DVN ben ik in gesprek over hoe het verder moet met mijn werk. Het is de bedoeling dat ik tot eind 2009 nog bij DVN in dienst blijf. Op afstand kan ik nog werk voor PTS blijven doen. Dat m’n baan bij DVN tijdelijk was, wisten we toen we eraan begonnen.

Vanaf 1 april hebben we dus weer woonruimte nodig. In eerste instantie tijdelijk. Voor tips houden we ons aanbevolen!

We willen jullie hartelijk danken voor jullie meeleven in de afgelopen tijd. Wat is er niet voor ons gebeden, in India maar ook hier! De wegen van de Here zijn anders dan de onze. De kerk leeft onder het kruis. Als we horen en zien hoe dat voor vele broeders en zusters in de wereld is, dan zijn wij bevoorrecht. We vertrouwen dat de Here ons verder zal leiden en voor ons zal zorgen. We vinden het fijn als jullie blijven bidden voor ons, maar vooral ook voor de broederschap in India, die met veel motivatie en weinig middelen zich inspant om de kennis van de Heer in hun omgeving te verbreiden, tot echt welzijn van velen.

 

Brief uit India … [evangelist onder moslims]

Hij is van voorname moslimafkomst. Hij stamt uit een rijke familie. Hij is arts en zou een bloeiende praktijk kunnen hebben. Maar dat heeft hij allemaal achter zich gelaten, sinds hij, op tweeëntwintigjarige leeftijd, Christus leerde kennen. Hij heeft zijn leven eraan gewijd om de genade van Christus te verbreiden onder zijn voormalige geloofsgenoten. Laten we hem Sayed Haneef noemen.

In het begin is hij al eens door moslims in elkaar geslagen vanwege zijn enthousiaste evangelisatiewerk; hij heeft toen vier maanden in coma en zes maanden in het ziekenhuis gelegen. Sindsdien is hij voorzichtiger in zijn manier van optreden.

Moslims zijn een minderheid in India, maar India is na Indonesië het land met de meeste moslims ter wereld. Ze zijn gemiddeld armer, kunnen minder naar school en vinden minder werk. Ze wonen veelal in aparte wijken en hebben in veel opzichten een heel andere cultuur dan de hindoes. Dat leidt tot veel sociale spanningen en van tijd tot tijd uitbarstingen van geweld.

Sayed leidt een huisgemeente in een grote stad. Er zijn minimaal 15 bezoekers in de kerkdienst, meest vrouwen. Bij bijzondere gelegenheden kan dat aantal oplopen tot wel 60 (op Indiase wijze passen ze dan toch nog net in dat huis). Zijn vrouw maakt dan, bijgestaan door hun twee dochters en enkele andere vrouwen, een lunch klaar.

Ik heb een paar keer, op zijn uitnodiging, in dit kerkje mogen preken, met hem als tolk. Ik vond het een bijzonder voorrecht. Je zit met elkaar in een kring op de grond.

Sayed heeft een klein team om zich heen van medewerkers, veelal jongeren die hij opleidt in het evangelisatiewerk. Je kunt je voorstellen dat er wel enig verloop is in zo’n team; ook de tijd die medewerkers beschikbaar hebben wisselt.

Naast bezoeken bij leden en belangstellenden in de stad maakt hij zo’n twee keer per maand reizen naar andere plaatsen in de regio: hij probeert nieuwe contacten te leggen en bezoekt belangstellenden, soms trouwe contacten. Zo’n ‘regio’ is in India al gauw groot; de afstand loopt op tot 200 of zelfs 400 kilometer, in een ‘Koran belt’. Aangezien hij alles per openbaar vervoer moet doen is dat erg tijdrovend. Er zijn wel plaatsen waar iemand anders evangelisatiewerk onder moslims doet, maar grotendeels is hij toch de enige op een populatie van meer dan een miljoen.

Zijn evangelisatiewerk omvat naast pastoraat ook wat wij zouden noemen diaconaat: verslavingszorg (een tijd lang heeft hij een verslavingskliniek geleid), ziekenzorg en begeleiding van onvolledige gezinnen; soms ook crisispastoraat. Er is bij de kerk een ruimte waar iemand tijdelijk kan wonen, die bijvoorbeeld heeft moeten vluchten na z’n bekering en verder onderwijs in het geloof nodig heeft. Zoals zo vaak is het de daad die het Woord belicht en mensen ertoe trekt.

Aan serieuze belangstellenden doet hij een bijbel cadeau, in het Urdu, de taal van deze bevolkingsgroep. Een bijbel kopen is vaak nog een brug te ver voor een moslim. Zo’n bijbel moet dan zorgvuldig worden verstopt in het huis: als de familie die ontdekt is de ongelukkige haar leven niet zeker.

Zijn afkomst geeft hem gemakkelijk toegang tot moslims in allerlei kringen. Hij spreekt hun taal. Mystieke moslims hebben een leider in het verleden die ze volgen; dan zegt hij: “Ik volg de Meester van het lege graf”. Dat roept interesse op!

Niet lang geleden is hij (nog) een keer gevangen genomen en een nacht verhoord en met de dood bedreigd. Ook toen heeft hij het gesprek gaande weten te houden door de taal van de theologie te spreken zoals die ook onder moslims gangbaar is. Hij is wonderlijk bewaard. Hij heeft een nerveus karakter, maar als het er voor het evangelie op aan komt is hij een held.

Hij heeft nu een plan om in het meest achtergebleven gebied – in India in het algemeen, voor moslims zoveel te meer – een soort christelijke school te stichten.

Hij leeft, met zijn gezin, arm. Maar telkens duikt er financiële steun op: van kerken in de Westerse wereld, van particulieren, of door medisch werk dat hij kan doen – de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en andere, Amerikaanse medische kringen merken zijn vakbekwaamheid op. Toch blijft zijn evangelisatiewerk voor hem op de eerste plaats staan.

Voor ik deze serie brieven beëindig wou ik dit verhaal graag nog vertellen. Sayed is een vriend die ik bijzonder respecteer.

 

Brief uit India – afscheid

Op 27 december is Saskia met Tabita en Ludger in Nederland aangekomen. Na vijfeneenhalve maand zijn we blij dat we weer bij elkaar zijn!

Vooral voor hen is het wennen. De kou; maar ook, dieper, geestelijk: dat rijkdom en luxe hier zo gewoon zijn. En met het oog op de opvoeding van de kinderen zijn we niet blij met de vrije seksuele moraal hier.

Helaas heb ik niet meer de gelegenheid gehad naar India te gaan om afscheid te nemen: zelfs daar kreeg ik geen visum voor. Evengoed is het afscheid van PTS en van de vrienden wel hartelijk geweest, met waarderende woorden en cadeaus.

We hebben voorlopig onderdak hier in Barneveld, zoals ik al eerder schreef. Dat geeft ons de mogelijkheid om met elkaar naar andere woonruimte te zoeken. Die zal ook weer tijdelijk zijn. Ik krijg tot 1 juni de tijd voor het met elkaar hier in Nederland weer wennen (een maand voor elk jaar dat we weggeweest zijn). Daarna zal ik weer nieuw werk moeten vinden. Ik krijg daar nu al begeleiding voor (‘outplacement’). Wat het wordt, blijft nog open.

De kinderen gaan in Barneveld naar de basisschool. De afgelopen jaren tijdens vakanties zijn ze daar al af en toe een paar weken naar toe gegaan, dus van beide kanten kennen we elkaar nog. Tabita en Ludger zijn er blij mee; ze hebben zich er van tevoren op verheugd. Het pedagogische klimaat op de Indiase christelijke school was hard en niet kindvriendelijk, en het ging in de loop van de tijd steeds verder achteruit.

Het is nu tijd om  deze serie rondzendbrieven te gaan afsluiten. Graag zou ik nog een heel aantal ‘brieven uit India’ schrijven; ik heb nog genoeg stof. Over de studenten, hun achtergrond, hun aspiraties. Over hun ‘stages’ en over hun toekomstige plaats in het kerkelijk leven. Over de samenleving, de politiek, het kastenstelsel. Over ons huispersoneel, de verbouwing, het wegdek, en de algemene slordigheid. En over het winkelen. Maar helaas, onze tijd is om.

De behoefte aan hulp bij het gereformeerd theologisch onderwijs in India blijft onverminderd hoog. De Verre Naasten gaat nu proberen op een andere manier hulp te bieden, door middel van predikanten en docenten die voor een paar weken kunnen worden uitgezonden om een cursus te geven. Dat is minder dan wat wij deden, het is niet genoeg, maar het zal beter zijn dan niets.

Wij hebben er een paar jaar aan kunnen meewerken om de kennis van het Woord van de Here te verbreiden en te verdiepen – in een deel van de wereld waar daar schreeuwend gebrek aan is. Wij in Nederland zijn bevoorrecht. Dat wisten we van tevoren, daarom zijn we gegaan, maar terwijl we daar waren kwam het des te dichterbij. Armoede komt nooit alleen. De armen in de Derde Wereld hebben gebrek aan schoon drinkwater, elektriciteit en gas, goede voeding, gezondheidszorg, onderwijs, werk, sociale voorzieningen en verzekeringen. Het milieu is er vuiler. De overheid kijkt minder naar ze om en kan minder voor ze doen. Ouders kunnen hun kinderen minder meegeven. Het kerkelijk leven is minder ontwikkeld. Ook in veel kerken kijken leiders en rijken minder om naar de misdeelden. Christenen hebben minder kennis van de bijbel en de christelijke leer.

Overigens hoeven we ons niets te verbeelden. Onze broeders en zusters – al is niets menselijks ze vreemd, ook in hun kerkelijk leven – hebben vaak een voorbeeldige geestelijke motivatie en woekeren met hun weinige middelen.

In die wereld hebben wij een bijdrage mogen leveren. Daar ging het ons om en we zijn blij dat de Here ons daarvoor de mogelijkheid gaf, via de broederschap in Nederland.

We blijven met de broederschap daarginds meeleven. Vooral blijven we voor ze bidden. We hopen dat deze brieven eraan meegewerkt hebben dat jullie dat ook blijven doen.

Ik heb deze brieven met veel plezier geschreven. We zijn aan jullie blijven denken terwijl we ver weg waren. We hebben op allerlei manieren gemerkt, zowel in India als tijdens de verlofperioden, dat het thuisfront ook met ons bleef meeleven en we zijn jullie daar dankbaar voor. We hopen de een en de ander in de loop van de tijd weer persoonlijk te ontmoeten. We wensen jullie de zegen van de Here toe, en tot ziens!

 

Brief uit India – motief

Waarom zijn wij naar India gegaan? Omdat we met onze rijkdom mensen die minder bedeeld zijn van dienst wilden zijn.

Armoede is niet alleen een kwestie van gebrek aan geld of eten.

Arme mensen leven gewoonlijk in een vuiler milieu. Op Curaçao konden we dat destijds goed zien: arme wijken zijn er op een plek met prachtig uitzicht, maar onder de rook van de olieraffinaderij. Armen wonen waar geen goed drinkwater is, geen riolering, geen toiletten, en geen elektriciteit. Wie in betere doen komt, verhuist naar een beter milieu.

Armen hebben veelal geen toegang tot goede gezondheidszorg. Ze hebben er geen geld voor. Vaak is de zorg ook gewoon niet beschikbaar, of van slechte kwaliteit. Veel begaafde dokters verdwijnen naar het rijke Westen. Arme patiënten vallen in de handen van kwakzalvers.

Algemener gezegd: armoede is een kwestie van sociale structuur. Je bent niet interessant. Behalve in verkiezingstijd: dan krijg je loze beloften te horen.

Armen hebben over het algemeen geen goede overheid. Politici hebben weinig tijd voor beleid ten behoeve van de mensen. Ze hebben het druk met coalities bijeenbrengen, aan de macht blijven, hun eigen belangen behartigen – zoals het aanleggen van een mooie weg naar hun eigen buitenhuis –, hun belangrijke positie etaleren en ervan profiteren, steun verwerven door vriendjes te bevoordelen, en de volgende verkiezingen winnen. Wat er tot stand komt zijn mooie plannen die niet uitgevoerd worden, of een enkel prestigeproject waar de gewone man niet beter van wordt. Ze zijn corrupt; als ze integer beginnen, helpen zowel hun meerderen en collega’s als de mensen die iets van ze gedaan willen krijgen, ze daar wel van af. Armen kunnen hun recht niet krijgen.

India scoort op veel punten slecht, maar het kan nog erger: India is geen dictatuur, er is geen burgeroorlog en er zijn geen vluchtelingenstromen.

Arme kinderen krijgen geen goed onderwijs. Het is er gewoon niet, of het deugt niet. Onderwijzers komen niet opdagen; ze hebben bijbaantjes. Ouders hebben geen geld om hun kinderen naar school te laten gaan. De kinderen moeten werken om bij te dragen aan het gezinsinkomen. In India gaan iets meer dan 50% van de kinderen naar school, en een deel daarvan niet meer dan anderhalf jaar.

Veel ouders kunnen niet voor hun kinderen zorgen. Er is geen geld. In huis is geen ruimte. Ze kunnen hun kinderen niet op weg helpen in het leven, omdat ze het zelf ook nooit geleerd hebben. Ze zijn vaak ook niet gemotiveerd. Veel ouders zijn verslaafd.

Armen zijn arm aan kerkelijk leven. Er wordt weinig naar ze omgekeken. Voorgangers zijn veelal slecht opgeleid en eigengereid – ze worden ook niet goed begeleid. Bisschoppen houden zich bezig met wereldlijke belangen zoals kerkelijke goederen. Kerkdiensten zijn op z’n best enthousiast zonder veel inhoud. Preken herhalen wat de mensen moeten doen. Er is geen catechisatie. Er is geen traditie van christelijke opvoeding.

Arme landen zijn ook arm aan theologisch onderwijs. Er zijn weinig bekwame docenten te vinden. Studenten hebben onvoldoende vooropleiding gehad, er is geen geld voor hun studie. Bibliotheken zijn tweederangs. En er is geen goede theologische traditie.

De ellende is dat vormen van deprivatie (gemis) vrijwel altijd samengaan. Ze vormen met elkaar een vicieuze cirkel.

Wij in Nederland zijn bevoorrecht. We zijn dankbaar dat we ons persoonlijk voor de minder bedeelden kunnen inzetten. Theologie is niet het enig nodige, maar dat is wat ik kan bieden. We zijn ook dankbaar dat anderen, jullie, de broederschap op het thuisfront, bereid zijn dat financieel mogelijk te maken.

De Verre Naasten behartigen speciaal hulp aan de broederschap. Maar bovendien is hun werk professioneel. Ontwikkelingswerk – goed helpen, op zo’n grote culturele afstand, vereist meer dan menslievendheid en ondernemendheid. De broederschap in India heeft zelf om deze hulp gevraagd: gereformeerde theologie is hier zeldzaam; er is grote behoefte aan. DVN begeleidt ons bovendien goed.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *